Stel dat u op een avond door een donker bos loopt. Plotseling hoort u een tak kraken. U schrikt en kijkt om u heen. Wat was dat? Een ree, een andere wandelaar, de wind of misschien een roofdier? Voordat u de tijd hebt gehad om er bewust over na te denken, heeft uw brein waarschijnlijk al een eerste interpretatie gevormd. Misschien voelt u zelfs al angst. Maar hoe weet u eigenlijk wat er aan de hand is? U hebt een geluid gehoord, maar de betekenis ervan hebt u niet rechtstreeks waargenomen. Uw brein heeft de beschikbare informatie geïnterpreteerd en er een verklaring aan gegeven. Uw brein vertelt u een verhaal. Dat verhaal kan juist zijn, maar ook volkomen verkeerd.
Dit eenvoudige voorbeeld raakt aan een fascinerend inzicht uit de moderne neurowetenschap: onze hersenen registreren de werkelijkheid niet simpelweg zoals een camera dat doet. Ze proberen voortdurend te voorspellen wat er aan de hand is en gebruiken de informatie van onze zintuigen om die voorspellingen te controleren en zonodig bij te stellen. Deze benadering staat bekend als ‘predictive processing’, oftewel voorspellende verwerking. Voor het moderne stoïcisme is dit een interessant idee. Het kan ons helpen begrijpen waarom we zo gemakkelijk onze eigen interpretaties verwarren met de werkelijkheid, waarom emoties soms met ons aan de haal gaan en waarom het zo belangrijk is om onze eerste indrukken niet onmiddellijk voor waar aan te nemen.
We zien de werkelijkheid door de bril van ons brein. We zijn geneigd te denken dat onze zintuigen ons een min of meer rechtstreeks beeld van de wereld bezorgen. We zien een voorwerp, horen een geluid of voelen pijn en gaan ervan uit dat onze ervaring ons vertelt hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Toch is waarnemen ingewikkelder dan dat. Onze hersenen beschikken over verwachtingen die zijn gevormd door eerdere ervaringen, herinneringen en aangeleerde patronen. Die verwachtingen spelen een rol bij de manier waarop we nieuwe informatie interpreteren. Het brein probeert als het ware voortdurend vooruit te lopen op wat er waarschijnlijk gaat gebeuren.
Wanneer de informatie van onze zintuigen overeenkomt met onze verwachtingen, merken we daar vaak weinig van. Wanneer er een verschil ontstaat, kunnen we onze interpretatie aanpassen. We zien bijvoorbeeld iets wat we eerst voor een boomstronk hielden bewegen en ontdekken dat het een dier is. In de neurowetenschap worden verschillende modellen ontwikkeld om deze wisselwerking tussen voorspellingen en zintuiglijke informatie te verklaren. De precieze werking en reikwijdte van ‘predictive processing' zijn nog onderwerp van onderzoek. Het is dus geen definitief bewezen theorie die alle aspecten van de hersenwerking verklaart. Wel sluit het idee aan bij veel onderzoek waaruit blijkt dat verwachtingen, context en eerdere ervaringen onze waarneming beïnvloeden.
Dat heeft een belangrijke consequentie. Wat wij ervaren, is niet noodzakelijk een volledig en onbevooroordeeld beeld van de werkelijkheid. Onze waarneming wordt mede gevormd door de manier waarop ons brein de beschikbare informatie verwerkt. Dat betekent niet dat de buitenwereld slechts een verzinsel van onze hersenen is. De wereld stelt grenzen aan wat we kunnen waarnemen en denken. Ze kan ons verrassen, onze verwachtingen tegenspreken en ons dwingen onze overtuigingen bij te stellen. Maar we hebben geen ongefilterde toegang tot die wereld. We moeten het doen met de mogelijkheden en beperkingen van ons menselijke kenvermogen.
Voor het moderne stoïcisme wordt dit vooral interessant wanneer we kijken naar de invloed van emoties op onze oordelen. Stel dat u bang bent om afgewezen te worden. U ontmoet iemand die kortaf reageert. Misschien concludeert u onmiddellijk dat die persoon u niet mag. Een ander, die minder gevoelig is voor afwijzing, kan precies dezelfde reactie heel anders interpreteren. Die denkt wellicht dat de ander moe is of met zijn gedachten ergens anders zit. De situatie is hetzelfde, maar de betekenis die beide personen eraan geven, verschilt. Dat verschil hoeft niet bewust tot stand te komen. Uw verwachtingen kunnen al invloed hebben op uw interpretatie voordat u er goed over hebt nagedacht. Wanneer u afwijzing verwacht, let u mogelijk sterker op aanwijzingen die uw vermoeden bevestigen. Ondertussen kunt u signalen die erop wijzen dat er niets aan de hand is gemakkelijker over het hoofd zien. Zo kan een zichzelf versterkend proces ontstaan. U verwacht afwijzing, interpreteert een neutrale reactie als afwijzing en voelt zich daardoor gekwetst. Vervolgens gaat u contact vermijden, waardoor u minder mogelijkheden krijgt om te ontdekken dat uw oorspronkelijke interpretatie misschien niet klopte.
Hetzelfde kan gebeuren bij angst voor ziekte, financiële problemen, conflicten of de toekomst. Wie bang is om ernstig ziek te worden, kan iedere lichamelijke sensatie als een mogelijk symptoom ervaren. Wie vreest zijn baan te verliezen, kan een kritisch gesprek met een leidinggevende interpreteren als het begin van het einde. Dat betekent niet dat zulke gevaren nooit werkelijk bestaan. Soms is onze angst terecht en moeten we ernaar handelen. Het probleem ontstaat wanneer we de overtuigingskracht van onze angst verwarren met de betrouwbaarheid van onze interpretatie. Een gedachte kan buitengewoon overtuigend aanvoelen zonder dat ze waar is. Een vermoeden kan zich aandienen alsof het een feit betreft. En een angstig scenario kan in onze beleving al bijna werkelijkheid zijn geworden voordat er voldoende aanwijzingen voor bestaan. Het is daarom verstandig om onderscheid te maken tussen wat we waarnemen, wat we daaruit afleiden en wat we vrezen. Dat onderscheid vormt een belangrijk aanknopingspunt voor een moderne stoïcijnse levenshouding.
De stoïcijnen hadden dit probleem al herkend. Ze wisten natuurlijk niets van moderne neurowetenschappelijke theorieën, maar hielden ze zich wel degelijk bezig met de vraag hoe onze indrukken en oordelen tot stand komen. Epictetus maakt in zijn onderwijs onderscheid tussen een indruk en de instemming die we eraan geven. We worden voortdurend geconfronteerd met indrukken die zich aan ons opdringen. Sommige zijn zintuiglijk, andere bestaan uit gedachten, verwachtingen of interpretaties van gebeurtenissen. Wanneer iemand ons beledigt, kan onmiddellijk de indruk ontstaan dat we onrechtvaardig behandeld zijn. Wanneer we een onbekend geluid horen, kan de gedachte opkomen dat er gevaar dreigt. En wanneer iemand ons niet groet, kunnen we de indruk krijgen dat die persoon ons bewust negeert. Die eerste indruk is echter niet hetzelfde als een bewezen feit. We kunnen onderzoeken of de interpretatie terecht is voordat we haar volledig aanvaarden. In de stoïcijnse traditie speelt daarom de instemming met onze indrukken een belangrijke rol. We hoeven niet iedere gedachte en ieder gevoel dat bij ons opkomt onmiddellijk te geloven. We kunnen leren om even stil te staan en ons af te vragen wat we eigenlijk weten.
