Deze blog gaat over de illusies van ons brein, de grenzen van onze waarneming en de vraag wat werkelijk werkelijk is. Hebben wij, mensen, toegang tot de werkelijkheid? Ik weet het niet. Wat ik inmiddels wel weet, is dat mijn brein mij ongeveer vierentwintig uur per dag in de luren legt. En met de beste bedoelingen, laat daar geen twijfel over bestaan. Mijn brein is namelijk niet ontworpen om mij een volkomen waarheidsgetrouw beeld van de werkelijkheid te verschaffen. Het is het product van een evolutionair proces waarin overleven en voortplanten lange tijd belangrijker waren dan het ontdekken van de waarheid. Het moest mij helpen voedsel te vinden, gevaar te herkennen, bondgenoten te onderscheiden van vijanden en tijdig te reageren wanneer er iets dreigends gebeurde. Daarvoor hoefde het de wereld niet in al haar complexiteit te begrijpen. Het moest mij vooral een bruikbaar beeld voorschotelen waarmee ik de volgende dag kon halen.
Dat heeft uitstekend gewerkt. Anders zat ik hier niet een blog te schrijven. Er is echter een keerzijde. Wat ons vroeger hielp om te overleven, kan ons later in het leven behoorlijk in de weg zitten. De mechanismen die ons beschermen tegen gevaar, kunnen veranderen in bronnen van angst. Het vermogen om patronen te herkennen, kan omslaan in het zien van verbanden die helemaal niet bestaan. Onze behoefte aan zekerheid kan ons ertoe brengen vast te houden aan overtuigingen waarvoor nauwelijks bewijs bestaat. En het vermogen om onszelf te beschermen, kan ertoe leiden dat we onszelf voortdurend tekortdoen. Wat ooit een overlevingsmechanisme was, kan zo een zelfvernietigend mechanisme worden. Het probleem is dat we ons daar meestal niet van bewust zijn. We ervaren onze gedachten als gedachten over de werkelijkheid, niet als mogelijke constructies van een brein dat ons probeert te helpen. We vertrouwen op onze waarneming, onze herinneringen en onze intuïtie. Waarom zouden we ook niet? We hebben immers weinig anders om op terug te vallen. Maar wat als juist dat vertrouwen een deel van het probleem vormt?
Zonder dat we ons daarvan bewust zijn bestaat er een hele wereld die we helemaal niet kennen. Laten we beginnen bij onze zintuigen. Die geven ons slechts toegang tot een uiterst beperkt deel van de fysieke wereld. Onze ogen registreren maar een klein gedeelte van het elektromagnetische spectrum. Infraroodstraling en ultraviolet licht blijven voor ons grotendeels onzichtbaar. Andere dieren nemen delen van dat spectrum waar die voor ons verborgen blijven. Sommige slangen kunnen infraroodstraling waarnemen, terwijl bijen ultraviolet licht kunnen zien. Honden beschikken over een reukvermogen waarmee zij informatie kunnen onderscheiden die voor ons volkomen ontoegankelijk is. Ook ons gehoor heeft zijn grenzen. Wij horen slechts geluiden binnen een beperkt frequentiebereik. Andere dieren kunnen ultrasone of juist zeer laagfrequente geluiden waarnemen die wij niet rechtstreeks horen. En dan hebben we nog onze tastzin, smaak en reuk. Ook die leveren geen volledig beeld van de wereld op. Ze registreren slechts bepaalde eigenschappen van onze omgeving, binnen de grenzen van onze biologische uitrusting.
De werkelijkheid is dus aantoonbaar veel rijker dan wat onze zintuigen ons rechtstreeks laten ervaren. Daar komt nog iets bij. Onze zintuigen zijn geen neutrale meetinstrumenten die de wereld simpelweg kopiëren. Ze reageren op prikkels, zetten die om in zenuwsignalen en leveren informatie af bij een brein dat daar vervolgens iets mee moet doen. Wat wij uiteindelijk ervaren, is het resultaat van een ingewikkeld verwerkingsproces. We zien de wereld niet rechtstreeks zoals een camera een landschap fotografeert. Zelfs een camera registreert overigens maar een beperkt deel van de werkelijkheid, afhankelijk van zijn techniek en instellingen. Maar ons brein gaat nog een stap verder: het maakt van de beschikbare informatie een samenhangende, betekenisvolle ervaring. Daarbij ‘verzint’ het er van alles bij en laat het dingen weg om er een kloppend plaatje van te maken. En dat brengt ons bij een ongemakkelijke vraag. Als onze toegang tot de wereld zo beperkt is, hoe weten we dan dat de wereld eruitziet zoals wij denken dat zij eruitziet?
De werkelijkheid volgens uw brein is niet de werkelijkheid zoals die werkelijk is. Stel dat u naar een boom kijkt. U ervaart een boom met een bepaalde vorm, kleur en omvang. Misschien hoort u de bladeren ritselen en ruikt u de aarde na een regenbui. U hebt het gevoel dat u de boom rechtstreeks waarneemt. Maar wat gebeurt er eigenlijk? Licht dat door de boom wordt weerkaatst, bereikt uw ogen. Uw netvlies zet dat licht om in elektrische signalen, die via zenuwbanen naar uw hersenen worden geleid. Daar worden verschillende soorten informatie verwerkt en samengevoegd. Uw brein herkent vormen, onderscheidt kleuren, schat afstanden in en vergelijkt wat u waarneemt met eerder opgedane ervaringen. Het resultaat is uw bewuste ervaring van de boom. Dat klinkt misschien als een omslachtige manier om iets eenvoudigs te doen. Toch is het van groot belang. Want de boom zoals u die ervaart, is niet simpelweg een afbeelding die ergens in uw hoofd wordt afgeleverd. Uw ervaring ontstaat door de verwerking van informatie door uw zenuwstelsel. Uw brein vult ontbrekende informatie aan, legt verbanden, maakt voorspellingen en interpreteert wat er binnenkomt. Dat is niet per definitie een tekortkoming. Integendeel, zonder dergelijke processen zouden we ons moeilijk in een veranderlijke omgeving kunnen bewegen. Maar dezelfde processen kunnen ons ook misleiden. Een rechte stok die gedeeltelijk in water steekt, lijkt geknakt. Een stilstaand beeld kan beweging suggereren. In een donkere kamer kan een onschuldig geluid ons de indruk geven dat er iemand aanwezig is. En wanneer we bang zijn, kan een onduidelijke schaduw veranderen in iets wat we liever niet tegenkomen. Wat wij ervaren, wordt dus niet alleen bepaald door wat er buiten ons gebeurt. Ook onze verwachtingen, herinneringen, aandacht, emoties en eerdere ervaringen spelen een rol. De werkelijkheid die wij beleven, is daarmee niet hetzelfde als de werkelijkheid die buiten ons bestaat. Tenminste, dat kunnen we niet zonder meer aannemen.
Ons brein is dus een soort voorspellingsmachine. Een invloedrijke benadering binnen de hedendaagse neurowetenschap beschrijft het brein als een systeem dat voortdurend voorspellingen doet over de oorzaken van zijn zintuiglijke ervaringen. In plaats van uitsluitend passief informatie te ontvangen, probeert het brein steeds te bepalen wat er waarschijnlijk aan de hand is. Het vergelijkt zijn verwachtingen met de informatie die via de zintuigen binnenkomt en stelt die verwachtingen zo nodig bij. Dit idee staat bekend als ‘predictive processing', of voorspellende verwerking. Het is een belangrijk theoretisch kader binnen de neurowetenschap, al bestaat er nog discussie over de precieze reikwijdte ervan en over de manier waarop verschillende hersenprocessen moeten worden begrepen. Het uitgangspunt is niettemin verhelderend. Onze waarneming is geen eenvoudige registratie van de buitenwereld, maar een voortdurend samenspel tussen binnenkomende informatie en verwachtingen.
We denken misschien wel dat onze zintuigen informatie uit de buitenwereld doorgeven aan onze hersenen, waarna die hersenen een kloppend beeld van de wereld maken. Dat klopt dus niet, het hele proces is veel dynamischer. Uw hersenen beschikken al over verwachtingen op basis van eerdere ervaringen, herinneringen, aangeleerde patronen en de situatie waarin u zich bevindt. Die verwachtingen helpen bepalen hoe u de binnenkomende informatie uiteindelijk voorgeschoteld krijgt. Stel, bijvoorbeeld, dat u ‘s avonds door een donker bos loopt en plotseling een tak hoort kraken. Uw hersenen moeten razendsnel bepalen wat dat geluid betekent. Het zou de wind kunnen zijn, een ree, een andere wandelaar of een roofdier. U hebt niet genoeg informatie om dat meteen zeker te weten. Uw brein combineert onder andere:
Via uw zintuigen binnenkomende informatie; wat u hoort en ziet.
Eerdere ervaringen; wat u weet over vergelijkbare situaties.
Verwachtingen; wat u in deze situatie en op deze plek waarschijnlijk acht.
Het mogelijke risico; wat er voor u op het spel staat.
Dat verklaart waarom dezelfde situatie voor verschillende mensen iets heel anders kan betekenen. Uw brein moet snel een inschatting maken. Daarbij speelt niet alleen het geluid zelf een rol, maar ook wat u al weet, wat u verwacht en wat er op het spel staat. Als u denkt dat er gevaar dreigt, kan uw brein eerder een bedreigende verklaring naar voren schuiven dan wanneer u zich volkomen veilig voelt. Dat is begrijpelijk vanuit evolutionair perspectief. Wanneer een voorouder een roofdier ten onrechte voor een onschuldige schaduw aanzag, kon dat fataal aflopen. Wie een schaduw ten onrechte voor een sabeltandtijger aanzag, verloor misschien wat tijd en energie, maar overleefde waarschijnlijk wel. Een systeem dat onder bepaalde omstandigheden liever een vals alarm geeft dan een werkelijk gevaar mist, kan dus evolutionair voordeel opleveren. Het nadeel is dat dit systeem ons ook in de moderne wereld parten speelt. We kunnen gevaar verwachten waar weinig gevaar is, afwijzing vermoeden waar geen afwijzing bedoeld is en rampspoed voorspellen op basis van een handvol ongunstige aanwijzingen. De voorspellingen van onze hersenen voelen dan aan als waarnemingen. Onze vermoedens voelen aan als feiten. En onze angsten presenteren hun scenario's alsof ze al werkelijkheid zijn geworden. Dat is misschien wel een van de meest overtuigende trucs van ons brein: het laat ons vergeten dat we naar een interpretatie kijken.
Angst verdient bijzondere aandacht, omdat ze zo'n grote invloed kan hebben op de manier waarop we de wereld ervaren. Het is als het ware de bril waardoor we de wereld bekijken. Een bril die we onmogelijk kunnen afzetten. Angst is op zichzelf niet verkeerd. Ze waarschuwt ons voor mogelijke gevaren en bereidt ons voor om te handelen. Wie een naderende auto niet opmerkt, heeft weinig aan een filosofisch betoog over de onzekerheid van onze waarneming. Soms moeten we onmiddellijk reageren. Maar angst kan ook onze interpretatie van de werkelijkheid vervormen. Wie bang is om ziek te worden, kan iedere lichamelijke sensatie als een mogelijk symptoom ervaren. Wie bang is om afgewezen te worden, kan een neutrale gezichtsuitdrukking interpreteren als een teken van afkeer. Wie vreest zijn baan te verliezen, kan een kritisch gesprek met een leidinggevende beschouwen als het begin van het einde.
De angst zelf levert vervolgens weer nieuwe informatie aan het brein. We letten sterker op aanwijzingen die bij onze vrees passen en kunnen aanwijzingen die haar tegenspreken gemakkelijker over het hoofd zien. Zo ontstaat een zichzelf versterkend proces. We voelen ons bedreigd, interpreteren de situatie als bedreigend en ervaren die interpretatie vervolgens als bewijs dat onze angst terecht was. Dat betekent niet dat gevaar nooit echt is. Soms is het er wel degelijk. Het probleem is dat we onze gevoelens niet zonder meer als betrouwbare maatstaf voor de buitenwereld kunnen gebruiken. Een emotie vertelt ons iets over hoe wij een situatie beleven. Zij vertelt niet automatisch hoe de situatie werkelijk in elkaar zit. Dat onderscheid is essentieel. Het geeft ons de mogelijkheid om onze gevoelens serieus te nemen zonder iedere gedachte die ermee gepaard gaat voor waar aan te nemen. Misschien moeten we daarom niet alleen leren omgaan met onze emoties, maar ook leren onderzoeken welke aannames eraan ten grondslag liggen.
U zou zich zelfs kunnen gaan afvragen of er wel zoiets als een objectieve werkelijkheid bestaat. Onze taal kent het woord objectief. We spreken over objectieve feiten, objectieve waarnemingen en objectieve kennis. Daarmee bedoelen we doorgaans dat iets niet uitsluitend afhankelijk is van persoonlijke voorkeuren, gevoelens of standpunten. Maar hoe objectief kunnen wij eigenlijk zijn? Alles wat wij bewust ervaren, verschijnt binnen onze eigen ervaring. Zelfs wanneer we proberen onze persoonlijke voorkeuren uit te schakelen, gebruiken we daarvoor onze eigen hersenen, onze begrippen en onze manieren van redeneren. Dat lijkt een onvermijdelijke beperking. We kunnen onszelf niet eenvoudig buiten ons eigen bewustzijn plaatsen om van daaruit te controleren of onze waarneming overeenkomt met de werkelijkheid zoals die onafhankelijk van ons bestaat.
Toch zou het te gemakkelijk zijn om daaruit te concluderen dat objectiviteit onzin is. Er bestaat namelijk een belangrijk verschil tussen volmaakte, perspectiefloze toegang tot de werkelijkheid en het vermogen om onze persoonlijke vertekeningen te corrigeren. Wetenschap probeert dat laatste te doen. We ontwikkelen meetinstrumenten die buiten het bereik van onze zintuigen kunnen waarnemen. We vergelijken waarnemingen van verschillende onderzoekers, herhalen experimenten, formuleren toetsbare voorspellingen en proberen alternatieve verklaringen uit te sluiten. Een thermometer kan ons vertellen dat de temperatuur hoger is dan we dachten te voelen. Een telescoop onthult hemellichamen die we met het blote oog niet kunnen zien. Een experiment kan aantonen dat een overtuiging niet klopt, hoe vanzelfsprekend die ons ook voorkwam. Wetenschap heft onze beperkingen dus niet op, maar helpt ons ze te compenseren. Objectiviteit is in die zin misschien minder een eigenschap die een individu bezit dan een ideaal en een methode waarnaar we gezamenlijk kunnen streven. We bereiken niet noodzakelijk een volkomen onbevooroordeeld standpunt. We kunnen wel leren om onze oordelen minder afhankelijk te maken van onze individuele beperkingen. Dat is een bescheidener opvatting van objectiviteit dan we soms hanteren, maar ook een veel bruikbaardere.
Deze kwestie is allerminst nieuw. Filosofen als Spinoza, Immanuel Kant en Schopenhauer stelden zich in de achttiende eeuw al de vraag wat de grenzen van onze kennis zijn. Volgens Kant kennen wij de werkelijkheid niet zoals zij op zichzelf is. Volgens hem kennen we de wereld niet zoals zij onafhankelijk van onze manier van waarnemen en denken op zichzelf is. We kennen haar zoals zij aan ons verschijnt, binnen de voorwaarden die onze menselijke kenvermogens aan onze ervaring opleggen. Kant maakte daarbij onderscheid tussen de verschijning van dingen in ons brein en het ding op zichzelf. De werkelijkheid beschouwd onafhankelijk van de manier waarop wij haar kunnen ervaren. Dat betekent niet dat Kant dacht dat de wereld niet bestaat of dat we niets over haar kunnen weten. Hij meende juist dat we betrouwbare kennis kunnen verwerven van de wereld zoals die aan ons verschijnt. Maar we kunnen volgens hem niet zomaar aannemen dat onze kennis ons vertelt hoe de werkelijkheid los van onze menselijke kenvermogens precies is.
Dat idee sluit opvallend goed aan bij de moderne wetenschap van de waarneming. Ons brein levert geen ongefilterde toegang tot de wereld. Wat wij ervaren, is mede afhankelijk van de structuur van ons waarnemingsvermogen. Toch moeten we voorzichtig zijn met de vergelijking. Kant ontwikkelde een filosofische theorie over de voorwaarden van menselijke kennis; moderne neurowetenschappers onderzoeken concrete biologische processen. Het zijn geen identieke verklaringen. Bovendien volgt uit de beperkingen van onze waarneming niet automatisch dat we nooit iets kunnen weten over de werkelijkheid op zichzelf. Dat is een verdergaande filosofische conclusie waarvoor aanvullende argumenten nodig zijn. Maar Kant dwingt ons wel tot een ongemakkelijke bescheidenheid: misschien is de wereld zoals wij haar ervaren niet de wereld zoals zij onafhankelijk van ons is. En misschien kunnen we nooit volledig vaststellen hoe groot dat verschil is.
Betekent dit dat wij gevangenen van onze eigen geest zijn? Als onze ervaring van de wereld door ons brein wordt geconstrueerd, dreigt deze merkwaardige conclusie. Zijn we dan als gevangenen van onze eigen geest, opgesloten in een voorstelling van de werkelijkheid waaruit we nooit kunnen ontsnappen? Dat is een mogelijkheid die filosofisch serieus genomen moet worden, maar ze is niet de enige. We kunnen immers ook onderzoeken hoe onze voorstellingen zich verhouden tot de wereld. Als onze verwachtingen systematisch botsen met de gevolgen van onze handelingen, hebben we reden om ze bij te stellen. Als verschillende waarnemers onafhankelijk van elkaar dezelfde verschijnselen meten, versterkt dat bepaalde conclusies. En als een theorie voorspellingen oplevert die vervolgens uitkomen, geeft dat ons een reden om haar serieus te nemen.
