De filosofie van Baruch Spinoza (1632–1677) wordt vaak gelezen als radicaal nieuw: streng rationeel, geometrisch opgebouwd en compromisloos in haar metafysische consequenties. Tegelijkertijd herkennen veel lezers er oudere motieven in, vooral uit de stoïcijnse filosofie. Dat roept een intrigerende vraag op: is Spinoza slechts beïnvloed door de stoïcijnen, of vormt zijn systeem zelfs een logische uitwerking van hun metafysica? Om die vraag te beantwoorden, moeten we eerst kijken naar wat de stoïcijnen dachten, vervolgens naar wat Spinoza overneemt, en tenslotte naar waar hij een beslissende stap verder gaat.
De klassieke stoïcijnen, Zeno, Chrysippos, later Seneca, Epictetus en Marcus Aurelius, ontwikkelden een strikt immanent wereldbeeld. Immanent betekent dat er voor hen geen transcendente god buiten de wereld bestaat. Net als Spinoza zijn de oude stoïcijnen pantheïsten, ze noemen hun wereldgod meestal gewoon natuur. Die god is dus eigenlijk alles wat er bestaat, of beter: het rationele, ordenende principe in het universum. Dit principe wordt vaak aangeduid als logos, een goddelijke rede die alles doordringt en structureert. De kosmos is volgens de stoïcijnen volledig deterministisch. Alles gebeurt volgens noodzakelijke causale verbanden. Toeval bestaat niet; wat wij toeval noemen, is onwetendheid over oorzaken. De mens maakt hier volledig deel van uit. Ook menselijke emoties, keuzes en handelingen volgen uit natuurlijke oorzaken. Ethiek vloeit hier rechtstreeks uit voort. Wie begrijpt hoe de natuur werkt, zal leren instemmen met de noodzakelijkheid van wat er gebeurt. De beroemde stoïcijnse houding van berusting, of liever: rationele aanvaarding, is geen passiviteit maar inzicht. Vrijheid betekent niet ontsnappen aan causaliteit, maar handelen in overeenstemming met de rede.
Wie Spinoza’s Ethica leest, herkent onmiddellijk een vergelijkbaar wereldbeeld. Ook bij Spinoza is god geen persoonlijke schepper die buiten de wereld staat. Zijn beroemde formule ‘Deus sive Natura’, God oftewel de Natuur, drukt dezelfde immanentie uit die we bij de stoïcijnen vinden. Spinoza stelt dat er slechts één substantie bestaat, met oneindig veel attributen. Alles wat bestaat is een modus van die ene substantie. Ook hier is er geen plaats voor toeval: alles volgt noodzakelijk uit de aard van de natuur. Spinoza is, net als de stoïcijnen, een radicale determinist. Ook de menselijke geest en emoties worden strikt naturalistisch verklaard. Passies zijn geen morele fouten, maar noodzakelijke gevolgen van hoe wij door externe oorzaken worden beïnvloed. Vrijheid is inzicht in die noodzakelijkheid. Wie begrijpt waarom hij handelt zoals hij handelt, is vrijer dan wie denkt dat hij uit vrije wil handelt terwijl hij in feite door oorzaken wordt meegesleurd. De parallellen zijn moeilijk te missen.
Toch moeten we voorzichtig zijn. Spinoza kende de stoïcijnen vooral via secundaire bronnen: Latijnse auteurs, renaissancedenkers en vooral via Descartes, die zelf stoïcijnse ideeën over emoties verwerkte. Er is weinig bewijs dat Spinoza systematisch de originele stoïcijnse teksten bestudeerde. De invloed is dus deels indirect. Maar belangrijker: Spinoza neemt niet zomaar stoïcijnse ideeën over. Hij herstructureert ze fundamenteel.
Het grootste verschil zit in de metafysische precisie. De stoïcijnen combineerden hun determinisme met een vorm van materialisme: alles wat bestaat is uiteindelijk lichamelijk, inclusief god als een soort verfijnd vuur of pneuma. Spinoza’s substantie is niet per se materieel, maar ontologisch fundamenteel, met zowel denken als uitgebreidheid als gelijkwaardige attributen. Daarnaast ontbreekt bij Spinoza elk spoor van finalisme. De oude stoïcijnen spraken nog over een rationele orde die “goed” is of “gericht” op het geheel. Spinoza snijdt dit radicaal weg. De natuur heeft geen doelen. Goed en kwaad zijn menselijke begrippen, ontstaan uit onze verlangens, niet uit de structuur van de werkelijkheid zelf. Het moderne stoïcisme neigt er naar om Spinoza gelijk te geven. In de meeste vormen van het modern stoïcisme wordt het finalisme afgewezen. Ook ethisch verschuift het accent. Stoïcijnse ethiek is normatief en moreel geladen: de wijze streeft een virtuoos leven na. Spinoza’s ethiek is eerder therapeutisch en verklarend. Hij wil laten zien hoe we noodzakelijk functioneren, zodat we minder lijden onder illusies over vrije wil, schuld en schuldgevoel. Voor Spinoza is een mens een bewustzijn dat machteloos vast zit in een soort biologische robot waar hij geen enkele controle over heeft. Hij ziet en beleeft wat er gebeurt, maar heeft er geen enkele invloed op. De stoïcijnen geven u iets meer vrijheid. Ze zien een mens als onderdeel van het universele bewustzijn en geven u als zodanig nog enige invloed op wat u voelt en doet.
Is Spinoza een logische uitwerking van de stoïcijnse metafysica? In zekere zin wel. Als je de stoïcijnse intuïties, immanentie, determinisme, rationaliteit van de natuur, volledig serieus neemt en ontdoet van mythologische, teleologische en morele restanten, kom je opvallend dicht bij Spinoza uit. Maar dat betekent niet dat Spinoza simpelweg “de stoïcijnen consequent afmaakt”. Zijn systeem is mede gevormd door moderne wiskunde, cartesiaanse metafysica en een streng rationalistisch ideaal dat de oudheid vreemd was. De geometrische methode van de Ethica alleen al markeert een breuk. Misschien is het beter om Spinoza te zien als iemand die een oude levenshouding, leven in overeenstemming met de natuur, herdenkt binnen een nieuw filosofisch kader. Hij erft de stoïcijnse ernst, maar vervangt hun kosmische orde door een onpersoonlijke, noodzakelijke structuur van zijn eigen makelij.
De stoïcijnse filosofie vormt geen blauwdruk voor Spinoza, maar wel een diepe onderstroom. Waar de stoïcijnen intuïtief en ethisch formuleerden, werkt Spinoza systematisch en metafysisch uit. Zijn filosofie is geen herhaling, maar een radicale herformulering. Maar eigenlijk is ook Spinoza’s bewerking stoïcijns. Stoïcijnen benadrukken dat hun filosofie niet af is en dat latere generaties er nog heel veel aan zullen moeten bijstellen en veranderen. Al met al zou je kunnen zeggen: Spinoza is geen stoïcijn, maar zonder het stoïcisme is hij nauwelijks denkbaar.