Hier ligt een interessante overeenkomst met ‘predictive processing'. De neurologische theorie beschrijft hoe verwachtingen en binnenkomende informatie kunnen samenwerken bij de vorming van onze ervaring. Het stoïcisme richt zich op de manier waarop we met onze indrukken en oordelen omgaan. Het zijn verschillende benaderingen, maar ze wijzen op een vergelijkbaar praktisch probleem: onze onmiddellijke ervaring is niet automatisch een onfeilbare gids voor de werkelijkheid. De stoïcijnse oefening bestaat er dus niet in om iedere eerste indruk te onderdrukken. Dat zou nauwelijks mogelijk zijn en is ook niet nodig. Het gaat erom dat we leren onderzoeken welke betekenis we aan die indruk geven en of we voldoende redenen hebben om die betekenis te aanvaarden.
Hoe kunnen we dit inzicht in de praktijk brengen? Een bruikbare methode is om bij een sterke emotionele reactie een paar eenvoudige vragen te stellen. Wat heb ik daadwerkelijk waargenomen? Wat heb ik daar zelf aan toegevoegd? Welke verwachtingen of angsten spelen mogelijk een rol? Welke andere verklaringen zijn denkbaar? En welke informatie zou mij ertoe kunnen brengen mijn oordeel te herzien? De volgende keer dat u ergens sterk op reageert, kunt u uzelf vijf vragen stellen:
Wat heb ik daadwerkelijk waargenomen?
Welke interpretatie heb ik daar onmiddellijk en automatisch aan gegeven?
Welke verwachting, herinnering of angst kan mijn interpretatie beïnvloeden?
Welke andere verklaringen passen bij de beschikbare informatie?
Welk bewijs zou mij ertoe brengen mijn oordeel te herzien?
Het gaat niet om het vinden van een gegarandeerd juist antwoord. Het gaat om het ontwikkelen van een gewoonte: u maakt onderscheid tussen wat er gebeurt, wat u denkt dat er gebeurt en wat u daarover kunt weten. Dat is tegelijk een stoïcijnse oefening en een manier om rekening te houden met wat we leren over de menselijke waarneming. Stel, bijvoorbeeld, dat een vriend niet reageert op een bericht dat u hebt gestuurd. Misschien denkt u onmiddellijk dat hij geen belangstelling meer voor u heeft. U voelt zich afgewezen en besluit dat u voortaan maar geen moeite meer moet doen. Een modern stoïcijn probeert niet simpelweg de tegenovergestelde gedachte aan te nemen. Hij hoeft zichzelf niet wijs te maken dat zijn vriend ongetwijfeld druk is of dat alles wel goed zal komen. Ook dat zou een ongefundeerde conclusie kunnen zijn. In plaats daarvan maakt hij onderscheid tussen de feiten en zijn interpretatie. Het feit is dat er nog geen reactie is gekomen. De gedachte dat de vriend geen belangstelling meer heeft, is een mogelijke verklaring, maar niet de enige. Misschien heeft hij het bericht nog niet gelezen, is hij druk of weet hij niet goed wat hij moet antwoorden. De stoïcijn erkent dat hij de situatie nog niet volledig begrijpt. Hij kan besluiten even af te wachten of op een later moment contact op te nemen. Hij hoeft zich niet alvast te laten beheersen door een conclusie waarvoor nog onvoldoende bewijs bestaat. Deze houding is geen ontkenning van emoties. U mag teleurgesteld, bezorgd of verdrietig zijn. De vraag is niet of u die gevoelens wel zou mogen hebben, maar of de gedachten die ermee samengaan voldoende grond hebben. Dat onderscheid is belangrijk. We kunnen onze eerste emotionele reactie vaak niet rechtstreeks bepalen, maar we kunnen wel leren om de interpretaties die ermee gepaard gaan kritisch te onderzoeken. Dat vraagt oefening, want onze automatische reacties zijn niet zomaar verdwenen omdat we rationeel begrijpen hoe ze werken.

