Sinds de mensheid zichzelf bewust werd van haar plaats in het heelal, worstelen wij met een diepgaande spanning: hoe verenigen we onze innerlijke ervaring van bewustzijn met de koude, onpersoonlijke wetten die de natuurwetenschappen aan de werkelijkheid toeschrijven? De wetenschappelijke revolutie van de 17de eeuw liet ons een universum na dat functioneert als een reusachtige klok, voorspelbaar, deterministisch, en ogenschijnlijk doof voor de vraag waarom. Maar deze onttovering van de wereld rijst een ongemakkelijke vraag op: als alles slechts materie in beweging is, wat maakt ons dan anders? Waar blijft de ruimte voor keuze, voor waarde, voor het subjectieve gevoel dat wij ‘ik’ noemen? Deze crisis vormt het vertrekpunt voor een filosofisch debat dat tot op de dag van vandaag voortduurt, en waarbinnen het stoïcijnse en Spinozistische monisme een verrassend moderne uitweg biedt.
Tijdens de wetenschappelijke revolutie reduceerden wij mensen het universum zo tot dode materie. Dit was een logisch gevolg van het succes van de natuurwetenschappen. De wereld leek te functioneren volgens deterministische wetten, zonder ruimte voor bewustzijn of intentie. Maar deze visie creëerde een paradox: als wijzelf deel uitmaken van datzelfde universum, hoe kunnen wij dan bewust zijn? De filosofie probeerde dit dilemma op verschillende manieren op te lossen:
Dualisme: Een scheiding tussen geest en materie, waarbij bewustzijn in een parallelle werkelijkheid zou bestaan (bijv. de ‘ziel’). Dit is de religieuze visie.
Materialisme: Bewustzijn als bijproduct van materie, waarbij de mens een ‘levende machine’ is zonder vrije wil. De mens als zombie.
Idealisme: Alles wat bestaat, bestaat primair als idee, bewustzijn of geest, en niet als materie. De buitenwereld is volgens het idealisme een droom.
Monisme/Panpsychisme: Het universum als een levend, bewust geheel. Dit was de oplossing van de stoïcijnen en later Spinoza.
Centraal in het monisme staat het idee dat bewustzijn een fundamentele eigenschap van de werkelijkheid is, niet iets wat toegevoegd wordt aan materie, maar er onlosmakelijk mee verbonden is. Spinoza noemde dit ‘Deus sive Natura’ (‘God oftewel Natuur’), een concept dat ook de stoïcijnen al omarmden. Toen Albert Einstein in 1929 werd gevraagd of hij in God geloofde, antwoordde hij:
"Ik geloof in de god van Spinoza, die zich openbaart in de ordelijke harmonie van het bestaan, niet in een god die zich bemoeit met menselijke lotgevallen."
Zonder het te weten sluit Einstein hier aan bij de stoïcijnse traditie. Voor hem was "God" geen ‘bebaarde oude man op een wolk’ maar een metafoor voor de wiskundige precisie en wetmatigheden van het universum. Een kosmische religiositeit, geen geloof in het bovennatuurlijke, maar ontzag voor het natuurlijke. Deze god is geen persoonlijke entiteit die de wereld van buitenaf bestuurt, maar de werkelijkheid zelf. Voor de stoïcijnen en Spinoza zijn God en de Natuur synoniemen. Deze natuurgod had een aantal fundamentele eigenschappen:
Immanentie: God staat niet boven de schepping, maar is de schepping zelf. Alles wat bestaat, is een "modus" (een verschijningsvorm) van die god.
Geen wil of emotie: Deze god heeft geen plannen, luistert niet naar gebeden en oordeelt niet. God is simpelweg de noodzakelijke, logische structuur van het universum.
Bewustzijn is intrinsiek: Geest en materie zijn geen gescheiden domeinen, maar twee kanten van dezelfde medaille.
De god van Spinoza en de stoïcijnen is de som van alle natuurwetten. Het is een god waar u van kunt houden door de wereld te begrijpen, maar die nooit van u zal houden. Stel u het universum voor als een oceaan. Alles wat bestaat, sterren, bomen, mensen, zijn golven op dat water. Elke afzonderlijke golf is tijdelijk, maar het water blijft. Zo is elk individueel bewustzijn een vluchtige verschijningsvorm van het universele bewustzijn.
Bewustzijn is hier geen toevoeging aan materie, maar een intrinsieke eigenschap ervan, zoals massa of lading. Deze visie, panpsychisme genoemd, stelt dat alles in het universum, van elektronen tot sterrenstelsels, een vorm van bewustzijn bezit, hoe primitief ook. Voor de stoïcijnen en Spinoza was dit geen mystiek idee, maar een logisch gevolg van hun monisme: als God/Natuur één is, Volgens hen kan bewustzijn niet plotseling ontstaan in complexe systemen (zoals hersenen), maar moet het altijd al aanwezig zijn, alleen in verschillende gradaties. Hoe moeten we ons dit "universele bewustzijn" dan voorstellen? Stel u voor dat elk deeltje, elke cel, elk wezen een klein vonkje bewustzijn heeft, zoals elke pixel in een foto bijdraagt aan een compleet beeld. Het totale bewustzijn van het universum is dan niet meer (en niet minder) dan: de geïntegreerde ervaring van al deze vonkjes samen, een dynamisch, steeds veranderend geheel, waarin individuele bewustzijnsstromen (zoals die van u) tijdelijk opkomen en weer verdwijnen, zoals golven in een oceaan.
De metafoor van de oceaan is geen toeval. Voor de stoïcijnen was het universum een levend, bewust organisme, waarin alles met alles verbonden is. Wanneer u deze tekst leest, is dat niet alleen uw ervaring, maar een momentopname van het universele bewustzijn dat zich via u uit. Dit klinkt misschien abstract, maar volgt uit vijf eenvoudige logische stappen:
U bent u bewust van deze woorden (dat is onbetwistbaar).
U bestaat uit materie (en bent ook een drager van bewustzijn).
Conclusie: Bewustzijn is een eigenschap van (op z’n minst een deel van) de materie (panpsychistisch uitgangspunt).
U maakt deel uit van het universum: Het stukje van het universum dat u bent, is bewust.
Conclusie: Als uw stukje materie bewust is dan is ook het universum als geheel bewust. Het is niet zeker maar wel aannemelijk dat dat betekent dat u deel uitmaakt van een veld van bewustzijn dat het universum is. Zoals een enkele muzieknoot deel is van een grotere symfonie.
Wanneer u deze tekst leest, is dat dus niet uw bewustzijn alleen, maar het universum dat zichzelf via u waarneemt. Dit klinkt misschien zweverig en abstract, maar volgt logischerwijs uit de hierboven genoemde premissen. Kortom: U leest dit artikel niet, het universum of 'God' leest het door u. Het is niet een god die een plan heeft. Het opdelen van de wereld in ‘doelmatig’ en 'doelloos', ‘zinvol’ en ‘zinloos’, ‘nuttig’ en ‘nutteloos’ is een puur op het overleven gerichte bezigheid die niets met de ware aard van de stoïcijnse god te maken heeft. Vanuit dit perspectief zou u inderdaad kunnen zeggen dat het leven geen enkele zin heeft, dat het universum een maalstroom van materie is waarin alles wat kan gebeuren ook gebeurt zonder dat het iemand of iets een zier kan schelen. De zin van het leven zit echter in een andere eigenschap van de materie: het bewustzijn. Het universum leest dit artikel niet alleen door u maar ervaart door u uw hele leven.
Dit klinkt als een woordenspel, maar is het niet. Wat gebeurt er in een panpsychistisch universum als u sterft? In tegenstelling tot wat u waarschijnlijk denkt, verdwijnt u niet zomaar van de aardbodem. Volgens de wet van behoud van energie verdwijnt uw materie niet; ze transformeert. De materie waaruit u bestaat gaat op in de materie van het universum om vervolgens weer nieuwe vormen aan te nemen. Als bewustzijn een eigenschap van materie is, geldt hetzelfde voor uw bewustzijn: het gaat op in het grotere geheel, zoals een golf die weer water wordt. U was al water, u was altijd deel van de oceaan.
De stoïcijnen zouden de stoïcijnen niet zijn als deze abstracte redeneringen geen praktische consequenties zouden hebben. Sterker nog, deze metafysica ligt ten grondslag aan hun hele filosofische systeem. Als mens zijn wij dus een deel van het geheel dat wij het universum noemen, een deel dat beperkt is in tijd en ruimte. U ervaart uzelf, uw gedachten en gevoelens, als afgescheiden van het geheel. Dit is volgens de modern stoïcijnen echter een optische illusie van het bewustzijn. Een waanbeeld dat werkt als een gevangenis en u beperkt tot het najagen van uw eigen verlangens en het liefhebben van slechts enkele dicht bij u staande personen. Het is een optische illusie omdat u in werkelijkheid helemaal niet losstaat van het geheel. U bent er juist volledig van afhankelijk en wordt er volledig door gevormd. Alles wat er tot nu toe in het universum is gebeurd, van de oerknal tot dit moment, was nodig om een minuscuul blokje bewuste materie te maken tot wat u nu bent op dit moment. De stoïcijnen zagen het als onze taak om ons te bevrijden uit de gevangenis van deze illusie door onze oikeiosis (cirkel van compassie) te verbreden tot ze de hele mensheid en natuur omvat. Dit inzicht brengt bevrijding: u ervaart de wereld niet langer als extern, maar als onderdeel van uzelf.
Het ervaren van een dergelijk gevoel van eenheid zorgt voor bevrijding en een gevoel van geborgenheid omdat u alles om u heen ervaart als een onlosmakelijk onderdeel van uzelf. Het hele universum komt in en door u tot uiting maar u heeft ook invloed op dat universum. Het universum heeft geen plan, het is een maalstroom van materie waarin alles wat kan gebeuren, ook gebeurt. Toch is er wel zin: die zit in het bewustzijn zelf. Het universum ervaart uw leven niet alleen door u, maar als u. Dit is geen woordenspel, maar een radicale herdefiniëring van identiteit. Praktisch betekent dit: zorg voor de natuur en anderen als voor uzelf. Want wat u de wereld aandoet, doet u uzelf aan en omgekeerd.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten