zaterdag 17 oktober 2026

Ouder worden: Over de kunst om met de jaren wijzer en gelukkiger te worden

 Toen u jong was, had u waarschijnlijk grootse plannen met uw leven. U zou het helemaal gaan maken. U zou iets bijzonders bereiken, de wereld veranderen en laten zien wat u waard was. Misschien droomde u ervan een wereldberoemde popster of sportheld te worden, de nieuwe Einstein, een machtig leider of een steenrijke zakenman. Hoe dan ook, uw leven zou spannend, succesvol en avontuurlijk worden. Er lag een prachtige toekomst voor u open en u hoefde die alleen nog maar te veroveren. Het stoïcijnse streven naar zoiets ogenschijnlijk saais als virtuositeit, het ontwikkelen van wijsheid, moed, rechtvaardigheid en zelfbeheersing, paste misschien niet zo goed in dat plaatje. U wilde de wereld veroveren, niet uzelf leren beheersen. U wilde iets bereiken, niet leren tevreden te zijn met wat u al had. En waarom zou u ook genoegen nemen met minder? Als u maar hard genoeg uw best deed, zo was u immers altijd verteld, kon u vrijwel alles bereiken. Maar naarmate de jaren verstrijken, blijkt de werkelijkheid weerbarstiger dan de dromen van uw jeugd.


Volwassenheid leidt onvermijdelijk tot een ontnuchtering van uw jeugddromen. Het levenspad dat u hebt gekozen, blijkt een stuk moeilijker te zijn dan u had verwacht. Succes vereist niet alleen inspanning, maar is ook afhankelijk van omstandigheden waarop u nauwelijks invloed hebt. U kunt hard studeren en toch zakken voor een examen. U kunt uitstekend werk leveren en toch worden gepasseerd voor een promotie. U kunt over bijzondere muziektalenten beschikken en desondanks nooit doorbreken. Soms zit het tegen, soms hebt u pech en soms blijkt iemand anders eenvoudigweg beter te zijn.


Aanvankelijk probeert u die tegenvallers misschien te overwinnen door nog harder te werken. U verdubbelt uw inspanningen, besteedt meer tijd aan uw studie of carrière, bouwt een netwerk op en offert uw vrije tijd op aan uw ambities. U bent ervan overtuigd dat u uw doel uiteindelijk zult bereiken als u maar voldoende doorzettingsvermogen toont. Wanneer het gewenste resultaat uitblijft, ontstaat frustratie. Misschien wordt u boos op de wereld, op mensen die u dwarszitten of op uzelf. Misschien begint u zelfs aan uw eigen waarde te twijfelen. U hebt immers zo uw best gedaan. Waarom wordt u daar niet voor beloond? Een deel van het probleem ligt in de verwachtingen waarmee onze cultuur ons opzadelt. We krijgen vaak de indruk dat succes vooral een kwestie is van talent, inzet en de juiste instelling. Films, reclame en influencers houden ons voor dat wie iets werkelijk wil, het altijd zou kunnen bereiken. Tegenslagen zijn uitdagingen die u met voldoende wilskracht kunt overwinnen. Wie slaagt, heeft zijn succes verdiend; wie faalt, heeft kennelijk niet hard genoeg zijn best gedaan.


Dat is een aantrekkelijk verhaal, maar het is niet het hele verhaal. Inspanning vergroot vaak uw kansen op succes, maar biedt geen garantie. Gezondheid, afkomst, economische omstandigheden, talent, toevallige ontmoetingen en eenvoudigweg geluk spelen eveneens een rol. Bovendien zijn niet alle doelen voor iedereen bereikbaar, hoe hard iemand ook werkt. De keerzijde van de succesideologie is dat mensen die hun doelen niet bereiken gemakkelijk als verliezers worden beschouwd. Armoede, werkloosheid en andere tegenslagen worden dan afgedaan als hun eigen schuld. Daarmee vergeten we niet alleen hoeveel omstandigheden buiten onze macht liggen, maar ook dat een mens meer waard is dan zijn maatschappelijke prestaties. De stoïcijnen herinneren ons eraan dat we onderscheid moeten maken tussen onze inspanningen en de uitkomsten daarvan. We kunnen ons inzetten, leren, oefenen en verstandig handelen. We kunnen echter niet afdwingen dat de wereld ons daarvoor precies de beloning geeft waarop we hopen. Dat betekent niet dat we onze ambities moeten opgeven. Het betekent dat we moeten leren om onze ambities na te streven zonder ons levensgeluk volledig afhankelijk te maken van het resultaat.


Wanneer we de middelbare leeftijd bereiken, worden we vaak gedwongen de balans op te maken. Sommigen ontdekken dat hun jeugddromen grotendeels zijn mislukt. Ze zijn geen sportheld, popidool of succesvolle miljonair geworden. Hun leven is veel gewoner verlopen dan ze ooit hadden verwacht. De meesten hebben ondertussen wel degelijk iets opgebouwd. Ze hebben een baan, een inkomen, misschien een gezin en een comfortabel huis. Ze hebben verantwoordelijkheden gedragen, problemen opgelost en talloze alledaagse beslissingen genomen. Ze hebben liefgehad, gewerkt, voor anderen gezorgd en allerlei ervaringen opgedaan. Toch knaagt soms het gevoel dat er iets ontbreekt. Waar is het leven gebleven dat ze zich vroeger hadden voorgesteld? Waar is het avontuur? Waar is de opwinding? Waarom voelt het bereiken van een deel van hun doelen zoveel minder bevredigend dan ze hadden verwacht?


Zelfs mensen die hun ambities grotendeels hebben waargemaakt, kunnen met die vragen worden geconfronteerd. De succesvolle ondernemer ontdekt dat rijkdom niet automatisch rust en geluk brengt. De beroemde artiest merkt dat bewondering van anderen geen blijvend gevoel van eigenwaarde garandeert. Wie jarenlang naar een volgende promotie heeft toegewerkt, kan na het bereiken ervan tot de ontdekking komen dat het verwachte geluk alweer is verdwenen. We raken gewend aan wat we hebben bereikt. Wat vroeger een droom was, wordt de nieuwe vanzelfsprekendheid. Vervolgens richten we onze blik op een volgend doel. Psychologen spreken in dit verband van hedonische adaptatie: we passen ons vaak aan veranderingen in onze omstandigheden aan, waardoor de aanvankelijke blijdschap geleidelijk afneemt.


Het probleem is dus niet noodzakelijk dat ons leven is mislukt. Misschien hebben we alleen te veel verwacht van de dingen die we konden bereiken. Bij sommigen leidt deze ontevredenheid tot de beruchte midlifecrisis. Er moeten drastische veranderingen komen. Uw oude partner wordt ingeruild voor een jongere versie, u gooit uw leven en gaat emigreren of u begint een nieuwe carrière. De sportschool wordt vaker bezocht, de garderobe verjongd en de agenda gevuld met nieuwe avonturen. Soms zijn zulke veranderingen zinvol en bevrijdend. Het is nooit te laat om een verkeerde afslag te corrigeren of een lang gekoesterde wens alsnog te onderzoeken. Maar wanneer we vooral proberen de verloren jeugd terug te winnen, lopen we het risico opnieuw dezelfde fout te maken. We blijven ons geluk zoeken in omstandigheden die ons nooit de zekerheid kunnen bieden waarop we hopen. En terwijl we proberen een ander leven te beginnen, gaat het leven dat we werkelijk hebben gewoon verder.


Het is onvermijdelijk langzaam maar zeker verliest u de strijd tegen de tijd. Voor we het goed en wel beseffen, dienen de eerste ouderdomskwalen zich aan. We herstellen wat langzamer van lichamelijke inspanningen, krijgen hier en daar een pijntje en merken dat we niet meer alles kunnen wat vroeger vanzelfsprekend was. Soms worden onze ogen minder goed, neemt onze spierkracht af of krijgen we te maken met een ziekte die onze mogelijkheden beperkt. Voor sommigen is dat moeilijk te aanvaarden. Ze proberen de tijd terug te draaien met cosmetische ingrepen, allerlei verzorgingsproducten en een eindeloze reeks fitnessoefeningen. Er is op zichzelf niets mis mee om goed voor uw lichaam te zorgen, er verzorgd uit proberen te zien en zo lang mogelijk gezond proberen te blijven. Dat zijn heel begrijpelijke wensen. Het probleem ontstaat wanneer de strijd tegen het ouder worden een strijd tegen de werkelijkheid wordt. Wie koste wat kost jong wil blijven, zal uiteindelijk verliezen. Geen enkele crème, operatie of trainingsmethode kan de tijd stilzetten. We kunnen onze gezondheid beïnvloeden, maar we kunnen niet voorkomen dat ons lichaam aftakelt.


Ook onze kleding, vrijetijdsbesteding en interesses hoeven niet aan een bepaalde leeftijd gebonden te zijn. Een oudere die van moderne muziek houdt, graag sport of nieuwe avonturen zoekt, maakt zichzelf daarmee niet belachelijk. Het is niet nodig om ons naar een stereotiep beeld van de ouderdom te voegen. De eigenlijke vraag is dan ook niet hoe we zo lang mogelijk jong kunnen blijven, maar hoe we op iedere leeftijd zo goed mogelijk kunnen leven. Misschien ontdekken we uiteindelijk dat we een aanzienlijk deel van ons leven hebben besteed aan het najagen van een fata morgana: het idee dat we pas gelukkig zullen zijn wanneer we eindelijk de persoon zijn geworden die we ons vroeger hadden voorgesteld. Dat inzicht kan pijnlijk zijn. Maar het kan ook bevrijdend werken. Want zodra we ophouden onszelf voortdurend met een denkbeeldig ideaal te vergelijken, ontstaat er ruimte om het leven dat we daadwerkelijk hebben gekregen te waarderen.


Wie al op jonge leeftijd de stoïcijnse filosofie heeft ontdekt, heeft op dit punt een voorsprong. Niet omdat een stoïcijn immuun zou zijn voor teleurstellingen, ouderdomskwalen of onvervulde verlangens. Ook een stoïcijn kan spijt hebben, zich zorgen maken over zijn gezondheid of verdrietig zijn om gemiste kansen. De voorsprong zit ergens anders: hij heeft geleerd waarop hij zijn levensgeluk het beste kan baseren. De stoïcijn probeert niet in de eerste plaats beroemd, rijk, machtig of onaantastbaar te worden. Hij streeft naar ‘aretè’, een begrip dat zowel deugd als voortreffelijkheid betekent. In het modern stoïcisme kunnen we dat opvatten als virtuositeit: de kunst om zo goed mogelijk met het leven om te gaan.


Het gaat daarbij niet om een saai bestaan waarin alle verlangens worden onderdrukt en ieder avontuur wordt vermeden. Integendeel. Een stoïcijn kan ambitieus zijn, verliefd worden, genieten van seks en lekker eten, reizen, sporten, kunst verzamelen of zich inzetten voor een betere wereld. Het verschil is dat hij probeert deze zaken na te streven zonder zijn eigenwaarde en levensgeluk volledig afhankelijk te maken van het bezit ervan. Hij wil graag slagen, maar weet dat succes niet volledig in zijn macht ligt. Hij wil gezond blijven, maar weet dat ziekte hem kan treffen. Hij wil zijn geliefden zo lang mogelijk bij zich houden, maar weet dat hij hun sterfelijkheid niet kan opheffen.

Wat wel binnen zijn invloed ligt, is de manier waarop hij met zulke omstandigheden omgaat: de oordelen die hij vormt, de keuzes die hij maakt en de houding waarmee hij zijn verantwoordelijkheden tegemoet treedt. Dat betekent ook dat hij zijn leven niet uitsluitend beoordeelt aan de hand van wat hij heeft bereikt. Hij kan terugkijken op een loopbaan die heel anders is verlopen dan gehoopt en toch tevreden zijn wanneer hij weet dat hij zijn werk eerlijk heeft gedaan, anderen behoorlijk heeft behandeld en zijn mogelijkheden zo goed mogelijk heeft benut. Een stoïcijn hoeft dus niet te denken dat zijn leven mislukt is omdat zijn dromen niet zijn uitgekomen. Misschien heeft hij niet bereikt wat hij als jongere wilde bereiken, maar is hij ondertussen wel wijzer, rechtvaardiger, moediger en milder geworden. Als stoïcijn is hij dan een echte levenskunstenaar geworden. En is dat uiteindelijk niet minstens zo waardevol?


De ouderdom brengt onmiskenbaar verliezen met zich mee. Toch is het niet alleen een periode van achteruitgang. Er kunnen ook voordelen ontstaan die we als jongere moeilijk konden voorzien. Veel mensen worden met de jaren milder. De behoefte om zichzelf voortdurend te bewijzen neemt af. Carrière, geld, uiterlijk vertoon en onderlinge wedijver verliezen soms een deel van hun aantrekkingskracht. Wat vroeger dringend leek, blijkt achteraf niet altijd zo belangrijk. Men leert onderscheid te maken tussen wat werkelijk aandacht verdient en wat vooral veel drukte veroorzaakt. Natuurlijk geldt dit niet voor iedereen. Sommige mensen worden juist verbitterder, angstiger of star in hun opvattingen. Ouder worden maakt ons niet automatisch wijs. Ervaring kan ons inzicht geven, maar kan ook onze vooroordelen versterken. Wijsheid vraagt dat we bereid blijven om van die ervaring te leren. Toch biedt de ouderdom een bijzondere gelegenheid om onze prioriteiten opnieuw te bekijken. We hoeven niet meer overal aan mee te doen. We hoeven niet voortdurend indruk te maken. We kunnen gemakkelijker erkennen dat we iets niet weten en hoeven minder vaak onze gelijk te bewijzen.


Ook kan onze verhouding tot verlangens veranderen. Misschien hebben we minder behoefte aan steeds meer bezit, steeds nieuwe prikkels of de goedkeuring van anderen. We ontdekken dat een wandeling, een goed gesprek, een boek of een rustige middag in de tuin meer voldoening kan geven dan een nieuwe prestatie. De druk gaat er een beetje af. En juist daardoor kan er ruimte ontstaan voor filosofie. Voor een stoïcijn is dat een mooie ontwikkeling. Zelfbeheersing betekent immers niet dat we onszelf voortdurend met geweld in het gareel moeten houden. Het betekent dat we leren onze verlangens verstandiger te beoordelen. Wanneer we minder afhankelijk worden van zaken die ons onrustig maken, wordt het gemakkelijker om onze aandacht te richten op wat werkelijk van belang is. De ouderdom kan zo een periode worden waarin de stoïcijnse praktijk niet langer uitsluitend een bewuste oefening is, maar steeds meer een vertrouwde manier van leven.



Door AI gegenereerde afbeelding


Seneca merkte al in de oudheid op dat zijn lichaam achteruitging, terwijl zijn geest hem juist steeds meer voldoening leek te geven. In zijn Brieven aan Lucilius schrijft hij:


“Ik ben blij dat ik merk dat mijn geest niet oud wordt, terwijl mijn lichaam wel degelijk achteruitgaat. Alleen de instrumenten van mijn lichaam zijn oud en gebrekkig geworden. Mijn geest is nog vol leven en verheugt zich erop dat hij minder met het lichaam te maken heeft, dat scheelt hem een hoop gedoe. Hij is vrolijk en vertelt mij, gek genoeg, dat dit zijn bloeitijd is. Laten we hem maar geloven: hij mag ervan genieten.” (Seneca, Brieven aan Lucilius, 26.2)


Seneca formuleert hier een hoopvolle gedachte. Lichamelijke achteruitgang hoeft niet te betekenen dat ons innerlijke leven eveneens achteruitgaat. Uiteraard moeten we voorzichtig zijn met de gedachte dat de geest altijd jong blijft. Ook het geheugen, de concentratie en andere cognitieve functies kunnen met het ouder worden verslechteren. Sommige mensen krijgen te maken met ernstige cognitieve achteruitgang. Dat is een werkelijkheid die we niet met een filosofische uitspraak ongedaan kunnen maken.


Maar ouder worden heeft niet uitsluitend nadelen. Mensen kunnen beschikken over een grotere kennisvoorraad, meer levenservaring en een beter vermogen om gebeurtenissen in een ruimer perspectief te plaatsen. We hebben situaties meegemaakt die we vroeger niet konden overzien en weten soms beter welke problemen vanzelf weer verdwijnen en welke werkelijk onze aandacht verdienen. Bovendien blijft leren op oudere leeftijd mogelijk. Het kan wat meer tijd kosten om nieuwe vaardigheden onder de knie te krijgen, maar oefening, nieuwsgierigheid en betrokkenheid blijven waardevol. We kunnen nieuwe onderwerpen bestuderen, een instrument leren bespelen, ons verdiepen in filosofie of onze overtuigingen herzien. Ook de hersenen behouden gedurende het leven een zekere plasticiteit: ze kunnen zich aanpassen en verbindingen veranderen. Dat betekent niet dat alle functies onveranderd blijven of dat nieuwe hersencellen overal in het volwassen brein in dezelfde mate worden aangemaakt. Het betekent wel dat ouderdom niet gelijkstaat aan een definitief einde van ontwikkeling. 


Een stoïcijn kan deze levensfase daarom zien als een nieuwe oefening in virtuositeit. Misschien kan hij minder hard lopen, minder lang werken of minder gemakkelijk onthouden. Maar hij kan nog steeds oefenen in geduld, wijsheid, moed en rechtvaardigheid. Hij kan leren beter te luisteren, minder snel te oordelen en anderen met meer begrip tegemoet te treden. Zolang we in staat zijn om bewust te kiezen hoe we met onze omstandigheden omgaan, blijft er ruimte voor morele en persoonlijke ontwikkeling. En zelfs wanneer ziekte of cognitieve achteruitgang die mogelijkheden ernstig beperkt, wordt iemands menselijke waardigheid daardoor niet minder.


Er is echter één aspect van de ouderdom dat zich steeds nadrukkelijker aandient: het besef dat ons leven eindig is. Als jongere beschouwen we de dood vaak als iets abstracts. Natuurlijk weten we dat mensen sterven, maar het lijkt nog ver weg. De dood hoort bij oude mensen, bij onze grootouders en bij mensen over wie we in de krant lezen. Ons eigen leven lijkt zich eindeloos voor ons uit te strekken. Naarmate we ouder worden, verandert dat perspectief. We verliezen misschien onze ouders, vrienden of leeftijdgenoten. We merken dat onze eigen gezondheid kwetsbaarder wordt. De toekomst, die vroeger vrijwel onbeperkt leek, heeft ineens duidelijke grenzen. Dat besef kan beangstigend zijn. Sommige mensen proberen het zo veel mogelijk te verdringen. Anderen raken verdrietig wanneer ze denken aan alles wat ze nog hadden willen doen. Weer anderen proberen hun angst te bezweren door zich zo lang mogelijk jong te gedragen.


De stoïcijnen kiezen een andere benadering. Ze proberen de dood niet te ontkennen, maar haar een plaats te geven in hun denken over het leven. De Latijnse uitdrukking ‘memento mori' betekent: gedenk dat u zult sterven. Het is geen oproep om voortdurend somber over de dood te piekeren. Het is een herinnering dat onze tijd beperkt is en daarom niet gedachteloos verspild moet worden. Het is leven met de dood in gedachten. Die gedachte aan de dood kan fungeren als een vorm van negatieve visualisatie: we stellen ons voor dat iets wat we vanzelfsprekend vinden, er op een dag niet meer zal zijn. Niet om onszelf ongelukkig te maken, maar om opnieuw te ontdekken wat die ervaring voor ons betekent. Denk bijvoorbeeld aan een wandeling door het bos. Als u jong bent, is zo'n wandeling misschien gewoon een van de vele dingen die u op een dag doet. Maar wanneer u zich realiseert dat u niet oneindig veel wandelingen meer voor de boeg hebt, kan diezelfde wandeling een andere betekenis krijgen. U merkt de bomen op, voelt de wind op uw gezicht en geniet van het gezelschap van degene met wie u loopt. Hetzelfde geldt voor een gesprek met een geliefde, een maaltijd aan tafel of een rustige ochtend met een boek. Niets bijzonders hoeft er te gebeuren om het moment waardevol te maken. Het besef dat zulke momenten niet vanzelfsprekend zijn, kan onze aandacht ervoor verdiepen. Dat betekent niet dat we ieder moment krampachtig moeten proberen te beleven alsof het onze laatste kans is. Ook dat zou een vorm van onrust zijn. We hoeven niet voortdurend te denken aan wat we verliezen. Het is voldoende om af en toe stil te staan bij de eindigheid van ons bestaan en ons daardoor te laten herinneren aan wat werkelijk belangrijk is. Voor de stoïcijn is de dood geen reden om het leven op te geven, maar juist een reden om het niet uit te stellen.


Het stoïcisme biedt geen garantie op een gezonde, zorgeloze of gelukkige oude dag. Filosofie beschermt ons niet tegen kanker, eenzaamheid, verlies of lichamelijke beperkingen. Ook een stoïcijn kan bang zijn voor de dood, rouwen om een overleden partner of worstelen met de afhankelijkheid die ziekte met zich meebrengt. De waarde van het stoïcisme ligt niet in de belofte dat zulke ervaringen ons bespaard blijven. De waarde ligt in de manier waarop het ons leert ermee om te gaan. Wie jarenlang heeft geoefend in het onderscheiden van wat wel en niet binnen zijn invloed ligt, kan gemakkelijker erkennen dat het lichaam niet onbeperkt gehoorzaamt. Wie heeft geleerd dat geluk niet uitsluitend afhankelijk is van bezit, prestaties en aanzien, hoeft niet iedere lichamelijke beperking als een persoonlijke nederlaag te ervaren. En wie heeft geoefend in rechtvaardigheid en medemenselijkheid, kan zijn aandacht blijven richten op anderen, ook wanneer zijn eigen mogelijkheden kleiner worden. Dat laatste is belangrijk. De stoïcijnse ouderdom is geen terugtrekking in een wereld waarin alleen de eigen gemoedsrust telt. We blijven deel uitmaken van een gemeenschap. Misschien kunnen we niet meer zoveel doen als vroeger, maar we kunnen nog steeds luisteren, raad geven wanneer daarom wordt gevraagd, aandacht schenken en bijdragen aan het welzijn van anderen. Soms is het zelfs juist de ouderdom die ons leert hoeveel waarde zulke ogenschijnlijk kleine handelingen hebben.


Ook hoeven we niet te doen alsof alle verlies eenvoudig te accepteren is. Aanvaarding betekent niet dat we pijn prettig moeten vinden, ziekte moeten toejuichen of nooit meer iets mogen proberen te veranderen. We mogen behandelingen zoeken, onze conditie onderhouden, hulp vragen en protesteren tegen onrecht. Het gaat erom dat we ons inspannen waar dat zinvol is, zonder te eisen dat de werkelijkheid zich altijd aan onze wensen aanpast. Daarmee komen we terug bij het onderscheid tussen onze inspanningen en hun uitkomsten. We kunnen proberen zo lang mogelijk gezond te blijven, maar niet afdwingen dat we gezond blijven. We kunnen onze relaties koesteren, maar niet voorkomen dat we ooit afscheid moeten nemen. We kunnen verstandig met onze tijd omgaan, maar niet weten hoeveel tijd ons nog rest. Wat we wel kunnen doen, is de tijd die we hebben zo goed mogelijk gebruiken. Misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste les die de ouderdom ons kan leren. Het leven hoeft niet te worden beoordeeld aan de hand van een denkbeeldig ideaal dat we ooit hebben bedacht. We hoeven niet alsnog de beroemdste, rijkste, aantrekkelijkste of succesvolste versie van onszelf te worden. We mogen leren waarderen wat er werkelijk is, zonder onze ambities, nieuwsgierigheid of betrokkenheid bij de wereld op te geven.


De ouderdom is niet uitsluitend de laatste fase waarin alles langzaam minder wordt. Ze kan ook een tijd zijn waarin we beter begrijpen wat de moeite waard is. We hebben minder toekomst om ons achter te verschuilen en meer verleden om van te leren. We weten dat niet alles mogelijk is, maar misschien begrijpen we daardoor ook beter wat we werkelijk willen. Seneca zag de gevorderde leeftijd als een levensfase waarin bepaalde verlangens hun greep op ons verliezen en we daardoor meer rust kunnen ervaren. Dat is geen vanzelfsprekend resultaat van het ouder worden, maar wel een mogelijkheid die we kunnen benutten. Uiteindelijk gaat het niet om de vraag hoe lang we jong kunnen blijven, maar om de vraag hoe goed we kunnen leven zolang we er zijn. Misschien is ouder worden wel een van de grootste uitdagingen van het stoïcisme: leren aanvaarden dat we niet alles kunnen behouden, zonder daardoor de belangstelling voor het leven te verliezen. En wie daarin slaagt, hoeft niet verbitterd terug te kijken op een leven dat anders is verlopen dan verwacht. Hij kan terugkijken met dankbaarheid voor wat er was, berusting in wat niet anders kon en nieuwsgierigheid naar wat er nog komt. Niet omdat alles goed is gegaan, maar omdat hij heeft geleerd ook met het onvolmaakte leven goed om te gaan.




zaterdag 10 oktober 2026

Stoïcisme, armoede, ziektes en handicaps

We eindigden de vorige blog met de slogan: Begin te leven. Dat klinkt mooi en zelfs een beetje stoer, maar voor veel mensen is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan. Soms lijkt het leven zelf al een hele opgave. Zoals u eerder hebt gelezen, wil het stoïcisme u vooral helpen om een virtuoos leven te leiden: een leven waarin u uw mogelijkheden zo volledig mogelijk probeert te ontplooien en waarin u met wijsheid, moed, rechtvaardigheid en zelfbeheersing handelt. Maar wat als die mogelijkheden ernstig zijn ingeperkt? Wat als het leven u niet met een paar kleine hindernissen confronteert, maar met problemen die uw hele bestaan overhoop halen?

Denk aan iemand die na een ernstig ongeluk voorgoed aan een rolstoel gebonden is. Iemand die een levensbedreigende aandoening heeft gekregen. Iemand die door een zware depressie nauwelijks nog uit bed kan komen. Iemand met een ernstige sociale fobie die vrijwel ieder contact met andere mensen als een enorme opgave ervaart. Of iemand die door een faillissement, een scheiding en andere tegenslagen dakloos is geworden. Heeft het stoïcisme ook voor deze mensen iets te zeggen? Wat heeft een filosofie van zelfbeheersing en persoonlijke ontwikkeling iemand te bieden wanneer alleen het dagelijks overeind blijven al een enorme prestatie is?


Het antwoord is: ja, het stoïcisme heeft ook daar een antwoord op, maar het is zeker geen wondermiddel. Het stoïcisme beweert niet dat een juiste manier van denken een dwarslaesie kan genezen, een terminale ziekte kan laten verdwijnen of armoede kan opheffen. Evenmin beweert het dat iemand die depressief is zich eenvoudigweg anders moet gaan gedragen. Zulke ideeën zouden niet alleen naïef zijn, ze zouden ook onrecht doen aan mensen die met werkelijk ernstige beperkingen leven. Het stoïcisme biedt iets anders. Het probeert ons te helpen onderscheid te maken tussen wat ons overkomt en wat wij daarmee doen. Ook wanneer onze mogelijkheden zeer klein zijn geworden, blijft er vaak nog een bepaalde ruimte over waarin wij kunnen kiezen, beoordelen, reageren en handelen. Soms is die ruimte groot. Soms is ze heel klein. Maar zolang er nog enige ruimte is, kan daar de beoefening van virtuositeit plaatsvinden. Epictetus schrijft in zijn Handboekje:


Als je dat echt wilt vormt ziekte alleen een belemmering voor je lichaam en niet voor je karakter. Zo is kreupelheid een belemmering voor je been, maar niet voor je karakter. Dit moet je bij alles wat je overkomt tegen jezelf zeggen. Dan zal je er echt van doordrongen raken dat alles wat je overkomt een belemmering is van iets anders, maar niet van jou. (Epictetus, Handboekje, hoofdstuk 9)


Op het eerste gezicht lijkt Epictetus hier een streng onderscheid te maken tussen lichaam en geest. Alsof het lichaam er eigenlijk niet toe doet en alleen het karakter werkelijk belangrijk is. Dat zou echter een te eenvoudige interpretatie zijn. Epictetus ontkent niet dat ziekte, pijn en lichamelijke beperkingen werkelijk bestaan. Hij zegt dat ze bepaalde mogelijkheden kunnen belemmeren maar dat dat niet betekent dat ze daarmee ieder menselijk vermogen wegnemen. Een gebroken been verhindert u misschien tijdelijk om te lopen. Een dwarslaesie kan u voorgoed verhinderen om uw benen te gebruiken. Een ernstige ziekte kan uw energie vrijwel volledig opslokken. Een depressie kan uw vermogen om plezier te ervaren of initiatief te nemen sterk verminderen. Armoede kan uw keuzemogelijkheden drastisch beperken. Maar daaruit volgt niet automatisch dat alle mogelijkheden verdwijnen. Een mens kan nog steeds proberen rechtvaardig te handelen. Hij kan proberen eerlijk te zijn. Hij kan anderen met respect behandelen. Hij kan proberen zijn situatie zo verstandig mogelijk te beoordelen. Hij kan dankbaarheid ervaren voor kleine dingen. Hij kan besluiten hulp te accepteren. Hij kan weigeren zichzelf nodeloos te vernederen. Soms is het al voldoende om alleen te besluiten om de volgende dag te halen. Ook dát zijn menselijke prestaties.


U mag de lat best wat lager leggen. Hier ligt een belangrijk verschil tussen stoïcisme en een oppervlakkige vorm van positief denken. Positief denken zegt gemakkelijk: U kunt alles bereiken als u uw best maar doet en er in gelooft. Het stoïcisme zegt iets veel bescheidener: onderzoek wat er werkelijk binnen uw mogelijkheden ligt en handel daar zo goed mogelijk naar. Voor de ene persoon betekent virtuositeit misschien het schrijven van een boek, het opvoeden van kinderen of het verrichten van verantwoord werk. Voor iemand anders betekent het misschien dat hij iedere ochtend toch weer uit bed komt, zijn medicijnen inneemt en probeert vriendelijk te blijven tegen de verpleegkundige die hem helpt. Dat maakt de tweede persoon niet minder waard. Virtuositeit moet niet worden afgemeten aan de omvang van de prestaties, maar aan de kwaliteit van de keuzes die iemand maakt gegeven zijn omstandigheden. Een marathonloper die een wedstrijd wint, heeft iets bijzonders gepresteerd. Maar iemand die ondanks ernstige pijn toch de moed verzamelt om uit bed te komen en een moeilijke dag tegemoet te treden, kan minstens zoveel moed tonen. De omstandigheden bepalen dus mede wat u kunt doen. Ze bepalen echter niet automatisch hoe u zich tot die omstandigheden verhoudt.


Dit brengt ons bij een van de bekendste stoïcijnse inzichten: het onderscheid tussen wat wel en niet in onze macht ligt. Dat onderscheid krijgt een andere betekenis wanneer iemand ernstig ziek, gehandicapt of arm is. Iemand die gezond is kan gemakkelijk denken dat hij vrijwel onbeperkte mogelijkheden heeft. Pas wanneer gezondheid, geld, mobiliteit of sociale contacten wegvallen, wordt duidelijk hoeveel van ons dagelijks functioneren afhankelijk is van omstandigheden waarover wij zelf weinig te zeggen hebben. Daarom moet de stoïcijnse vraag niet zijn: "Hoe krijg ik mijn oude leven terug?" Soms kan dat eenvoudigweg niet. De betere vraag is: "Wat kan ik gegeven mijn huidige omstandigheden nog doen?" Dat is een veel moeilijkere, maar ook veel vruchtbaardere vraag. Een rolstoelgebruiker kan misschien niet meer lopen, maar wel studeren, schrijven, vriendschappen onderhouden, reizen, liefhebben, muziek maken, politiek actief zijn of anderen helpen. Iemand met een chronische ziekte kan misschien geen volledige baan meer hebben, maar kan misschien nog enkele uren per week werken, een hobby beoefenen of betekenisvol contact met anderen onderhouden. Iemand die dakloos is geworden heeft misschien nauwelijks materiële vrijheid, maar kan nog steeds proberen eerlijk, waardig en verstandig te handelen. En soms is zelfs dit te veel. Dan wordt de horizon nog kleiner. “Wat kan ik vandaag?" En soms zelfs: “Wat kan ik dit uur?" Ook dat is stoïcisme.


Een stoïcijn past de slachtofferrol niet. Hij kan altijd handelen. Hoe miniem zijn mogelijkheden ook zijn. Een ernstige tegenslag kan gemakkelijk leiden tot een gevoel van machteloosheid. Dat is begrijpelijk. Wie jarenlang afhankelijk is van anderen, kan het gevoel krijgen dat zijn eigen leven hem is afgepakt. Het stoïcisme probeert daar iets tegenover te stellen: niet de ontkenning van de machteloosheid, maar het zoeken naar de kleinste nog resterende ruimte voor handelen. Daarbij is het belangrijk om het woord "slachtoffer" zorgvuldig te gebruiken. Iemand die door een ongeluk verlamd is geraakt, door oorlog zijn huis heeft verloren of door een ziekte arbeidsongeschikt is geworden, is iets ernstigs overkomen. Het zou onzinnig zijn om te beweren dat hij daar zelf verantwoordelijk voor is. Wat het stoïcisme probeert te voorkomen, is dat u uw hele identiteit laat samenvallen met wat u is overkomen. U bent niet uitsluitend de patiënt, de gehandicapte, de arme, de werkloze of het slachtoffer van een ongeluk. Dat zijn beschrijvingen van uw omstandigheden. Ze beschrijven niet uw volledige mens-zijn. Dat onderscheid is belangrijk.


Er zit echter een gevaar aan deze gedachte. Wie voortdurend hoort dat hij zich op zijn mogelijkheden moet richten, kan het gevoel krijgen dat hij zijn beperkingen moet ontkennen. Dat is niet wat het stoïcisme van u verlangt. Een goede stoïcijn neemt zijn beperkingen juist zeer serieus. Wie niet kan lopen, moet niet doen alsof hij morgen een marathon kan lopen. Wie door een ernstige ziekte uitgeput raakt, moet rekening houden met zijn beperkte energie. Wie depressief is, moet niet worden toegesproken alsof hij simpelweg wat positiever moet denken. Wie arm is, kan niet doen alsof geld geen enkele praktische betekenis heeft.


Het stoïcisme vraagt niet om ontkenning van feiten. Integendeel: de stoïcijnse houding begint met het zo helder mogelijk zien van de werkelijkheid zoals die is. Pas daarna kan de vraag worden gesteld: Wat kan ik hiermee doen? Dat vraagt soms om medische hulp, psychologische behandeling, hulpmiddelen, financiële ondersteuning, sociale voorzieningen of de hulp van andere mensen. Zelfredzaamheid is geen stoïcijnse plicht. Mensen zijn sociale wezens en hulp ontvangen kan juist een verstandige en moedige keuze zijn. Een mens die zijn afhankelijkheid accepteert en verstandig gebruik maakt van beschikbare hulp, is niet minder stoïcijns dan iemand die alles zelfstandig doet.


Verander niet de feiten, maar uw verhouding tot die feiten. De stoïcijnen worden soms verkeerd begrepen, alsof zij beweren dat wij door onze gedachten de werkelijkheid kunnen veranderen. Dat kunnen we natuurlijk niet. Als u een dwarslaesie hebt, maakt een andere gedachte uw benen niet gezond. Als u kanker hebt, geneest een positieve instelling de ziekte niet. Als u uw huis hebt verloren, verandert een andere interpretatie dat feit niet. Wat wel kan veranderen, is uw verhouding tot het feit. U kunt bijvoorbeeld van: “Mijn leven is voorbij." gaan naar: “Mijn oude leven is voorbij. Wat kan ik van mijn huidige leven maken?” Of zelfs: “Wat kan ik van het stukje leven dat mij rest maken?”


Dat zijn twee heel verschillende gedachten. De eerste sluit mogelijkheden af. De tweede opent ze, zonder de werkelijkheid te ontkennen.

Hetzelfde geldt voor pijn. Wie pijn heeft, kan de pijn niet simpelweg wegdenken. Maar pijn bestaat uit meer dan alleen lichamelijke prikkeling. Onze aandacht, verwachtingen, angst en interpretaties beïnvloeden mede hoe wij pijn ervaren. Dat betekent niet dat iemand zijn pijn met voldoende wilskracht kan uitschakelen. Het betekent alleen dat er soms naast de lichamelijke pijn nog een tweede laag van lijden bestaat waarop enige invloed mogelijk is. Daarom kan de stoïcijnse vraag zijn: “Welke pijn moet ik verdragen en welk extra lijden voeg ik daar zelf aan toe?" Het eerste moet misschien worden geaccepteerd. Het tweede kan soms worden verminderd.


De stoïcijnen gebruikten voorbeelden en rolmodellen om hun leerlingen te helpen bij dergelijke situaties. Zij verwezen bijvoorbeeld naar Socrates en Heracles, figuren die in de stoïcijnse traditie symbool kunnen staan voor moed, zelfbeheersing en volharding. Het idee achter zo'n voorbeeld is eenvoudig. Wanneer u zich afvraagt hoe u met een moeilijke situatie moet omgaan, kan het helpen om uzelf af te vragen: “Hoe zou een wijs en moedig mens hiermee omgaan?" In modernere vorm kunnen dat ook mensen uit onze eigen tijd zijn. Iemand die ondanks een ernstige handicap een betekenisvol leven heeft opgebouwd. Iemand die na een faillissement opnieuw is begonnen. Iemand die met een chronische ziekte heeft leren leven. Iemand die na een traumatische ervaring anderen is gaan helpen.

Het doel is niet om uzelf met deze mensen te vergelijken. Dat kan zelfs averechts werken. Uw omstandigheden zijn uniek. Het doel is inspiratie: "Welke houding kan ik van deze persoon leren?" U hoeft niet hun prestaties te kopiëren. Misschien kunt u alleen hun moed, geduld, humor of volharding overnemen.


Wanneer uw mogelijkheden drastisch veranderen, moet soms ook uw definitie van succes veranderen.Een gezond mens kan succes misschien meten in carrière, inkomen, sportieve prestaties of reizen. Maar wanneer ziekte of handicap een groot deel van die mogelijkheden wegneemt, kunnen dergelijke maatstaven hun betekenis verliezen. Dan moet u misschien opnieuw bepalen wat een goed leven voor u betekent. Misschien wordt een geslaagde dag er één waarin u een moeilijke behandeling hebt doorstaan zonder uw moed te verliezen. Misschien is het een dag waarop u iemand hebt opgebeld. Misschien hebt u een half uur gelezen, een wandeling gemaakt, een maaltijd bereid of iemand geholpen. Dat lijken kleine dingen. Maar het leven bestaat uiteindelijk uit kleine dingen. Een mens hoeft geen uitzonderlijke prestaties te leveren om een betekenisvol leven te leiden. De stoïcijnse vraag is niet: "Hoe indrukwekkend is mijn leven?" maar: "Leef ik zo goed mogelijk met de omstandigheden die mij gegeven zijn?" Dat is een veel eerlijkere maatstaf. Uit deze stoïcijnse houding kunnen we een aantal praktische richtlijnen afleiden voor mensen die met ernstige tegenslag, ziekte, handicap of armoede te maken hebben. Het zijn geen wondermiddelen en ze zullen niet voor iedereen in dezelfde mate toepasbaar zijn. Beschouw ze daarom als hulpmiddelen, niet als voorschriften.


1. Zoek de invloed die u nog hebt en neem de controle over uw eigen leven zo veel mogelijk weer ter hand

Probeer niet de controle over uw leven volledig terug te krijgen. Dat is soms onmogelijk. Zoek in plaats daarvan naar de resterende ruimte waarin u nog invloed kunt uitoefenen. Misschien kunt u niet meer werken, maar wel bepalen hoe u uw dag indeelt. Misschien kunt u niet lopen, maar wel beslissen welke hulpmiddelen u gebruikt. Misschien kunt u uw ziekte niet genezen, maar wel medische hulp zoeken en uw behandeling zo goed mogelijk volgen. Vraag uzelf regelmatig: “Wat kan ik op dit moment nog beïnvloeden?" Begin daar. Wanneer anderen veel voor u moeten doen, is het verleidelijk om alle verantwoordelijkheid uit handen te geven. Soms is dat onvermijdelijk en soms is het zelfs verstandig. Maar probeer, waar het kan, zelf keuzes te blijven maken. Wat wilt u vandaag doen? Wie wilt u spreken? Welke behandeling wilt u bespreken? Waar wilt u uw beperkte energie aan besteden? Afhankelijkheid en autonomie sluiten elkaar niet volledig uit. U kunt hulp nodig hebben en toch zoveel mogelijk regie over uw eigen leven behouden.


2. Richt u op mogelijkheden en wees eerlijk over uw beperkingen

Wat verloren is gegaan, mag betreurd worden. Het stoïcisme vraagt niet om te doen alsof verlies geen pijn doet. Maar blijf er niet voortdurend uw huidige leven mee vergelijken. Niet: "Dit kan ik niet meer." maar: "Wat kan ik nog wel?" Dat klinkt vanzelfsprekend en eenvoudig, maar het kan een fundamentele verandering in perspectief betekenen. Richt u dus op mogelijkheden, maar neem uw onmogelijkheden eveneens serieus. Onderzoek zo goed mogelijk wat uw lichamelijke, psychische, financiële en sociale grenzen zijn. Houd er rekening mee dat deze grenzen kunnen veranderen: soms ten goede, soms ten kwade. Neem uzelf niet in de maling. Laat u ook niet wijsmaken dat iedere ziekte met voldoende wilskracht, meditatie, voeding of een positieve instelling kan worden overwonnen. De moderne wereld staat vol met succesverhalen en gezondheidsgoeroes die uitzonderingen presenteren alsof ze regels zijn. Gebruik uw verstand. Onnodige teleurstelling is geen deugd.


3. Stel doelen die passen bij uw huidige leven en wees bereid uw koers te wijzigen

Uw oude doelen kunnen door een ernstige tegenslag onhaalbaar zijn geworden. Dat betekent niet dat u geen doelen meer nodig hebt. Stel nieuwe doelen die aansluiten bij uw huidige mogelijkheden. Begin eventueel met zeer kleine doelen. Een uur per dag lezen. Een telefoongesprek voeren. Een korte wandeling maken. Een cursus volgen. Een vriend bezoeken. Een nieuwe hobby vinden of een oude opnieuw oppakken. Kleine doelen zijn niet minderwaardig wanneer uw mogelijkheden klein zijn. Een kleine stap in de goede richting blijft een stap in de goede richting. Wanneer het nog mogelijk is, probeer dan na te denken over de richting waarin u uw leven wilt ontwikkelen. Waar wilt u over vijf of tien jaar staan? Wat wilt u nog meemaken? Welke relaties wilt u onderhouden? Welke bijdrage wilt u leveren? Welke waarden wilt u in uw leven tot uitdrukking brengen? Maar maak van uw levensplan geen gevangenis. De werkelijkheid verandert. Uw gezondheid kan veranderen. Uw financiële situatie kan veranderen. Uw wensen kunnen veranderen. Een verstandig levensplan heeft daarom een richting, maar geen betonnen muren.


4. Leer onderscheid te maken tussen een moeilijke en een onmogelijke weg

Niet iedere hindernis moet worden overwonnen. Dat is misschien wel een van de moeilijkste lessen voor een modern mens. Onze cultuur vertelt ons voortdurend dat alles mogelijk is als we maar hard genoeg werken. Dat is niet waar. Er bestaan grenzen die niet met wilskracht kunnen worden doorbroken. De kunst is te ontdekken welke obstakels de moeite waard zijn om te bestrijden en welke u beter kunt accepteren. Geef niet te snel op. Maar blijf ook niet eindeloos tegen een muur oplopen. Soms is wijsheid niet de kracht om door te zetten, maar de kracht om een andere weg te kiezen.


5. Meet uw leven niet af aan dat van anderen

Vergelijk uzelf niet voortdurend met gezonde, rijke, succesvolle of sociaal vaardige mensen. U speelt uw eigen spel met uw eigen uitgangspositie. De relevante vraag is niet: "Waarom kan hij dit wel en ik niet?" maar: "Wat kan ik, gegeven mijn omstandigheden, zo goed mogelijk doen?" Daarmee verdwijnt de behoefte aan zelfmedelijden niet noodzakelijk meteen, maar u voorkomt wel dat vergelijking een extra bron van lijden wordt.


6. Behoud uw menselijke waardigheid maar aanvaard wel hulp

De stoïcijn is geen eenzame held die alles alleen moet kunnen. De mens is volgens de stoïcijnen van nature een sociaal wezen. Wij zijn voor een belangrijk deel afhankelijk van elkaar. Laat u daarom helpen wanneer dat nodig is. Een arts, psycholoog, fysiotherapeut, mantelzorger, vriend, familielid, maatschappelijk werker of vrijwilliger kan soms een deel van de last dragen die u zelf niet kunt dragen.

Hulp accepteren is geen nederlaag. Het kan juist een rationele keuze zijn. Misschien is dit uiteindelijk de belangrijkste stoïcijnse les. Uw gezondheid bepaalt niet uw menselijke waarde. Uw inkomen bepaalt niet uw menselijke waarde. Uw handicap bepaalt niet uw menselijke waarde. Uw maatschappelijke status bepaalt niet uw menselijke waarde. Zelfs uw prestaties bepalen niet volledig wie u bent. Wat telt, is hoe u als mens probeert te leven binnen de werkelijkheid die u is gegeven. Soms betekent dat grootse dingen doen. Soms betekent het eenvoudigweg volhouden. En soms betekent het dat u hulp nodig hebt om de volgende dag te halen. Ook dan is er ruimte voor moed, wijsheid, zelfbeheersing en rechtvaardigheid.


Met AI gegenereerde afbeelding


De oproep "Begin te leven" krijgt hierdoor een andere betekenis. Het betekent niet: negeer uw ziekte, overwin uw handicap en maak van uw leven alsnog een succesverhaal. Het betekent: Begin te leven met het leven dat u werkelijk hebt. Niet met het leven dat u had gewild. Niet met het leven dat anderen van u verwachten. Niet met een geïdealiseerde toekomst waarin al uw problemen zijn opgelost. Met dit leven. Met dit lichaam. Met deze mogelijkheden. Met deze beperkingen. Dat betekent niet dat u zich bij alles moet neerleggen. Waar verbetering mogelijk is, mag u daarnaar streven. Waar behandeling mogelijk is, mag u behandeling zoeken. Waar onrecht kan worden bestreden, mag u het bestrijden. Waar armoede kan worden verminderd, mag u hulp zoeken. Waar een handicap met hulpmiddelen gedeeltelijk kan worden gecompenseerd, mag u die hulpmiddelen gebruiken.


Acceptatie is geen passiviteit. Het betekent slechts dat u de werkelijkheid als uitgangspunt neemt in plaats van als vijand die eerst moet verdwijnen voordat uw leven kan beginnen. Soms blijft er maar weinig over waarover u kunt beschikken. Maar zolang er iets overblijft, is er iets om mee te werken. En als er op een bepaald moment vrijwel niets meer overblijft dan uw houding tegenover de volgende minuut, dan kan zelfs die minuut nog betekenis hebben. Het stoïcisme belooft ons geen leven zonder tegenslagen. Het belooft ons evenmin dat iedere beperking overwonnen kan worden. Het biedt een moeilijker, maar eerlijker perspectief: u hoeft niet alles te kunnen om zo goed mogelijk te leven. Uw omstandigheden bepalen de speelruimte. Uw keuzes bepalen wat u binnen die speelruimte doet. En soms is virtuositeit niet het overwinnen van de hindernis. Soms is virtuositeit het vinden van een manier om, ondanks de hindernis, toch verder te leven.



zaterdag 3 oktober 2026

Magere Hein uw glimlachende vriend

 Kijk eens achterom. U zult daar een voortdurende metgezel zien lopen. Iemand die u nooit verlaat, nooit ver weg is en die u overal naartoe vergezelt. Het is Magere Hein: uw eigen dood. U kunt proberen hem te negeren. U kunt hem vrezen, voor hem weglopen of doen alsof hij niet bestaat. Maar u kunt ook iets anders doen: u kunt hem leren kennen. U kunt hem zelfs gebruiken als gids. De dood is immers niet alleen het einde van het leven. Het besef van de dood kan ons ook leren hoe we moeten leven.



Met AI gegenereerde afbeelding


Uw dagen zijn geteld. Iedere dag worden er overal ter wereld mensen geboren en sterven er mensen. Sommigen leven slechts enkele uren of dagen, anderen bereiken een hoge ouderdom. Niemand van ons weet hoeveel tijd hem nog rest. Misschien tientallen jaren, misschien enkele jaren, misschien slechts een paar dagen. Dat is geen reden voor somberheid. Het is een reden om wakker te worden. Want als onze tijd beperkt is, wordt de vraag belangrijker wat we met die tijd doen. Wat maakt ons leven de moeite waard? Voor een stoïcijn ligt het antwoord niet in een zo lang mogelijk leven, zoveel mogelijk bezit of zoveel mogelijk aangename ervaringen. De waarde van een leven wordt bepaald door de manier waarop het wordt geleefd: door wijsheid, moed, rechtvaardigheid en zelfbeheersing. Anders gezegd: door virtuositeit. De dood herinnert ons eraan dat we daar niet eindeloos mee kunnen wachten.


Het stoïcisme heeft geen behoefte aan geruststellende sprookjes over een gegarandeerd hiernamaals. De oude stoïcijnen verschilden onderling overigens in hun opvattingen over wat er na de dood gebeurt. Sommigen hielden rekening met een voortbestaan van de ziel, anderen met een uiteindelijk verdwijnen van het individu. Maar voor de praktische filosofie maakt dat verschil minder uit dan u misschien zou denken. Want wat er na de dood gebeurt, ligt niet in onze macht. Wat wél in onze macht ligt, is wat we met het leven doen zolang het er is. De stoïcijnen besteedden daarom opvallend veel aandacht aan de dood. Niet omdat zij morbide waren, maar juist omdat zij begrepen dat sterfelijkheid een van de belangrijkste feiten van het menselijk bestaan is. Seneca vond het zelfs de ultieme toetssteen voor zijn virtuositeit. Volgens hem ligt de dood niet in de toekomst, maar is het iets dat zich constant in het hier en nu manifesteert. In een brief aan zijn vriend Lucilius schrijft hij dit:


“Elke dag sterven we een beetje, want elke dag wordt er weer een nieuw stukje van ons leven afgesnoept. Wanneer we ouder worden wordt ons leven dus steeds een stukje kleiner. We zijn onze kleutertijd kwijt, onze kinderjaren en ook onze jeugd is allang vervlogen. Zelfs het moment waarop we nu leven, moeten we delen met de dood. Een waterklok raakt niet leeg door de laatste druppel die eruit valt, maar door alles wat er eerder al uitgestroomd is en zo eindigt ook een leven niet door het laatste uur, maar door alle daarvoor verlopen uren. Ons laatste uur is niets meer dan het moment waarop wij ophouden te bestaan, een moment waarnaar we allang op weg waren.” (Seneca, brieven aan Lucilius, brief XXIV-20)


Seneca schrijft hier dat we elke dag een beetje sterven, want elke dag wordt er weer een nieuw stukje van ons leven afgesnoept. Vervolgens vergelijkt hij het leven met een waterklok. Het is niet de laatste druppel die de klok leegmaakt; alle eerdere druppels zijn al verdwenen. Zo brengt ook het laatste uur niet plotseling de dood. Het voltooit slechts een proces dat al vanaf onze geboorte gaande is. Dat is een opmerkelijke gedachte. We denken gewoonlijk aan de dood als iets wat ergens aan het einde van ons leven op ons wacht. Alsof het leven hier is en de dood daar, aan de andere kant van een denkbeeldige grens. Seneca draait dat perspectief om. De dood is niet alleen een toekomstige gebeurtenis. Hij is ook het voortdurend verdwijnen van onze verstreken tijd. Onze jeugd is al gestorven. Onze kindertijd komt nooit meer terug. Gisteren is voorgoed verdwenen. Ook de tijd die u zojuist met het lezen van deze blog hebt doorgebracht, is inmiddels verleden tijd. Dat klinkt misschien somber, maar het kan ook bevrijdend zijn. Want als tijd werkelijk verloren gaat zodra hij voorbij is, wordt het huidige moment kostbaar.


De Romeinen kenden de uitdrukking ‘memento mori’: herinner u dat u zult sterven. Het is gemakkelijk om die woorden te begrijpen als een sombere waarschuwing: Geniet maar, want straks ben je dood. Maar de stoïcijnse betekenis kan veel interessanter worden opgevat. ‘Memento mori' betekent niet alleen: “Vergeet niet dat je zult sterven.” Het betekent ook: “Vergeet niet dat je leeft.” Het ‘memento mori’ is dan ook eigenlijk een ‘memento vivere.’ De dood geeft het leven een grens. En juist die grens maakt keuzes noodzakelijk. Stel dat u eeuwig zou leven. Dan zou uitstel nauwelijks een probleem zijn. U zou morgen kunnen beginnen. En als morgen niet uitkomt, overmorgen. Als overmorgen niet lukt, volgend jaar. Maar u leeft niet eeuwig. Daarom is iedere keuze tegelijk een afscheid van andere mogelijkheden. Wanneer u een uur besteedt aan iets wat u werkelijk belangrijk vindt, kunt u dat uur niet meer besteden aan iets anders. Wanneer u jarenlang leeft volgens de verwachtingen van anderen, krijgt u die jaren niet terug om alsnog uw eigen leven te beginnen. Dat maakt tijd misschien wel het kostbaarste bezit dat we hebben. En toch behandelen we haar vaak alsof ze onbeperkt beschikbaar is. Wat zou u doen als u wist dat u nog één jaar had?


Een klassieke stoïcijnse oefening is de ‘premeditatio malorum': vooruitdenken over wat er mogelijk mis kan gaan. De dood hoort daar vanzelfsprekend bij. Maar u kunt deze oefening ook op een andere manier gebruiken. Stel u voor dat u te horen krijgt dat u nog precies één jaar te leven hebt. Niet om uzelf bang te maken. En ook niet om onmiddellijk uw huis te verkopen, uw baan op te zeggen en met een rugzak de wereld rond te trekken. Vraag uzelf eenvoudig af: Wat zou ik anders doen? Welke dingen zouden plotseling onbelangrijk lijken? Welke zorgen zou u niet meer de moeite waard vinden? Aan welke mensen zou u meer tijd willen besteden? Welke dingen zou u eindelijk willen doen? Welke ruzies zou u willen bijleggen? Welke dromen hebt u steeds naar later verschoven? En misschien nog belangrijker: Welke dingen doet u nu vooral omdat u denkt dat anderen verwachten dat u ze doet? De oefening is niet bedoeld om op al die vragen onmiddellijk drastische antwoorden te geven. De bedoeling is dat u ontdekt welke waarden werkelijk belangrijk voor u zijn. De dood kan op die manier een verrassend goede levenscoach worden.


Zo kan de dood uw bevrijder worden. Het besef van sterfelijkheid kan ons bovendien bevrijden van een merkwaardige vorm van slavernij: de voortdurende behoefte aan goedkeuring. We zijn geneigd ons druk te maken over wat anderen van ons vinden. We vergelijken onszelf met anderen. We willen succesvol zijn, interessant, rijk, aantrekkelijk, gerespecteerd en maatschappelijk geslaagd. Maar stel u eens voor dat u op uw sterfbed ligt. Zal het dan nog belangrijk zijn dat uw buren vonden dat uw auto ouderwets was? Zal het belangrijk zijn dat iemand u ooit op een feestje een beetje vreemd vond? Zal het belangrijk zijn dat u niet genoeg bezit hebt verzameld? Zal het aantal mensen dat u op sociale media bewonderde nog enige betekenis hebben? Waarschijnlijk niet. Wat dan overblijft, zijn de zaken die werkelijk betekenis hadden: de mensen van wie u hield, de mensen voor wie u iets betekende, de dingen die u hebt geleerd, de ervaringen die u hebt opgedaan en vooral de manier waarop u uzelf en anderen gedurende uw leven hebt behandeld.


Daarmee raakt het ‘memento mori’ rechtstreeks aan de stoïcijnse leer van de ‘adiaphora’, de leer van de in principe onbelangrijke maar toch geprefereerde zaken. Geld, bezit, gezondheid, status, plezier en een lang leven kunnen allemaal waardevol zijn. Maar ze zijn geen voorwaarden voor een goed karakter. Ze zijn geen garantie voor geluk en evenmin volledig in onze macht. De dood maakt dat genadeloos duidelijk. U kunt uw gezondheid niet volledig beheersen. U kunt uw levensduur niet beheersen. U kunt niet bepalen hoe anderen over u denken. U kunt zelfs niet garanderen dat uw zorgvuldig opgebouwde plannen werkelijkheid worden. Maar u kunt wel proberen verstandig te leven met wat u krijgt.


De volgende keer dat u wikt en weegt en u afvraagt wanneer u eindelijk eens het heft van uw leven in eigen hand zult nemen, stelt u zich dan eens de volgende vraag: ‘Hoe lang zal ik dood zijn en hoe lang ben ik al dood geweest’? Want ja, voor uw geboorte was u ook al dood. Het antwoord zal zijn: eeuwig. De eeuwen voor uw geboorte heeft u niet bestaan en de eeuwen na uw dood zult u opnieuw niet bestaan. Met dat eeuwige perspectief voor ogen kunt u nu een eigen keus maken en al dat getob, de angst, de vraag of u zich iets wel of niet kunt veroorloven en al uw schuldgevoelens over laten aan hen die wel het eeuwige leven hebben. Als u dergelijke stappen niet gaat zetten, staat u te wachten dat u uw leven, uw hele leven, zult leiden zoals anderen zeggen dat u leven moet. Uw verblijf op Aarde is slechts kort. Het is uw leven, doe ermee wat u wilt en maak er een feest van.


Wacht daarom niet met leven. Een van de merkwaardigste menselijke eigenschappen is dat we vaak leven alsof het echte leven later begint. Als ik meer geld heb. Als ik met pensioen ben. Als het huis af is. Als de kinderen groot zijn. Als mijn gezondheid beter is. Als ik wat meer tijd heb. Als ik eindelijk weet wat ik wil. Maar ondertussen stroomt de waterklok leeg. Er komt geen apart moment waarop iemand u officieel toestemming geeft om te beginnen met leven. Het leven is al bezig. Dat betekent overigens niet dat u al uw verplichtingen moet laten vallen en uitsluitend moet doen waar u op dit moment zin in hebt. Dat zou nauwelijks stoïcijns zijn. De stoïcijn vraagt niet: “Waar heb ik zin in?”, maar eerder: “Wat is hier, gegeven de omstandigheden, het verstandige en virtuoze om te doen?” Soms betekent dat werken. Soms zorgen voor een ander. Soms juist rust nemen. Soms een moeilijke beslissing nemen. Soms een verplichting nakomen waar u helemaal geen zin in hebt. En soms betekent het eenvoudigweg: genieten van het feit dat u hier bent. De kunst is niet om zoveel mogelijk uit het leven te halen, maar om zo goed mogelijk te leven met het leven dat u daadwerkelijk hebt gekregen.


Epictetus gebruikt daarvoor een prachtige vergelijking. Hij vergelijkt het leven met een festival, en in het bijzonder met de Olympische Spelen. Voor de oude Grieken waren die wedstrijden niet alleen een sportevenement, maar een enorm publiekspektakel. Epictetus was gek op sport en bezocht graag de Olympische Spelen. Er wordt zelfs gezegd dat hij zijn school expres in Nicopolis niet al te ver van Delphi stichtte om zo makkelijker naar de wedstrijden te kunnen kijken. De Olympische Spelen waren in die tijd trouwens meer dan sport alleen, er werden ook wedstrijden in filosofie, muziek en toneel gehouden. Hij spoorde zijn leerlingen aan om van de wedstrijden te genieten zonder een voorkeur te hebben voor wie zou winnen. Epictetus gebruikte de Olympische Spelen regelmatig als beeldspraak voor het menselijk bestaan. In een van zijn gesprekken beschrijft hij hoe wij ons moeten gedragen wanneer we ons midden in de drukte bevinden. Mensen duwen elkaar, er is lawaai, iedereen roept iets anders en het is een drukte van belang. Maar wie naar Olympia komt, weet dat dit onderdeel van het festival is. Je kunt niet tegelijkertijd deelnemen aan het festival en klagen over het feit dat er mensen aanwezig zijn. Dat is een buitengewoon stoïcijnse gedachte. Stel u voor dat u naar een groot muziekfestival gaat. U koopt een kaartje, loopt het terrein op en ontdekt vervolgens dat het druk is. Mensen lopen tegen u aan. Iemand morst bier over uw jas. Het geluid is soms te hard. Een artiest begint later dan gepland. Het eten is duur. Iemand voor u is veel te lang en u ziet het podium nauwelijks. U kunt de hele avond klagen. Maar u kunt ook denken: Dit is het festival. De drukte is geen vergissing in het programma. De drukte is onderdeel van het programma. 


Hetzelfde geldt voor het leven. Er zullen mensen zijn die u teleurstellen. Dingen zullen kapotgaan. Uw lichaam zal ouder worden. Plannen zullen mislukken. Mensen zullen zich onredelijk gedragen. Soms zit het mee en soms zit het tegen. Dat betekent niet dat alles wat er gebeurt goed is of dat u alles maar passief moet accepteren. Een stoïcijn mag ingrijpen, protesteren, helpen, veranderen, beschermen en handelen. Maar hij probeert daarbij onderscheid te maken tussen wat hij kan beïnvloeden en wat hij uiteindelijk niet kan beheersen. Als het regent op een festival, kunt u een jas aantrekken. U kunt niet onderhandelen met de wolken.


De festival metafoor bevat nog een tweede belangrijke les. Wanneer u naar een voorstelling kijkt, bent u tegelijkertijd deelnemer en toeschouwer. U doet mee, maar u hoeft niet ieder moment persoonlijk op te vatten. Dat is precies wat de stoïcijn probeert te leren. Wanneer iemand u beledigt, kunt u reageren. Wanneer iemand u onrecht aandoet, kunt u handelen. Wanneer u ziek wordt, kunt u medische hulp zoeken. Wanneer een plan mislukt, kunt u een nieuw plan maken. Maar tussen gebeurtenis en reactie zit een kleine ruimte. In die ruimte bevindt zich uw vrijheid. Daar kunt u uzelf afvragen: Wat gebeurt hier eigenlijk? Welk oordeel voeg ik er zelf aan toe? Wat ligt binnen mijn invloed? Wat is nu de verstandige en virtuoze reactie? De dood herinnert ons eraan dat die ruimte niet eeuwig beschikbaar is.


Misschien moeten we daarom een ander beeld van Magere Hein proberen te ontwikkelen. Niet de grijnzende figuur met de zeis die achter ons aan zit. Maar een stille metgezel. Iemand die ons af en toe op de schouder tikt en zegt: “Dit moment krijg je niet terug.” “Die persoon tegenover je is niet eeuwig bij je.” “Je lichaam blijft niet altijd zo.” “Deze dag komt nooit meer terug.” “Waar ben je eigenlijk mee bezig?” Dat is geen dreigement. Het is een uitnodiging. De dood zegt niet noodzakelijk: “Haast je!” Hij zegt eerder: “Let op.” Let op wat u doet. Let op met wie u uw tijd doorbrengt. Let op wat u belangrijk vindt. Let op hoeveel van uw leven u besteedt aan zaken die u eigenlijk helemaal niet belangrijk vindt. En vooral: let op het leven zelf. Want misschien is dat wel de grootste paradox van het ‘memento mori'. Wie voortdurend aan de dood denkt, hoeft niet voortdurend met de dood bezig te zijn. Het doel is juist om de dood een plaats te geven, zodat het leven niet voortdurend door angst voor de dood wordt overschaduwd. De dood is de grens van het leven. Maar binnen die grens bevindt zich alles wat u ooit zult meemaken.


Maak daarom een feest van uw leven. U weet niet hoe lang uw festival duurt. Misschien nog vijftig jaar. Misschien tien. Misschien één. U kent het programma niet. U weet niet welke mensen u nog zult ontmoeten, welke verliezen u zult meemaken, welke verrassingen u te wachten staan en welke gebeurtenissen u nooit had kunnen voorzien. Maar u bent hier. Nu op dit moment. De muziek speelt al. De mensen zijn al binnen. Het publiek maakt lawaai. Sommigen zullen u voor de voeten lopen. Anderen zullen met u meedansen. Er zal regen zijn en zonneschijn, verveling en opwinding, verdriet en vreugde, verlies en onverwachte schoonheid. U kunt de hele voorstelling klagen omdat het programma niet precies verloopt zoals u had gehoopt. Of u kunt wakker worden. Om u heen kijken. De mensen zien. Luisteren naar de muziek. De gebeurtenissen aandachtig ondergaan. Doen wat van u gevraagd wordt. Helpen waar u kunt. Genieten waar dat mogelijk is. En wanneer het moment komt waarop u het festival moet verlaten, kunt u hopelijk zeggen: Ik was erbij. Ik heb opgelet. Ik heb meegedaan. Ik heb geprobeerd er iets moois van te maken. De glimlachende metgezel loopt al die tijd met u mee. Misschien is het niet nodig hem weg te jagen. Misschien is het juist goed om af en toe naast hem te lopen. Want wie weet dat het feest eindig is, kan eindelijk beginnen het feest werkelijk te vieren.