Door AI gegenereerde afbeelding
Het zou een misverstand zijn om te denken dat ons brein ons voortdurend probeert te misleiden. Voorspellende verwerking is geen defect dat we moeten zien te verhelpen. Het vermogen om verwachtingen te vormen is juist essentieel om in een ingewikkelde wereld te kunnen functioneren. Zonder eerdere ervaringen zouden we iedere situatie opnieuw moeten onderzoeken alsof we de wereld voor het eerst zagen. We zouden nauwelijks kunnen leren, plannen of snel reageren op gevaar. Verwachtingen maken het mogelijk om betekenis te geven aan de enorme hoeveelheid informatie die voortdurend op ons afkomt.
Ook angst kan nuttig zijn. Wie een naderende auto niet opmerkt, heeft weinig aan een filosofische beschouwing over de feilbaarheid van zijn waarneming. Soms moeten we onmiddellijk handelen. Het is verstandig om bij onzekerheid rekening te houden met mogelijke gevaren, zeker wanneer de gevolgen van een vergissing groot kunnen zijn. De kunst is daarom niet om iedere verwachting te wantrouwen, maar om te leren wanneer een verwachting betrouwbaar genoeg is en wanneer we voorzichtig moeten zijn met onze conclusies. Daarbij speelt ook de betrouwbaarheid van informatie een rol. Een vaag geluid in het donker biedt minder zekerheid dan een duidelijk zichtbare auto die recht op ons afkomt. We mogen onze conclusies laten afhangen van de kwaliteit van de aanwijzingen die we hebben. Een modern stoïcijn probeert dus niet overal aan te twijfelen. Hij probeert zijn overtuigingen af te stemmen op de beschikbare informatie. Soms is een snelle beslissing nodig; soms is het beter om meer gegevens te verzamelen. Wijsheid bestaat mede uit het herkennen van dat verschil.
Als onze waarneming door verwachtingen en interpretaties wordt beïnvloed, hoe kunnen we dan ooit betrouwbare kennis verwerven? Moeten we concluderen dat iedereen gevangen zit in zijn eigen voorstelling van de wereld? Dat zou te ver gaan. We beschikken over verschillende manieren om onze persoonlijke beperkingen te corrigeren. We kunnen onze ervaringen vergelijken met die van anderen, meetinstrumenten gebruiken, experimenten uitvoeren en onderzoeken of onze verklaringen standhouden wanneer we er voorspellingen mee doen. Een thermometer kan aantonen dat de temperatuur anders is dan we dachten te voelen. Een experiment kan een overtuiging weerleggen die ons volkomen vanzelfsprekend leek. Een ander persoon kan ons wijzen op informatie die we zelf over het hoofd hebben gezien.
Wetenschap heft de beperkingen van onze waarneming niet op, maar helpt wel ons ze te compenseren. Objectiviteit is daarom misschien minder een eigenschap die een individu volledig bezit dan een ideaal waarnaar we gezamenlijk kunnen streven. Ook dat past goed bij het moderne stoïcisme. Wie zijn eigen feilbaarheid erkent, heeft minder reden om iedere overtuiging krampachtig te verdedigen. Hij kan openstaan voor kritiek, bereid zijn zijn mening te herzien en erkennen dat anderen soms iets zien wat hij zelf niet heeft opgemerkt. Dat vraagt niet om een houding waarin alle meningen evenveel waard zijn. Sommige verklaringen zijn beter onderbouwd dan andere. Juist daarom moeten we bereid zijn onze overtuigingen te toetsen aan feiten, argumenten en ervaringen. Intellectuele bescheidenheid betekent niet dat we niets kunnen weten. Ze betekent dat we onderscheid maken tussen wat we weten, wat we redelijkerwijs aannemen en wat we nog niet begrijpen.
De theorie van ‘predictive processing’ roept ook een bredere filosofische vraag op. Als ons brein de informatie uit de wereld steeds interpreteert, kennen we dan ooit de werkelijkheid zoals die onafhankelijk van ons bestaat? Dat is een moeilijke vraag waarop ‘predictive processing' zelf geen definitief antwoord geeft. De theorie kan ons helpen begrijpen hoe onze ervaring tot stand komt, maar daaruit volgt niet dat de buitenwereld slechts een constructie van onze hersenen is. Hier kunnen we een verbinding leggen met Immanuel Kant. Hij betoogde dat wij de werkelijkheid kennen zoals zij aan ons verschijnt binnen de voorwaarden van ons menselijke kenvermogen. We kunnen volgens hem niet zonder meer vaststellen hoe de werkelijkheid onafhankelijk van die voorwaarden op zichzelf is. De overeenkomst met ‘predictive processing' is interessant, maar moet niet worden overdreven. Kant ontwikkelde een filosofische theorie over de voorwaarden van menselijke kennis; neurowetenschappers onderzoeken biologische processen die bijdragen aan waarneming. De ene benadering bewijst de andere niet.
Voor het moderne stoïcisme is de praktische les misschien belangrijker dan het uiteindelijke metafysische antwoord. We hoeven niet te weten of we ooit toegang krijgen tot de werkelijkheid zoals zij op zichzelf is om onze overtuigingen zorgvuldiger te kunnen onderzoeken. We kunnen erkennen dat onze kennis beperkt is en tegelijkertijd blijven zoeken naar betere verklaringen. We kunnen onzekerheid verdragen zonder in relativisme te vervallen. En we kunnen openstaan voor nieuwe inzichten zonder iedere nieuwe theorie onmiddellijk als waarheid te aanvaarden. ‘Predictive processing' herinnert ons eraan dat onze ervaring niet hetzelfde is als een neutrale registratie van de wereld. Ons brein interpreteert voortdurend informatie, gebruikt eerdere ervaringen en vormt verwachtingen over wat er waarschijnlijk aan de hand is. Dat vermogen is onmisbaar, maar kan ons ook op het verkeerde been zetten.
Voor het modern stoïcisme biedt dit een waardevolle aanvulling op een oude filosofische oefening. We hoeven niet iedere indruk te geloven die bij ons opkomt. We kunnen onderzoeken wat we daadwerkelijk weten, welke aannames we maken en hoe betrouwbaar onze conclusies zijn. Daarbij gaat het niet om het bereiken van een toestand waarin we nooit meer worden misleid door onze eigen gedachten. Dat is waarschijnlijk een onhaalbaar ideaal. Het gaat erom dat we onze feilbaarheid leren herkennen en onze oordelen steeds opnieuw toetsen. Misschien kunnen we onze eerste indrukken niet altijd kiezen. We kunnen wel oefenen in de manier waarop we ermee omgaan. We kunnen leren om niet iedere angst als bewijs voor gevaar te beschouwen, niet iedere gedachte als een feit te behandelen en niet iedere overtuiging te verdedigen alsof ons leven ervan afhangt. Dat maakt ons niet alleen verstandiger, maar kan ons ook helpen om rechtvaardiger en menselijker met anderen om te gaan. Wie beseft dat zijn eigen interpretatie onjuist kan zijn, zal minder snel over anderen oordelen zonder voldoende informatie. Hij zal eerder vragen stellen, beter luisteren en bereid zijn zijn oordeel te herzien. De moderne stoïcijn hoeft zijn brein dus niet te bestrijden. Hij kan het beschouwen als een onmisbaar instrument dat uitstekend werk verricht, maar niet onfeilbaar is. Juist daarom blijft onderzoek nodig. Wijsheid is niet dat we blindelings vertrouwen op wat ons brein ons vertelt, maar dat we leren onderzoeken of het verhaal dat ons brein vertelt voldoende overeenkomt met de beschikbare feiten.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten