maandag 5 december 2016

SENECA OP PAKJESAVOND

U zult wel denken, waarde lezer, die stoïcijnen moeten zich ook overal mee bemoeien. Nu hebben ze zelfs iets te zeggen over een traditioneel Nederlands kinderfeest. Waar bemoeien ze zich mee. Niet te snel, misschien heeft de oude Seneca toch nog wat zinnigs te vertellen over deze avond van surprises en gedichten. In de tijd van Seneca bestond er natuurlijk nog helemaal niet zoiets als Nederland, en Sinterklaas moest nog geboren worden. Maar over het geven van cadeautjes had deze oude Romein toch een paar interessante dingen te zeggen. Seneca’s belangstelling was heel breed. Hij was een echte ‘homo universalis’ die zijn lezers telkens weer voor verrassingen wist te stellen. Dat is ook het geval in een vergeten boek, waarvoor ik op deze pakjesavond de aandacht wil vragen. Het betreft Seneca’s boek ‘De Beneficiis’ (oftewel ‘over cadeautjes’).

U denkt misschien dat het een beetje kinderachtig is om als gerenommeerd filosoof een boek over cadeautjes te schrijven, maar toch is het één van Seneca’s dikste boeken. In dit omvangrijke boek (zeven ‘delen’ in totaal ruim 250 pagina’s) behandelt Seneca in feite maar één onderwerp: het geven en aanvaarden van cadeaus, in materiële en niet-materiële zin. Hoe en wanneer moet je cadeaus geven? En aan wie? Wat mag je redelijkerwijze terug verwachten? En als je een cadeautje krijgt, wat staat je dan te doen? Achteloos incasseren? Of meteen iets terug schenken? Past de ontvanger blijvende dank, of verdwijnt het debet zodra er een tegengunst is verleend?

Het zijn vragen die ook in onze tijd relevant zijn, maar geen al te gedetailleerde behandeling lijken te vragen. In een paar bladzijden moet daarover toch iets verstandigs te zeggen zijn, zeker voor een filosoof als Seneca, die de grote vragen niet schuwt en graag snel tot de kern van de dingen komt. Waarom pakt hij hier dan uit met een compleet boek? Dat suggereert minstens dat het voor hem om iets belangrijks gaat, dat veel extra aandacht behoeft. Als we Seneca als auteur en denker ook maar enigszins serieus nemen, is het de moeite waard om uw aanvankelijke aarzelingen ten aanzien van ‘Over cadeautjes’ (De beneficiis) even opzij te zetten en een frisse blik op het werk te werpen. Er valt zeker iets uit te leren over het denken in het antieke Rome, en misschien ook wel over onze eigen tijd.

Heel het systeem van weldaden verlenen, ontvangen en beantwoorden blijkt een fundamenteel principe dat als een soort onderliggend patroon de Romeinse samenleving bepaalt. We weten ook uit andere bronnen hoezeer het sociale leven in Rome aan elkaar hing van ‘diensten en wederdiensten’. Men kan hier denken aan het Romeinse systeem van patronage: patroons die afhankelijke gunstelingen beschermden en van voedsel en banen voorzagen in ruil voor tegenprestaties, zoals het bekende ‘begroetingsritueel’ (salutatio) in de ochtend, of steun bij verkiezingen. Zo riep de ene dienst de andere op. Het fundamenteel belang van dit soort cadeautjes in Rome blijkt uit de welbekende, kernachtige verwoording van het principe: ‘do ut des’, ik geef opdat jij geeft’.

Maar het is veelzeggend dat Seneca dit gewone Romeinse ‘do ut des’ helemaal niet onderschrijft, en het zelfs nadrukkelijk verwerpt. Je moet geen cadeaus geven omdat je daar zelf beter van hoopt te worden. Nee, een gunst geef je zonder bijgedachten, enkel en alleen omdat het een mooie, plezierige handeling is. In zijn visie moet het geven en ontvangen dus vrij zijn van direct nut en eigenbelang. De banden die door gunsten ontstaan gaan dieper en zijn hechter: in feite brengen de continue ketens van weldaden een nauwe sociale cohesie tot stand, waardoor de mensheid een geheel blijft. Seneca tilt hiermee het denken over cadeaus, dankbaarheid en gunsten naar een hoger, geestelijk verheffender niveau. Zijn concrete Romeinse invulling is uiteraard tijdgebonden, maar wij kunnen ons minstens de vraag stellen in hoeverre dit alles ook op de Westerse samenleving van de 21e eeuw van toepassing is.

Wat krijg je eigenlijk, wat ben je verschuldigd wanneer jou een weldaad wordt bewezen? Seneca’s antwoord is paradoxaal maar helder: de goede intentie van de ander. Of je nu geld of goederen krijgt of gered wordt in de nood, er komt niet iets materieels of een bepaalde handeling op je debet, de eigenlijke weldaad die je krijgt bestaat in de positieve gezindheid van waaruit de ander jou de goede gunst bewees. En wat is een weldaad dus? Het is ‘een handeling van welwillendheid, waarin men vreugde schenkt en door het geven ook ervaart, een handeling die van harte en spontaan is.’. Wie iets groots of kostbaars geeft om andere redenen, bijvoorbeeld om zichzelf geweldig te voelen, is dus geen echte gever en gaat misschien zelfs in de fout.

Als je geeft, wat moet je dan geven? Ook hier heeft Seneca een mooie formule. ‘Allereerst moeten we essentiële dingen geven, vervolgens nuttige zaken, en dan aangename dingen, vooral als ze blijvend zijn.’ Nadere onderverdelingen en fijnere gradaties zijn uiteraard mogelijk: iemand het leven redden is volgens Seneca’s filosofie iets groters dan hem de vrijheid schenken, wat op zichzelf dan weer hoger staat dan diens vrouw of kinderen beschermen. Verder speelt bij het geven de sociale tact een rol: een alcoholist geef je geen mooie fles sterke drank, een gokverslaafde geen ticket voor het casino, en je moet natuurlijk ook geen gaven in het wilde weg rondstrooien maar gericht geven. Niet verkwisten, maar ook niet onnodig schriel zijn. Kortom, je moet rekening houden met tijd, plaats, persoon en omstandigheden.

Het zijn voor ons gevoel nogal open deuren, maar in het Rome van Seneca waren ze dat klaarblijkelijk nog lang niet. Achter Seneca’s tirades tegen verkeerde vormen van geven zien we een beeld oprijzen van puissant rijke dikdoeners en patsers, maar ook van miljonairs die voor hun sociale plichten weglopen en geen cent weggeven. Het is sowieso opvallend dat Seneca vooral de kant van de gever belicht. De stap naar zijn eigen biografie is ook hier niet moeilijk te maken. Seneca was namelijk zelf zo’n schatrijke Romein: hij staat te boek als een van de meest vermogende en vrijgevende mannen van zijn tijd. De problemen van geven (inclusief ondankbare reacties) zal hij dus in sterke mate persoonlijk ervaren hebben. We kunnen uit zijn opmerkingen minstens opmaken dat hij zelf in het gebruik van zijn rijkdommen een goede, verantwoorde middenkoers wilde varen.

Irrelevant lijken mij Seneca’s gedachten zeker niet. Wij spreken misschien heel eigentijds in termen van ‘netwerken’ en ‘relatiebeheer’, maar liggen hier niet dezelfde valkuilen op de loer die Seneca signaleert? Als ik een kennis een dienst bewijs, wil ik dan meteen iets terugkrijgen? Kan ik nooit eens zomaar iets voor een ander doen? Als mijn hartelijkheid berekenend is, kan ik het dan wel iets moois en goeds noemen? En omgekeerd, als iemand iets bijzonders voor mij gedaan krijgt, schept dat dan andere directe verplichtingen dan mijn ruiterlijke erkentelijkheid? Is het vreemd als ik het gebaar gewoon enthousiast aanvaard? Wat verwacht de ander eigenlijk terug?


Zo bezien lijken de vragen van ’De Beneficiis’ nog onverminderd actueel. Seneca is er niet op uit een catalogus te geven van juiste giften en passende dankbewijzen, op lijsten of tabellen waaruit we ons debet en credit af kunnen lezen, al zouden veel lezers dat misschien best willen. Nee, hij wil algemene raad geven voor werkelijk goed, moreel hoogstaand omgaan met weldaden, zowel door de gever als de ontvanger. Hij wil achterhalen hoe de samenleving in elkaar zit. Of idealiter zou moeten zitten. Achter deze nobele filosofische houding zien we steeds ook weer de concrete Romeinse mens Seneca. We hebben geen complete biografie van hem, maar juist uit zijn abstracte, universeel geldige teksten rijst ook een steeds duidelijker beeld van zijn persoon. Hij is een machtige Romein, een multimiljonair, een drammerige betweter en verheerlijker van de goede oude tijd, zeker, maar ook een fijnzinnig denker, een voorzichtig taster naar de waarheid, en een gedreven leraar die zijn lezers serieus iets goeds wil bijbrengen waar zij in hun eigen leven iets mee kunnen. Een idealist, eigenlijk. Je kunt het in de oudheid slechter treffen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten