zaterdag 23 maart 2019

HOOFDSTUK 12 VAN HET HANDBOEKJE VAN EPICTETUS


Als je vooruitgang wilt boeken moet je dit soort gedachten laten varen: ‘Als ik m’n werk verwaarloos zal ik straks niets meer te eten hebben; Als ik mijn slaafje niet straf zal hij ongehoorzaam worden’. Het is beter om gelukkig honger te lijden, dan om rijk en ongelukkig te zijn. Het is beter dat je slaafje ongehoorzaam is, dan dat je er zelf slecht aan toe bent.
Begin met kleine dingen. Je olijfolie lekt weg, je wijn wordt gestolen. Zeg dan tegen jezelf: ‘Dat is de prijs die ik betaal voor vrijheid en onverstoorbaarheid. Je krijgt niets voor niets’. Als je je slaafje roept bedenk dan dat hij misschien niet komt of dat hij als hij wel komt niet doet wat je hem opdraagt. Heeft hij soms zo’n grip op je dat je humeur in zijn handen ligt?

Epictetus wil van zijn leerlingen virtuozere en gelukkigere mensen maken. Dat doet hij door ze te leren steeds beter de stoïcijnse principes toe te passen. Dat is dan ook wat hij in de eerste zin bedoelt met vooruitgang boeken. In dit hoofdstukje geeft hij twee voorbeelden van hoe het in elk geval niet moet. Het eerst voorbeeld richt zich op werk en financiën. Ook tegenwoordig lijkt het vaak alsof het hele leven alleen maar om geld en carrière draait. Dat was in de Oudheid niet veel anders, maar voor een stoïcijn is zijn financiële positie nu net een schoolvoorbeeld van één van de dingen die totaal onbelangrijk zijn. Epictetus’ leerlingen moesten het dan ook afleren om zich druk te maken over hun werk en financiën. Het enige dat telt is je karakter, je instelling. Al het andere is onbelangrijk. Het draait er dus om hoe je omgaat met je werk en financiën. Je moet een carrière kiezen die belangrijk voor jou en de maatschappij is. Of je daar vervolgens dan ook rijk en machtig door wordt doet totaal niet ter zake. Sterker nog als je je wel bezighoudt met dat soort trivialiteiten dan is de kans dat je ongelukkig wordt levensgroot aanwezig. Arm, maar virtuoos en gelukkig valt voor een stoïcijn verreweg te prefereren boven rijk en bijna per definitie ongelukkig.

In het tweede voorbeeld gaat het over de gehoorzaamheid van een slaafje. Om het een wat moderner tintje te geven had het ook vertaald kunnen worden met werknemer of gewoon medemens. In wezen gaat het Epictetus hier vooral om de onrealistische verwachtingen die zijn leerlingen hebben van het gedrag van andere mensen. Als je er van uit gaat dat mensen altijd precies datgene doen wat je van ze verwacht zal je bedrogen uitkomen. Andere mensen hebben hun eigen agenda en doen dat wat hen goed dunkt. De ene keer past dat in je straatje, maar de kans is levensgroot dat dat dikwijls niet het geval zal zijn. Door je humeur afhankelijk te laten zijn van het gedrag van andere mensen lever je jezelf in zekere zin aan hen uit. Ze hebben het opeens in hun macht om te bepalen hoe jij je voelt. En die macht zal een stoïcijn nooit uit handen willen geven.

Epictetus wist dat zijn leerlingen een dergelijke instelling zich niet van de ene op de andere dagen zouden kunnen eigen maken. Daarom raad hij hen zoals altijd ook hier weer aan om met kleine dingen te beginnen. Het laten vallen van een amfoor met olijfolie of het inpikken van een glas wijn waren in de Oudheid geen ongewone voorvallen. En misschien dat het je ook nu nog wel eens overkomt dat iemand zich in een café, expres of per ongeluk, het voor jou bestemde glas bier of wijn weet toe te eigenen. Of iemand pikt dat laatste toastje met die heerlijke gerookte zalm in. Die zalm waar jij nog niets van geproefd had, maar waar de onverlaat er al een stuk of wat van achterover geslagen heeft. Dat glas wijn of dat stukje zalm is de prijs die je betaalt voor het behouden van je goede humeur. En dat goede humeur is een stoïcijn heel wat meer waard dan een sliertje zalm In het begin zijn het dit soort kleine incidenten die je gemoedsrust niet langer meer mogen verstoren. Pas in een later stadium, als je wat vorderingen gemaakt hebt, komen groter affaires als carrière en lastige mede mensen, aan bod.


vrijdag 15 maart 2019

HOOFDSTUK 11 VAN HET HANDBOEKJE VAN EPICTETUS


Zeg niet: ‘Het is me afgenomen’, maar: ‘Ik heb het teruggegeven’. Is je kind gestorven? Het is teruggegeven. Is je vrouw overleden? Ze is teruggegeven. Heeft iemand je land afgepakt? Dan is ook dat teruggegeven. ‘Maar het is afgepikt door een boef’. Wat kan het jou schelen wie de gever stuurt om het van je terug te vragen? Het is van iemand anders, zolang je het mag houden moet je er goed voor zorgen. Net als een reiziger in een hotel.

Net als in hoofdstuk drie gaat het ook hier weer over de vergankelijkheid van onze bezittingen en levens. Een stoïcijn moet goed doordrongen zijn van die vergankelijkheid en er altijd op voorbereid zijn dat zijn bezittingen kapot kunnen gaan of gestolen kunnen worden. Hetzelfde geldt voor zijn geliefden. Mensen zijn kwetsbaar en sterfelijk. Ziektes en ongelukken of oorlogen kunnen van het ene op het andere moment een geliefde uit je leven rukken. Dat geldt nu, maar in de Oudheid was je je leven nog veel minder zeker dan tegenwoordig. In de tijd van Epictetus kon het leven behoorlijk onvoorspelbaar zijn en zijn leerlingen hadden daar ongetwijfeld al het één en ander van meegemaakt voor ze zijn school betraden.

Epictetus wil ze daar tegen beschermen. Niet door ze voor allerlei onheil en rampen te behoeden, dat kon hij natuurlijk niet, maar door ze de stoïcijnse reserve aan te leren. In dit hoofdstuk doet hij dat door ze te laten beseffen dat niets van hun bezittingen, dat geen van hun geliefden ook echt hun eigendom zijn. Ze moeten al hun bezit beschouwen als spullen die ze een poosje mogen gebruiken en al hun geliefden als mensen waar ze een tijdje mee mogen samenleven. De natuur heeft ze al die dingen te leen gegeven. Ze kan het terugnemen doordat ze kapot gaan of versleten raken of doordat een dief het wegneemt.

Epictetus zegt hier dat het er niet toe doet hoe het van je wordt afgenomen. Of die kostbare Chinese vaas nu per ongeluk in stukken valt, of door een kwaadaardige dief wordt meegenomen, doet niet ter zake. Het is onbelangrijk of je stukje land nu door een aardverschuiving verloren gaat, of doordat iemand het je onrechtmatig weet te ontfutselen. De natuur heeft van je teruggevraagd wat toch al nooit echt van jou was. Dat betekent trouwens niet dat een stoïcijn een dief zo maar zijn gang moet laten gaan. Hij zal weldegelijk naar de politie of de rechter stappen om zijn eigendommen terug te vorderen. Dat hoort bij de zorgplicht die ook deel uitmaakt van de leenovereenkomst met de natuur.

Veel mensen vinden dit hoofdstukje stuitend. Als je van iemand houdt dan kan het toch niet anders dan dat je overstuur raakt als hem of haar iets overkomt. Het is onmenselijk om dat niet te doen. Epictetus zou zeggen dat het juist de mensen zijn die overstuur raken die hun menselijkheid niet voldoende hebben weten te ontplooien. Ze hebben niet goed genoeg geleerd dat ze in een veranderlijke wereld leven, waarin alles constant in beweging is. Verval en dood zijn onlosmakelijk met het leven verbonden. Je mag wel verdrietig zijn van het verlies van een geliefde, dat is ook voor Epictetus volkomen natuurlijk. Maar dat mag niet te lang duren. Het lijkt misschien onmenselijk om je geliefden en bezittingen als een lening te moeten beschouwen. Maar in de praktijk valt dat nogal mee. Zolang iets je te leen is gegeven mag je er ook van Epictetus met volle tuigen van genieten. Bovendien moet je er ook nog eens zo goed mogelijk voor zorgen. Juist door er van doordrongen te zijn dat je je geliefden en spullen te leen hebt zal je er voorzichtiger mee omgaan, meer van ze gaan houden en beter voor ze gaan zorgen.

In de slotzin komt Epictetus met de metafoor van een hotel aanzetten. Hij gebruikt het kortstondige verblijf in een hotel wel vaker als vergelijking voor het leven. Je huurt een poosje een kamer in een hotel en mag de spullen gebruiken, je dineert in de eetzaal, maakt een babbeltje in de lobby en leert je medegasten beter kennen. Net als in het echte leven heb je niets te zeggen over de inrichting van je kamer, het dagmenu en de andere mensen waar je het hotel mee deelt. Je moet voorzichtig omgaan met de spullen die het hotel je ter beschikking stelt en je moet je hoffelijk gedragen tegenover de andere gasten. Of je nu niet meer dan één overnachting boekt of een paar weken blijft logeren, niets in het hotel wordt echt je eigendom, wanneer je uitcheckt moet je alles weer zo netjes mogelijk achterlaten.


zaterdag 9 maart 2019

HOOFDSTUK 10 VAN HET HANDBOEKJE VAN EPICTETUS


Bij alles wat je overkomt moet je bij jezelf de kracht zoeken die je in je hebt om er mee om te gaan. Als je een knappe jongen of een mooi meisje tegenkomt dan vind je bij jezelf het vermogen van de zelfbeheersing. Als je een zware taak wacht dan vind je uithoudingsvermogen. Als je wordt uitgescholden dan vind je verdraagzaamheid. Als je hier een gewoonte van maakt dan zal je je niet meer door de gebeurtenissen laten meeslepen.

Epictetus’ studenten moesten leren hoe ze moesten omgaan met prettige en vervelende indrukken uit de buitenwereld. Als ze een aantrekkelijke jongen of meisje ontmoeten moeten ze de gedachte: ‘wouw, wat een stuk, daar wil ik mee naar bed’ niet toelaten. Niet omdat de stoïcijnen problemen met seks hadden, maar omdat dergelijke gedachten doorgaans alleen maar tot frustraties en teleurstellingen leiden. Er is niets mis mee om onder de juiste omstandigheden en met wederzijdse instemming ook echt het bed met elkaar te delen, maar het wordt anders als je bij iedere toevallige ontmoeting op straat op tilt slaat. Stel dat iemand vindt dat je veel te langzaam rijdt en je ten onrechte aan de maximumsnelheid houdt. Om je dat duidelijk te maken staat hem natuurlijk geen ander middel ter beschikking dan luid te toeteren en het je toesteken van een middelvinger. Als je je door deze actie laat meeslepen en de belediging serieus neemt wordt je kwaad en laat je je misschien zelfs verleiden tot een onvervalste scheldpartij of erger. Daar gaat je gemoedsrust. Epictetus adviseerde zijn leerlingen niet om over zich heen te laten lopen, maar hij vond dat hun emotionele evenwicht heel wat belangrijker was dan één of andere dombo die het nodig vond om hen uit te schelden.

Een stoïcijn moet bij alles wat hem overkomt dan ook heel even een stapje terug doen om goed te bekijken wat het nu eigenlijk is dat er gebeurt. Hij moet niet te snel een waardeoordeel aan het gebeuren verbinden. De aanblik van een mooi meisje is niet persé goed en uitgescholden worden is niet per definitie iets slechts. Het enige wat echt goed of slecht is, is het oordeel dat je geeft en dat waardeoordeel bepaalt of je van je stuk raakt of niet. Door even de tijd te nemen en te onderzoeken over wat voor capaciteiten je beschikt om met de situatie om te gaan oefen je je karakter. Met een goed getraind karakter word je leven er een stuk aangenamer op en daar was het Epictetus om te doen.


donderdag 7 maart 2019

STOÏCIJNSE GEVOELENS



De stoïcijnen zijn van oordeel dat ieder mens kan werken aan zijn eigen geluk en dat iedereen de voorwaarden voor het bereiken van geluk in eigen hand heeft. Daarom ligt geluk niet in het bereiken van iets externs als rijkdom of eer, of zelfs in gezondheid; al die dingen liggen buiten iemands controle en kunnen zomaar worden afgepakt of voorbijgaan. Alleen door een virtuoos leven te leiden en een geestelijke rust te bereiken die niet wordt verstoord door overbodige negatieve emoties kan een mens gelukkig worden; al het overige (iemands rijkdom of armoede, ziekte of juist gezondheid, leven of dood) moet als 'indifferent', als onverschillig, worden beschouwd.

De wereld werd door de Stoa gezien als een mooi geordend geheel, waarin een bepaalde voorzienigheid en wetmatigheid kan worden herkend. Dit redelijke principe, de ‘logos’ is tegelijk God en de Natuur. Wie de rationele Natuur leert kennen, begrijpt hoe de wereld in elkaar zit en weet wat goed en slecht is en zal daarover de juiste oordelen hebben. Het zijn onjuiste oordelen die een mens in verwarring brengen en hem ongelukkig maken. De gewone mens maakt zich druk om van alles, terwijl dat eigenlijk niet de essentiële zaken van het leven zijn.

De menselijke geest bestaat bij de Stoa uit slechts één deel, de rede, van waaruit alle strevingen (gedachten, gevoelens en impulsen tot handelen) voortkomen. Hierin verschillen de stoïcijnen van filosofen als Plato en Aristoteles die emoties als irrationele impulsen voorstelden: een emotie was voor hen een streving die los staat van de rede en vaak tegenovergesteld is aan de rede. Een emotie is bij de Stoa echter een bepaald soort oordeel dat wel degelijk cognitief is en uit de rede voorkomt. Pas op het moment dat er een oordeel is geveld over een bepaalde situatie of gebeurtenis ontstaat er een emotie. Zo’n oordeel kan zowel rationeel als irrationeel zijn. Met rationeel wordt bedoeld dat het een oordeel betreft dat correct is, dat met de werkelijkheid overeenstemt. Met irrationeel wordt dan bedoelt dat het oordeel niet aan de juiste norm van rationaliteit voldoet, dat het oordeel onjuist is.

Een rationele positieve emotie is het gevolg van een correct oordeel. Een irrationele negatieve emotie is het gevolg van een fout oordeel. Op die manier wordt een negatieve emotie bij de stoïcijnen niet meer dan een vergissing, een denkfout. Het is een oordeel dat niet past bij de werkelijke situatie. Dat betekent dat eenzelfde emotie de ene keer rationeel en positief en de andere keer irrationeel en negatief kan zijn. Het is heel rationeel om bang te worden van een op je afstormende stier, maar irrationeel om bang te worden voor een langs trippelend muisje.

Het is niet gemakkelijk om onder alle omstandigheden het juiste oordeel te geven en de juiste bijpassende emotie te voelen. Alleen de legendarische stoïcijnse wijze weet perfect te oordelen en voelen. Hij is een ideaal persoon die een virtuoos leven leidt en die enkel juiste oordelen geeft omdat hij kennis heeft van de rationele orde die de wereld bestuurt. Het ontbreken van onjuiste oordelen houdt ook het ontbreken van negatieve emoties in. De stoïcijnen noemen die negatieve op foutieve oordelen gebaseerde emoties ook wel de passies. De wijze verkeert in een toestand van ‘apatheia’, van passieloosheid. ‘Apatheia’ is een gemoedsrust die niet door irrationele negatieve emoties wordt verstoord.

Een passie is dus een verkeerd oordeel over een gebeurtenis of toestand in de wereld. Wie zich door zijn passies laat leiden, hecht een irrationele waarde aan zaken die eigenlijk onbelangrijk en 'indifferent' zijn. Het vellen van een oordeel is aan ons en dus is het hebben van passies, oftewel negatieve emoties, onze eigen verantwoordelijkheid en iets waarop we controle kunnen uitoefenen. Een passie is immers niet meer dan een bepaalde reactie op een impressie die zich aan ons voordoet. Reageren vanuit een passie (in plaats van op een redelijke manier) is nooit de beste reactie en maakt je onnodig ongelukkig. De meeste mensen zullen het er mee eens zijn dat het soms niet verstandig is te reageren vanuit je passies. De Stoa gaat zelfs nog een stap verder. Zij maakt de claim dat het in geen enkel geval goed is om vanuit je passies te reageren.

Dat maakt stoïcijnen nog niet tot emotieloze robots. Het is fout om vanuit een passie op de wereld te reageren, maar de stoïcijnen kenden naast de negatieve emoties van de passies ook positieve emoties die zij in het Grieks de ‘eupatheiai’ noemden. Deze ‘eupatheiai’ zijn emoties die niet excessief en irrationeel zijn. Het zijn juiste rationele oordelen die in de gegeven situatie passend zijn. Dit zijn gevoelens die een stoïcijn juist wel mag hebben. Hij mag er zelfs naar streven die emoties op te wekken. De stoïsche wijze is dus vrij van negatieve emoties, maar is geen gevoelloos persoon. In plaats van de vervelende passies heeft hij de ‘eupatheia’. Een stoïcijn kan dus weldegelijk vriendelijk, sociaal, tolerant, liefdevol, vrolijk en zelfs gepassioneerd zijn. Maar dan staat gepassioneerd wel voor enthousiast en nieuwsgierig en zeker niet voor de negatieve emoties.

Het verschil zit hem er in dat de wijze zich niet laat meeslepen door zijn gevoelens, doordat zijn strevingen in de juiste mate overeenkomen met de waarde van het object of subject waar ze op zijn gericht. Omdat zijn strevingen rationeel zijn en doordat hij over de aard van elk object het juiste oordeel vormt is hij in staat altijd de juiste gevoelens aan een situatie te verbinden. De wijze weet precies wat wel en niet binnen zijn macht ligt. Doordat hij weet waar hij wel en geen controle over heeft kan een wijze de staat van ‘apatheia’ oftewel passieloosheid bereiken. Die absolute innerlijke rust betekent dus niet dat de wijze geen emoties meer heeft. Hij heeft geen passies, geen negatieve emoties meer, maar de prettige ‘eupatheiai’ zal hij zeker nog blijven voelen.

Zelfs de stoïcijnen dachten dat een echte wijze nog nooit bestaan had. Ze zeiden dat hij net zo legendarisch en zeldzaam was als de Ethiopische feniks. En onze stoïcijnen wisten echt wel dat dat fabeldier niet bestond. Betekent dit nu dat wij arme gewone mensjes gedoemd zijn om allerlei negatieve emoties (passies) te moeten ondergaan? Gelukkig niet helemaal. Ook als gewoon dwaas mensje kun je vooruitgang boeken op je pad naar wijsheid en virtuositeit. Zo kunt u leren niet langer bang te zijn voor het muisje van hierboven en kunt u leren allerlei onvermijdelijk ongemak te accepteren. Door te beginnen met kleine dingetjes als muisjes en ergerlijke rijen voor de kassa kunt u uw ‘passies’ steeds een beetje verder indammen. Hoe minder negatieve gevoelens u hebt hoe prettiger u zich zult voelen. Tegelijkertijd kunt u ook leren uw prettige gevoelens te koesteren en te stimuleren. Wees u bewust van de momenten dat u zich plezierig voelt en probeer die momenten zoveel mogelijk te rekken. De stoïcijnen hebben een heel arsenaal aan technieken tot hun beschikking om zo min mogelijk vervelende passies te ondervinden en zoveel mogelijk geluksmomenten mee te maken.

Zelfs een gevorderd stoïcijn zal niet aan zijn persoonlijke dosis ellende kunnen ontsnappen, maar hij zal zich gemiddeld toch al beter voelen dan een beginneling en helemaal een stuk beter dan een gewone sterveling. Hierboven beschreef ik de ‘eupatheiai’ als emoties die passen bij een bepaalde situatie of gebeurtenis. Een goede rationele inschatting leidt zo automatisch tot een passende emotie. Een passie is dan een emotie die niet past bij de situatie. Een irrationeel oordeel dat leidt tot een verkeerde emotie. Zo kan dezelfde emotie onder de ene omstandigheid een rationele en passende ‘eupatheia’ zijn en onder andere omstandigheden een irrationele niet passende passie zijn.

Er is nog een verschil. Hoe verder u als leerling stoïcijn gevorderd bent hoe minder snel u een situatie als vervelend of bedreigend zult gaan beoordelen. Voor een leerling stoïcijn is het absoluut een ‘eupatheia’ om bang te worden voor een aanstormende stier, terwijl dergelijke angstgevoelens voor een gevorderde stoïcijn misschien wel als een passie moeten worden aangemerkt. Wat voor een leerling nog een positieve passende emotie was is dat voor een gevorderde niet meer. Dat neemt trouwens niet weg dat ook de gevorderde stoïcijn in een boom zal proberen te klimmen om de stier te ontwijken.

zaterdag 2 maart 2019

HOOFDSTUK 9 VAN HET HANDBOEKJE VAN EPICTETUS


Als je dat echt wilt vormt ziekte alleen een belemmering voor je lichaam en niet voor je karakter. Zo is kreupelheid een belemmering voor je been, maar niet voor je karakter. Dit moet je bij alles wat je overkomt tegen jezelf zeggen. Dan zal je er echt van doordrongen raken dat alles wat je overkomt een belemmering is van iets anders, maar niet van jou.

Epictetus spreekt hier uit eigen ervaring. Hij was zelf slecht ter been en liep met krukken. Volgens sommigen was dit het gevolg van een bestraffing door zijn meester in de tijd dat hij nog slaaf was. Deze handicap weerhield hem er niet van om toch een gelukkig en goed gevuld leven te leiden. Hij stelt in dit hoofdstukje dat ziektes en aandoeningen niets te maken hebben met je karakter. Ze hebben niets te maken met wat je in wezen bent en zijn daarom onbelangrijk voor een gelukkig en virtuoos leven. Natuurlijk kun je ziek worden of een ongeluk krijgen, maar dat belemmert je vermogen om te denken en te oordelen niet. Het kan je plannen en projecten in de war sturen, maar daar draait het niet om. Bij Epictetus gaat het om wie je bent en niet om wat je doet. Hij maakt een strikt onderscheid tussen de dingen waar je een volledige controle over hebt, de dingen waar je een beperkte controle over hebt en de dingen die volledig buiten je controle liggen. Alleen de dingen waar je een volledige controle over hebt kunnen je gelukkig en virtuoos maken. Al het andere is in wezen onbelangrijk. Je lichaam is één van de dingen waar je maar een heel gedeeltelijke controle over kunt uitoefenen. Natuurlijk het is verstandig om gezond te leven en goed voor jezelf te zorgen, maar wie je bent: je karakter en oordeelsvermogen, zijn het enige wat echt telt voor een gelukkig leven. En dat oordeelsvermogen is nu net het enige waar je wel een volledige controle over hebt.

Epictetus wil dus dat zijn leerlingen bij alles wat hen overkomt goed nagaan of het om iets gaat waar ze de volledige controle over hebben. Als ze daarbij tot de conclusie komen dat ze er geen of slechts een heel beperkte controle over hebben dan moeten ze het bijna automatische naast zich neerleggen als iets wat hen niet aangaat. Ziektes en handicaps, maar ook allerlei andere tegenslagen spelen geen rol bij het leiden van een gelukkig leven.


vrijdag 22 februari 2019

HOOFDSTUK 8 VAN HET HANDBOEKJE VAN EPICTETUS


Je moet niet willen dat de dingen gebeuren zoals jij wilt dat ze gebeuren, maar je moet de dingen willen zoals ze gebeuren. Pas dan zal je gelukkig leven.

Epictetus spoort zijn leerlingen aan om een leven in harmonie met de natuur te leiden. Daarmee bedoelt hij niet dat ze een paar geitenwollen sokken moet kopen en een biodynamische moestuin moeten beginnen. Nee hij wil dat ze leren de natuurlijke gang van de gebeurtenissen te accepteren. De wereld gaat nu eenmaal zijn eigen gang en trekt zich daarbij niets aan van je persoonlijke wensen en verlangens. Je hebt een kleine en heel beperkte invloed op wat er gebeurt. Zelfs als je je uiterste best doet om de dingen naar je hand te zetten zijn er altijd omstandigheden buiten je om die roet in het eten kunnen gooien.

De wereld zit vol teleurstellingen, toevallige gebeurtenissen en mensen die er toe kunnen leiden dat de dingen niet gebeuren zoals je het liefst hebt dat ze gebeuren. Dat vormt voor de meeste mensen een welhaast onuitputtelijke bron van frustratie, woede en verdriet. Vervelende emoties die volgens Epictetus allemaal voorkomen hadden kunnen worden. Hij wil dat zijn leerlingen alles wat hen overkomt op de pijnbank van hun rationele vermogens leggen om grondig te onderzoeken wat er nu eigenlijk echt aan de hand is. Ze zullen daarbij al snel tot de ontdekking komen dat bijna alles wat hen overkomt niet te vermijden valt. Waarom zou je je druk maken over iets dat hoe dan ook moest gebeuren. Je kunt je best doen om de dingen naar je hand te zetten, maar als de wereld anders beschikt dan is dat geen reden om je druk te maken. Als je weet dat je je best hebt gedaan dan is er, ongeacht de uitkomst, reden tot tevredenheid. Je hebt tenslotte alles gedaan wat je in je macht hebt, alles waar je controle over hebt.

Epictetus roept zijn leerlingen dan ook op om hun uiterste best te doen om hun doelen te bereiken. Ze moeten zich daarbij echter vooral richten op de inspanningen die ze zelf verrichten en niet op het te bereiken doel. Hun hoop moet gevestigd zijn op hun vermogen om problemen op te lossen en niet op het eindresultaat. Net als bij de taoïsten gaat het de stoïcijnen dus om de weg en niet om de bestemming. Als er dan ondanks alle moeite toch nog iets mis gaat, wordt het tijd om na te denken over de volgende stap. Is het verstandig om nog een poging te wagen? Misschien met een andere iets slimmere aanpak. Of is het rationeel om maar helemaal af te zien van je plannen? Door te accepteren wat er gebeurt kun je jezelf heel wat ellende en frustraties besparen.

Epictetus gaat zelfs nog een stap verder. Hij wil niet alleen dat zijn leerlingen accepteren wat er gebeurt, hij wil dat ze ook echt willen wat er gebeurt. Dat is nog heel wat anders dan het fatalisme waar stoïcijnen vaak van worden beschuldigd. Het betekent absoluut niet dat je jezelf passief overgeeft aan wat er gebeurt. Je accepteert de feiten zoals ze zijn, maar je geeft niet op. De stoïcijnse acceptatie of ‘apatheia’ is niets anders dan het erkennen dat sommige dingen nu eenmaal buiten je controle liggen. Als er iets vervelends gebeurt dat buiten je controle ligt kun je dat maar beter gewoon accepteren. En als je jezelf daarbij ook nog eens kunt aanleren om te willen dat de realiteit gewoon is zoals die is, dan kun je gelukkig worden. Epictetus wist zelf natuurlijk ook wel dat willen dat er gebeurt wat er gebeurt, hoe vervelend ook, iets heel moeilijks is. Het vergt een heel andere levenshouding. Stoïcisme is dan ook meer dan alleen een theoretische oefening het is een levenspraktijk die een totale verandering van je persoonlijkheid vergt.


vrijdag 15 februari 2019

Hoofdstuk 7 van het Handboekje van Epictetus


Tijdens een zeereis legt een schip soms ergens aan zodat je van boord kunt gaan om water in te nemen. Daarbij kun je ook wat schelpdieren en knollen oprapen, maar je moet niet te ver van het schip afdwalen en steeds in de gaten houden of de kapitein je niet roept. En als de kapitein je roept moet je meteen komen om te voorkomen dat je vastgebonden als een schaap aan boord wordt gegooid. In het leven is het net zo: het is prima als je in plaats van een schelp of een knol een vrouw en een kind krijgt; maar als de kapitein je roept moet je vrouw en kind achterlaten en zonder om te kijken meteen naar het schip terugkeren. Als je oud bent moet je in de buurt van het schip blijven, zodat je niet te laat komt als de kapitein je roept.

Nadat hij uit Rome verbannen was vestigde Epictetus zijn school in het Griekse Nicopolis. Zijn leerlingen bleven hem trouw en reisden hem massaal achterna. Omdat een groot deel van zijn leerlingen uit Rome afkomstig bleef, zullen zijn leerlingen een levendig beeld hebben gehad bij zijn vergelijking van het leven met een tussenstop tijdens een antieke zeereis. De korte tijd aan de wal staat symbool voor de korte duur van een mensenleven in vergelijking met de eeuwigheid voor je geboorte en de eeuwigheid na je dood. De kapitein moet de stoïcijnse god voorstellen, die bepaalt hoe lang je verblijf mag duren. Als je je verzet tegen zijn bevelen wordt je vastgebonden en als een schaap aan boord gegooid. Verzet heeft geen enkele zin je kunt het jezelf beter wat makkelijker maken en meewerken. Dan kun je ook beter genieten van de dingen die je tijdens je verblijf bij elkaar weet te scharrelen. Epictetus gebruikt, niet al te flatteus, weekdieren en knollen als symbool voor een vrouw en kinderen.

Hij wil zijn leerlingen hier wijzen op de tijdelijkheid van hun bestaan. Het heeft geen zin om je al te druk te maken over de dingen waar de meeste mensen zo fanatiek mee bezig zijn. Dingen als geld, roem en carrière zijn van ondergeschikt belang, het gaat om je karakter, om de manier waarop je in het leven staat. Dat maakt dat je uit het je gegeven leven ook echt kunt halen wat er in zit. Het is de stoïcijnse god die bepaalt hoe lang dat leven duurt en wat er zoal in dat leven gebeurt. De stoïcijnse god is trouwens iets heel anders dan onze man met een baard ergens in de wolken.

Bij het woord god hebben veel mensen een bepaalde associatie, die op de stoïcijnse god absoluut niet van toepassing is. De stoïcijnse god lijkt niet op een mens, zoals bij de traditionele Griekse goden. En ook lijkt de stoïcijnse god niet op de christelijke god. De christelijke god staat los van de wereld en oordeelt daarover. De stoïcijnse god bekommert zich niet om de dagelijkse beslommeringen van individuele mensen. De stoïcijnse god heeft de wereld niet geschapen en velt daarover geen oordeel: hij is die wereld. Religieuze stoïcijnen geloven in iets heel anders dan de traditionele monotheïstische man met een baard in de hemel. God is voor een stoïcijn niet meer en niet minder dan dat wat bestaat. De werkelijkheid, het universum, de kosmos, de natuur en de regelmatigheid waarmee alles lijkt te verlopen, kortom: gewoon alles wat er is.

De stoïcijnse god staat daarbij niet naast het universum als een soort richtingaanwijzer. De stoïcijnse godheid is dan ook door en door materieel. Hij is geen transcendente ziel of geest, maar iets werkelijks. Epictetus zag god niet als iets dat buiten het universum stond. Sterker nog hij leerde zelfs dat ook de mens zelf een deel van god was. Door zijn rationaliteit en zelfbewustzijn is de mens als onderdeel van het universum eigenlijk ook zelf een klein stukje van het goddelijke bewustzijn. In zekere zin was de reiziger van Epictetus dus zelf ook de kapitein.