We hebben geen volledig ongefilterde toegang tot de wereld nodig om onderscheid te kunnen maken tussen betere en slechtere verklaringen. Denk aan een landkaart. Geen enkele kaart bevat alles wat er in het landschap aanwezig is. Een goede kaart laat juist veel informatie weg, omdat die voor het beoogde gebruik niet relevant is. Toch kan ze ons uitstekend helpen onze weg te vinden. Ons brein doet iets vergelijkbaars. Het maakt een bruikbaar model van de omgeving. Dat model hoeft geen perfecte kopie van de werkelijkheid te zijn om ons in staat te stellen erin te functioneren. De moeilijkheid ontstaat wanneer we vergeten dat het een model is. We verwarren onze mentale kaart met het landschap zelf. We verwarren onze interpretatie met de gebeurtenis, onze verwachting met de toekomst en onze overtuiging met de waarheid. Misschien bestaat wijsheid er daarom voor een deel uit dat we leren leven met het besef dat onze kaart nooit het volledige landschap kan bevatten. De kaart van onze geest is nooit de werkelijkheid zelf. Het kan die werkelijkheid zelfs niet exact weergeven.
Het wordt pas echt interessant als we ons afvragen of we de werkelijkheid wel kunnen ervaren zonder haar te vervormen? Persoonlijk denk ik dat sommige mensen bij vlagen iets van de werkelijkheid ervaren wat hun gewone manier van denken en waarnemen overstijgt. De legendarische stoïcijnse wijze zou zo’n iemand moeten zijn. Misschien was ook Boeddha zo iemand. Misschien een monnik die tientallen jaren heeft gemediteerd. Misschien iemand die een bijna-doodervaring heeft meegemaakt. Maar wat ervaren deze mensen dan precies? Binnen boeddhistische tradities wordt meditatie soms beschreven als een manier om de automatische identificatie met gedachten, verlangens en emoties te doorzien. Door langdurige aandachtstraining kan iemand leren gedachten en gevoelens waar te nemen zonder er onmiddellijk in mee te gaan. Ook het stoïcisme kent een degelijke oefening in aandacht. De gebruikelijke scheidslijn tussen degene die waarneemt en datgene wat wordt waargenomen, kan daarbij anders worden ervaren. Ook in christelijke en andere mystieke tradities komen beschrijvingen voor van eenheid, verbondenheid en het tijdelijk wegvallen van de gewone ervaring van het zelf. Mensen spreken dan over een diepere werkelijkheid, een goddelijke aanwezigheid of een ervaring waarvoor de gewone taal tekortschiet.
Bijna-doodervaringen kunnen eveneens gepaard gaan met gevoelens van eenheid, helderheid, tijdloosheid of het ervaren van een werkelijkheid die echter lijkt dan het gewone leven. Dergelijke ervaringen zijn interessant, juist omdat ze laten zien dat onze gebruikelijke manier van bewustzijn niet de enige mogelijke menselijke ervaring is. Maar daarmee is nog niet bewezen dat deze mensen toegang krijgen tot de werkelijkheid zoals zij onafhankelijk van hun eigen geest bestaat. Een ervaring kan buitengewoon diepgaand en levensveranderend zijn zonder dat de interpretatie ervan noodzakelijkerwijs klopt. Het gevoel dat men iets onomstotelijk heeft ervaren, is niet hetzelfde als bewijs dat men de uiteindelijke aard van de werkelijkheid heeft ontdekt. Mystieke ervaringen zijn interessant, maar bewijzen niet vanzelf dat iemand de ultieme werkelijkheid heeft aanschouwd. Je kunt zo'n ervaring serieus nemen zonder de interpretatie ervan direct als waarheid te accepteren. Dat maakt ruimte voor zowel spirituele openheid als wetenschappelijke scepsis.
We moeten dus twee vragen uit elkaar houden. Ten eerste: kan iemand de werkelijkheid op een radicaal andere manier ervaren dan gebruikelijk? Daarvoor bestaan overtuigende aanwijzingen. Ten tweede: geeft zo'n ervaring ons betrouwbare kennis over de werkelijkheid zoals die op zichzelf is? Dat is een veel moeilijkere vraag. Misschien zijn bepaalde meditatieve, extatische of mystieke ervaringen inderdaad momenten waarop we minder gevangen zitten in onze gebruikelijke interpretaties. Misschien ervaren we dan vooral hoe ons bewustzijn normaal gesproken de wereld en het zelf organiseert. Of we daarmee dichter bij de werkelijkheid komen, weten we niet zonder meer. Toch zou het voorbarig zijn zulke ervaringen bij voorbaat af te doen als betekenisloze hersenverschijnselen. Dat een ervaring door hersenprocessen tot stand komt, betekent op zichzelf niet dat de inhoud ervan onwaar is. Ook onze gewone waarneming komt door hersenprocessen tot stand, zonder dat we daarom hoeven te concluderen dat er geen echte wereld buiten ons bestaat. De uitdaging is om open te blijven staan voor wat zulke ervaringen ons kunnen leren, zonder onmiddellijk te besluiten dat we daarmee het ultieme antwoord hebben gevonden.
Boeddhisme en stoïcisme zijn in dit verband bijzonder interessant, omdat ze de betrouwbaarheid van onze gewone geestestoestand niet zonder meer als vanzelfsprekend beschouwen. Onze ervaring wordt volgens deze filosofische tradities sterk beïnvloed door verlangens, afkeer, gehechtheid en onwetendheid. We nemen niet alleen waar, maar reageren voortdurend op wat we waarnemen. We willen bepaalde dingen behouden, andere vermijden en weer andere naar onze hand zetten. Daarbij construeren we een verhaal over onszelf en de wereld. We maken onderscheid tussen wat van ons is en wat niet van ons is, tussen wat we willen en wat we vrezen, tussen wat we als prettig ervaren en wat we als bedreigend beschouwen. Vervolgens raken we aan dat verhaal gehecht. Het gevolg is dat we niet alleen lijden door gebeurtenissen zelf, maar ook door onze interpretaties ervan. We verzetten ons tegen verandering, proberen onzekerheid uit te bannen en eisen van de werkelijkheid dat zij zich aan onze verwachtingen aanpast.
Meditatie kan helpen om deze processen zichtbaar te maken. We leren bijvoorbeeld dat een gedachte niet noodzakelijk een feit is, dat een emotie niet eeuwig duurt en dat het gevoel van een vaststaand, onveranderlijk zelf minder vanzelfsprekend is dan het lijkt. Dat kan onze verhouding tot de werkelijkheid ingrijpend veranderen. Maar ook hier is nuance nodig. Het boeddhisme bestaat uit uiteenlopende tradities, die verschillende opvattingen hebben over bewustzijn, leegte en bevrijding. Bovendien betekent het doorzien van onze mentale gewoonten niet automatisch dat we een verborgen, volkomen objectieve werkelijkheid aanschouwen. Misschien ligt de waarde van deze benadering juist ergens anders. Niet in de belofte dat we alle illusies kunnen laten verdwijnen, maar in het vermogen om minder onkritisch in onze eigen illusies te geloven.

Met AI gegenereerde afbeelding
U zult wel denken: wat heeft dit allemaal met stoïcisme te maken? Het stoïcisme is meer dan een zelfhulptool, het is een volwaardig filosofisch systeem dat zich ook met de aard van de werkelijkheid bezighoudt. Van alle filosofische tradities biedt het stoïcisme misschien wel de meest directe praktische methode om met de beperkingen van onze waarneming om te gaan. De klassieke stoïcijnen maakten onderscheid tussen een indruk (phantasia) en de instemming die we aan die indruk geven (synkatathesis). Een indruk doet zich aan ons voor; we beoordelen vervolgens, bewust of minder bewust, of we die voor waar aannemen. Epictetus bouwde een groot deel van zijn praktische filosofie rond dit onderscheid. Stel dat iemand u op straat niet groet. Er ontstaat een indruk: die persoon heeft mij genegeerd. Vervolgens kan de gedachte opkomen: hij mag mij niet, hij vindt mij onbelangrijk, of ik heb iets verkeerd gedaan. Maar wat is er feitelijk gebeurd? Iemand heeft u niet gegroet. Misschien heeft hij u niet gezien. Misschien was hij in gedachten verzonken. Misschien is er inderdaad sprake van onverschilligheid. De waarneming alleen beslist niet welke verklaring juist is. Het probleem ontstaat wanneer u één interpretatie onmiddellijk als werkelijkheid accepteert.
Dit past prima binnen de genoemde moderne wetenschappelijke inzichten. De stoïcijnen beschikten uiteraard niet over onze huidige kennis van hersenprocessen, cognitieve vertekeningen en voorspellende verwerking. Toch is hun onderscheid tussen indruk en instemming opvallend bruikbaar in het licht van die kennis. Waar de neurowetenschap onderzoekt hoe een waarneming tot stand komt, stelt de stoïcijn de vraag hoe we met die waarneming moeten omgaan. We kunnen dat als volgt formuleren:
Er doet zich een ervaring voor.
Ons brein geeft daar automatisch betekenis aan.
We onderzoeken welke gegevens die betekenis ondersteunen.
We stellen ons oordeel bij wanneer de gegevens daartoe aanleiding geven.
We handelen op grond van het best onderbouwde oordeel dat op dat moment beschikbaar is.
Die vijf stappen vormen geen letterlijke beschrijving van alle hersenprocessen. Ze zijn een praktische methode om minder kritiekloos op onze eerste interpretaties te vertrouwen. Er zit wel een belangrijke nuance aan vast. We kunnen niet iedere eerste reactie tegenhouden. Een plotselinge schrikreactie, een golf van verdriet of het gevoel dat er gevaar dreigt, kan ontstaan voordat we er bewust over nadenken. Ook de stoïcijn hoeft dat niet te ontkennen. Sterker nog, ze herkennen het bestaan van wat ze een ‘pre-emotie’ noemen, een reflex die voorafgaat aan het uiteindelijke oordeel. Het doel is dan ook niet dat we nooit meer bang worden, maar dat we leren onderzoeken wat onze angst ons vertelt en of onze conclusies gerechtvaardigd zijn.
Hier sluit de stoïcijnse benadering aan bij een belangrijk idee uit de moderne cognitieve psychologie: de betekenis die we aan een situatie toekennen, beïnvloedt mede hoe we ons voelen en handelen. Dat betekent niet dat iedere emotie volledig door een bewust oordeel wordt veroorzaakt. Emoties worden ook beïnvloed door lichamelijke processen, leren, automatische associaties en de omstandigheden waarin we ons bevinden. Maar het onderscheid tussen een gevoel en de interpretatie die ermee verbonden raakt, blijft bijzonder waardevol. Angst kan bijvoorbeeld een nuttig waarschuwingssignaal zijn. De gedachte dat een bepaalde situatie catastrofaal zal aflopen, is een afzonderlijke bewering die we kunnen toetsen. Een modern stoïcijn zou daarom niet vragen: Hoe zorg ik ervoor dat ik dit niet meer voel? Hij zou eerder vragen: Wat neem ik waar? Welke betekenis geef ik daaraan? Wat weet ik werkelijk? En welke reactie is, gegeven de onzekerheid, het meest verstandig? Dat is stoïcijnse zelfbeheersing zonder de onrealistische eis dat we onze menselijke natuur moeten uitschakelen.
Hier komt ook de stoïcijnse trichotomie van controle opnieuw om de hoek kijken. Ook de bekende stoïcijnse aandacht voor wat wel en niet in onze macht ligt, krijgt in deze context een interessante betekenis. We beheersen niet rechtstreeks de werkelijkheid buiten ons. We bepalen niet welke gebeurtenissen plaatsvinden, welke informatie onze zintuigen bereikt of welke eerste gevoelens (pre-emoties) bij ons opkomen. We hebben evenmin volledige controle over onze eigen gedachten. Wie ooit geprobeerd heeft om op commando niet aan een roze olifant te denken, weet hoe beperkt die controle kan zijn. Wat we wél kunnen ontwikkelen, is ons vermogen om onze overtuigingen te onderzoeken, onze aandacht te sturen, informatie te verzamelen en ons handelen bij te stellen. Zelfs dat vermogen is niet absoluut. Het hangt mede af van onze opvoeding, lichamelijke toestand, omgeving en eerdere ervaringen. Maar het is wel een vermogen dat we kunnen oefenen. De stoïcijnse vrijheid bestaat dan niet uit onafhankelijkheid van alle oorzaken. Ze bestaat uit een grotere bekwaamheid om binnen onze werkelijke mogelijkheden verstandig te reageren. De stoïcijnse opdracht is dus niet om de werkelijkheid naar onze hand te zetten, maar om onze oordelen zo goed mogelijk af te stemmen op de werkelijkheid waarmee we geconfronteerd worden.
Na al deze overwegingen zou u zich kunnen afvragen of er überhaupt nog iets overblijft waarop we kunnen vertrouwen. Als onze zintuigen beperkt zijn, ons brein informatie bewerkt, onze emoties onze oordelen beïnvloeden en onze gedachten soms onbetrouwbaar zijn, hoe kunnen we dan ooit iets met zekerheid weten? Misschien moeten we beginnen met een onderscheid tussen absolute zekerheid en redelijke betrouwbaarheid. Absolute zekerheid over de uiteindelijke aard van de werkelijkheid is buitengewoon moeilijk te bereiken. Maar daaruit volgt niet dat alle overtuigingen even goed of even slecht zijn. Dat water bij normale atmosferische druk rond de honderd graden Celsius kookt, kunnen we experimenteel onderzoeken. Dat een bepaalde behandeling werkt, kunnen we met zorgvuldig opgezet onderzoek toetsen. Dat onze herinneringen feilbaar zijn, kunnen we aantonen door mensen gebeurtenissen anders te laten herinneren dan ze werkelijk hebben plaatsgevonden.
Onze kennis is niet perfect, maar ze is ook niet willekeurig. We kunnen fouten ontdekken, theorieën verbeteren en onze overtuigingen aanpassen. Dat vermogen is misschien wel belangrijker dan het bezit van een onfeilbare methode. Daarbij helpt het om verschillende bronnen van kennis met elkaar te vergelijken. Zintuiglijke waarneming, logisch redeneren, wetenschappelijk onderzoek, introspectie en de ervaringen van anderen kunnen elkaar aanvullen, maar ook corrigeren. Geen van die bronnen is onfeilbaar. Introspectie vertelt ons bijvoorbeeld niet altijd waarom we iets willen of waarom we op een bepaalde manier reageren. Wetenschap kan veel verklaren over de werking van onze hersenen, maar beantwoordt niet automatisch iedere metafysische vraag over het bestaan. En logisch redeneren kan ons alleen tot betrouwbare conclusies brengen als we ook zorgvuldig omgaan met onze uitgangspunten. De kunst is daarom niet om één bron blind te vertrouwen, maar om te onderzoeken wat verschillende bronnen ons kunnen vertellen en waar hun grenzen liggen. Misschien is dat de meest verdedigbare vorm van intellectuele bescheidenheid: erkennen dat we feilbaar zijn, zonder daarom de zoektocht naar kennis op te geven.
Via allerlei omwegen zijn we nu terug bij de oorspronkelijke vraag: hebben wij, mensen, toegang tot de werkelijkheid? Mijn antwoord zou zijn: gedeeltelijk, onvermijdelijk vanuit een bepaald perspectief en zonder garantie dat we ooit het volledige antwoord zullen kennen. We hebben goede redenen om aan te nemen dat er een wereld bestaat die niet volledig afhankelijk is van onze persoonlijke overtuigingen. Die wereld stelt grenzen aan wat we kunnen denken en doen. Ze verrast ons, spreekt onze verwachtingen tegen en dwingt ons onze modellen bij te stellen.
Tegelijkertijd hebben we geen ongefilterde toegang tot die wereld. Onze waarnemingen worden gevormd door onze biologische mogelijkheden, onze hersenprocessen en de begrippen waarmee we de wereld proberen te begrijpen. Of er een manier bestaat om die menselijke beperkingen tijdelijk volledig achter ons te laten, weet ik niet. Misschien hebben Boeddha of sommige mystici momenten ervaren waarin de gebruikelijke grenzen van het zelf en de waarneming wegvielen. Misschien kunnen langdurige meditatie, extatische ervaringen of andere uitzonderlijke bewustzijnstoestanden ons iets laten zien wat we in het dagelijks leven missen. Maar of zulke ervaringen ons toegang verschaffen tot de werkelijkheid zoals zij op zichzelf is, blijft een open vraag. En misschien moeten we ook accepteren dat niet iedere vraag een definitief antwoord zal krijgen.
Dat betekent niet dat we moeten ophouden met zoeken. Integendeel. Het maakt die zoektocht alleen maar belangrijker. Want zodra we beseffen hoe gemakkelijk we onze eigen interpretaties verwarren met de werkelijkheid, ontstaat er ruimte voor twijfel, nieuwsgierigheid en verwondering. We kunnen onze overtuigingen minder krampachtig verdedigen, beter luisteren naar anderen en onszelf vaker afvragen waarom we eigenlijk denken wat we denken. Misschien begint wijsheid wel op het moment dat we niet langer automatisch geloven wat ons eigen brein ons vertelt. Niet omdat ons brein een vijand is. Het is immers het instrument waarmee we de wereld proberen te begrijpen. Maar juist daarom moeten we leren om de uitkomsten ervan kritisch te onderzoeken.
We zullen onze menselijke beperkingen waarschijnlijk nooit volledig kunnen ontstijgen. Misschien kunnen we wel steeds beter leren herkennen waar ze ons parten spelen. En daarmee kom ik bij een laatste gedachte. Misschien is de werkelijkheid niet iets wat we ooit volledig zullen bezitten in de vorm van een definitief antwoord. Misschien is zij eerder datgene waarnaar we blijven zoeken, terwijl we ons steeds opnieuw realiseren hoeveel we nog niet begrijpen. Dat klinkt misschien onbevredigend. Maar het is ook een uitnodiging. Om te onderzoeken. Om te twijfelen. Om te mediteren. Om wetenschap te bedrijven. Om onze angsten en overtuigingen onder de loep te nemen. En om ons te blijven verwonderen over het merkwaardige feit dat we überhaupt bestaan en ons kunnen afvragen wat bestaan betekent. Hebben wij toegang tot de werkelijkheid? Ik weet het niet. Maar ik vermoed dat we haar pas serieus beginnen te zoeken wanneer we beseffen dat onze eigen voorstelling ervan niet noodzakelijk de werkelijkheid zelf is. Misschien is dat geen definitief antwoord op de grootste vraag die de mensheid zich kan stellen. Misschien is het wel een goed begin.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten