zaterdag 3 oktober 2026

Magere Hein uw glimlachende vriend

 Kijk eens achterom. U zult daar een voortdurende metgezel zien lopen. Iemand die u nooit verlaat, nooit ver weg is en die u overal naartoe vergezelt. Het is Magere Hein: uw eigen dood. U kunt proberen hem te negeren. U kunt hem vrezen, voor hem weglopen of doen alsof hij niet bestaat. Maar u kunt ook iets anders doen: u kunt hem leren kennen. U kunt hem zelfs gebruiken als gids. De dood is immers niet alleen het einde van het leven. Het besef van de dood kan ons ook leren hoe we moeten leven.



Met AI gegenereerde afbeelding


Uw dagen zijn geteld. Iedere dag worden er overal ter wereld mensen geboren en sterven er mensen. Sommigen leven slechts enkele uren of dagen, anderen bereiken een hoge ouderdom. Niemand van ons weet hoeveel tijd hem nog rest. Misschien tientallen jaren, misschien enkele jaren, misschien slechts een paar dagen. Dat is geen reden voor somberheid. Het is een reden om wakker te worden. Want als onze tijd beperkt is, wordt de vraag belangrijker wat we met die tijd doen. Wat maakt ons leven de moeite waard? Voor een stoïcijn ligt het antwoord niet in een zo lang mogelijk leven, zoveel mogelijk bezit of zoveel mogelijk aangename ervaringen. De waarde van een leven wordt bepaald door de manier waarop het wordt geleefd: door wijsheid, moed, rechtvaardigheid en zelfbeheersing. Anders gezegd: door virtuositeit. De dood herinnert ons eraan dat we daar niet eindeloos mee kunnen wachten.


Het stoïcisme heeft geen behoefte aan geruststellende sprookjes over een gegarandeerd hiernamaals. De oude stoïcijnen verschilden onderling overigens in hun opvattingen over wat er na de dood gebeurt. Sommigen hielden rekening met een voortbestaan van de ziel, anderen met een uiteindelijk verdwijnen van het individu. Maar voor de praktische filosofie maakt dat verschil minder uit dan u misschien zou denken. Want wat er na de dood gebeurt, ligt niet in onze macht. Wat wél in onze macht ligt, is wat we met het leven doen zolang het er is. De stoïcijnen besteedden daarom opvallend veel aandacht aan de dood. Niet omdat zij morbide waren, maar juist omdat zij begrepen dat sterfelijkheid een van de belangrijkste feiten van het menselijk bestaan is. Seneca vond het zelfs de ultieme toetssteen voor zijn virtuositeit. Volgens hem ligt de dood niet in de toekomst, maar is het iets dat zich constant in het hier en nu manifesteert. In een brief aan zijn vriend Lucilius schrijft hij dit:


“Elke dag sterven we een beetje, want elke dag wordt er weer een nieuw stukje van ons leven afgesnoept. Wanneer we ouder worden wordt ons leven dus steeds een stukje kleiner. We zijn onze kleutertijd kwijt, onze kinderjaren en ook onze jeugd is allang vervlogen. Zelfs het moment waarop we nu leven, moeten we delen met de dood. Een waterklok raakt niet leeg door de laatste druppel die eruit valt, maar door alles wat er eerder al uitgestroomd is en zo eindigt ook een leven niet door het laatste uur, maar door alle daarvoor verlopen uren. Ons laatste uur is niets meer dan het moment waarop wij ophouden te bestaan, een moment waarnaar we allang op weg waren.” (Seneca, brieven aan Lucilius, brief XXIV-20)


Seneca schrijft hier dat we elke dag een beetje sterven, want elke dag wordt er weer een nieuw stukje van ons leven afgesnoept. Vervolgens vergelijkt hij het leven met een waterklok. Het is niet de laatste druppel die de klok leegmaakt; alle eerdere druppels zijn al verdwenen. Zo brengt ook het laatste uur niet plotseling de dood. Het voltooit slechts een proces dat al vanaf onze geboorte gaande is. Dat is een opmerkelijke gedachte. We denken gewoonlijk aan de dood als iets wat ergens aan het einde van ons leven op ons wacht. Alsof het leven hier is en de dood daar, aan de andere kant van een denkbeeldige grens. Seneca draait dat perspectief om. De dood is niet alleen een toekomstige gebeurtenis. Hij is ook het voortdurend verdwijnen van onze verstreken tijd. Onze jeugd is al gestorven. Onze kindertijd komt nooit meer terug. Gisteren is voorgoed verdwenen. Ook de tijd die u zojuist met het lezen van deze blog hebt doorgebracht, is inmiddels verleden tijd. Dat klinkt misschien somber, maar het kan ook bevrijdend zijn. Want als tijd werkelijk verloren gaat zodra hij voorbij is, wordt het huidige moment kostbaar.


De Romeinen kenden de uitdrukking ‘memento mori’: herinner u dat u zult sterven. Het is gemakkelijk om die woorden te begrijpen als een sombere waarschuwing: Geniet maar, want straks ben je dood. Maar de stoïcijnse betekenis kan veel interessanter worden opgevat. ‘Memento mori' betekent niet alleen: “Vergeet niet dat je zult sterven.” Het betekent ook: “Vergeet niet dat je leeft.” Het ‘memento mori’ is dan ook eigenlijk een ‘memento vivere.’ De dood geeft het leven een grens. En juist die grens maakt keuzes noodzakelijk. Stel dat u eeuwig zou leven. Dan zou uitstel nauwelijks een probleem zijn. U zou morgen kunnen beginnen. En als morgen niet uitkomt, overmorgen. Als overmorgen niet lukt, volgend jaar. Maar u leeft niet eeuwig. Daarom is iedere keuze tegelijk een afscheid van andere mogelijkheden. Wanneer u een uur besteedt aan iets wat u werkelijk belangrijk vindt, kunt u dat uur niet meer besteden aan iets anders. Wanneer u jarenlang leeft volgens de verwachtingen van anderen, krijgt u die jaren niet terug om alsnog uw eigen leven te beginnen. Dat maakt tijd misschien wel het kostbaarste bezit dat we hebben. En toch behandelen we haar vaak alsof ze onbeperkt beschikbaar is. Wat zou u doen als u wist dat u nog één jaar had?


Een klassieke stoïcijnse oefening is de ‘premeditatio malorum': vooruitdenken over wat er mogelijk mis kan gaan. De dood hoort daar vanzelfsprekend bij. Maar u kunt deze oefening ook op een andere manier gebruiken. Stel u voor dat u te horen krijgt dat u nog precies één jaar te leven hebt. Niet om uzelf bang te maken. En ook niet om onmiddellijk uw huis te verkopen, uw baan op te zeggen en met een rugzak de wereld rond te trekken. Vraag uzelf eenvoudig af: Wat zou ik anders doen? Welke dingen zouden plotseling onbelangrijk lijken? Welke zorgen zou u niet meer de moeite waard vinden? Aan welke mensen zou u meer tijd willen besteden? Welke dingen zou u eindelijk willen doen? Welke ruzies zou u willen bijleggen? Welke dromen hebt u steeds naar later verschoven? En misschien nog belangrijker: Welke dingen doet u nu vooral omdat u denkt dat anderen verwachten dat u ze doet? De oefening is niet bedoeld om op al die vragen onmiddellijk drastische antwoorden te geven. De bedoeling is dat u ontdekt welke waarden werkelijk belangrijk voor u zijn. De dood kan op die manier een verrassend goede levenscoach worden.


Zo kan de dood uw bevrijder worden. Het besef van sterfelijkheid kan ons bovendien bevrijden van een merkwaardige vorm van slavernij: de voortdurende behoefte aan goedkeuring. We zijn geneigd ons druk te maken over wat anderen van ons vinden. We vergelijken onszelf met anderen. We willen succesvol zijn, interessant, rijk, aantrekkelijk, gerespecteerd en maatschappelijk geslaagd. Maar stel u eens voor dat u op uw sterfbed ligt. Zal het dan nog belangrijk zijn dat uw buren vonden dat uw auto ouderwets was? Zal het belangrijk zijn dat iemand u ooit op een feestje een beetje vreemd vond? Zal het belangrijk zijn dat u niet genoeg bezit hebt verzameld? Zal het aantal mensen dat u op sociale media bewonderde nog enige betekenis hebben? Waarschijnlijk niet. Wat dan overblijft, zijn de zaken die werkelijk betekenis hadden: de mensen van wie u hield, de mensen voor wie u iets betekende, de dingen die u hebt geleerd, de ervaringen die u hebt opgedaan en vooral de manier waarop u uzelf en anderen gedurende uw leven hebt behandeld.


Daarmee raakt het ‘memento mori’ rechtstreeks aan de stoïcijnse leer van de ‘adiaphora’, de leer van de in principe onbelangrijke maar toch geprefereerde zaken. Geld, bezit, gezondheid, status, plezier en een lang leven kunnen allemaal waardevol zijn. Maar ze zijn geen voorwaarden voor een goed karakter. Ze zijn geen garantie voor geluk en evenmin volledig in onze macht. De dood maakt dat genadeloos duidelijk. U kunt uw gezondheid niet volledig beheersen. U kunt uw levensduur niet beheersen. U kunt niet bepalen hoe anderen over u denken. U kunt zelfs niet garanderen dat uw zorgvuldig opgebouwde plannen werkelijkheid worden. Maar u kunt wel proberen verstandig te leven met wat u krijgt.


De volgende keer dat u wikt en weegt en u afvraagt wanneer u eindelijk eens het heft van uw leven in eigen hand zult nemen, stelt u zich dan eens de volgende vraag: ‘Hoe lang zal ik dood zijn en hoe lang ben ik al dood geweest’? Want ja, voor uw geboorte was u ook al dood. Het antwoord zal zijn: eeuwig. De eeuwen voor uw geboorte heeft u niet bestaan en de eeuwen na uw dood zult u opnieuw niet bestaan. Met dat eeuwige perspectief voor ogen kunt u nu een eigen keus maken en al dat getob, de angst, de vraag of u zich iets wel of niet kunt veroorloven en al uw schuldgevoelens over laten aan hen die wel het eeuwige leven hebben. Als u dergelijke stappen niet gaat zetten, staat u te wachten dat u uw leven, uw hele leven, zult leiden zoals anderen zeggen dat u leven moet. Uw verblijf op Aarde is slechts kort. Het is uw leven, doe ermee wat u wilt en maak er een feest van.


Wacht daarom niet met leven. Een van de merkwaardigste menselijke eigenschappen is dat we vaak leven alsof het echte leven later begint. Als ik meer geld heb. Als ik met pensioen ben. Als het huis af is. Als de kinderen groot zijn. Als mijn gezondheid beter is. Als ik wat meer tijd heb. Als ik eindelijk weet wat ik wil. Maar ondertussen stroomt de waterklok leeg. Er komt geen apart moment waarop iemand u officieel toestemming geeft om te beginnen met leven. Het leven is al bezig. Dat betekent overigens niet dat u al uw verplichtingen moet laten vallen en uitsluitend moet doen waar u op dit moment zin in hebt. Dat zou nauwelijks stoïcijns zijn. De stoïcijn vraagt niet: “Waar heb ik zin in?”, maar eerder: “Wat is hier, gegeven de omstandigheden, het verstandige en virtuoze om te doen?” Soms betekent dat werken. Soms zorgen voor een ander. Soms juist rust nemen. Soms een moeilijke beslissing nemen. Soms een verplichting nakomen waar u helemaal geen zin in hebt. En soms betekent het eenvoudigweg: genieten van het feit dat u hier bent. De kunst is niet om zoveel mogelijk uit het leven te halen, maar om zo goed mogelijk te leven met het leven dat u daadwerkelijk hebt gekregen.


Epictetus gebruikt daarvoor een prachtige vergelijking. Hij vergelijkt het leven met een festival, en in het bijzonder met de Olympische Spelen. Voor de oude Grieken waren die wedstrijden niet alleen een sportevenement, maar een enorm publiekspektakel. Epictetus was gek op sport en bezocht graag de Olympische Spelen. Er wordt zelfs gezegd dat hij zijn school expres in Nicopolis niet al te ver van Delphi stichtte om zo makkelijker naar de wedstrijden te kunnen kijken. De Olympische Spelen waren in die tijd trouwens meer dan sport alleen, er werden ook wedstrijden in filosofie, muziek en toneel gehouden. Hij spoorde zijn leerlingen aan om van de wedstrijden te genieten zonder een voorkeur te hebben voor wie zou winnen. Epictetus gebruikte de Olympische Spelen regelmatig als beeldspraak voor het menselijk bestaan. In een van zijn gesprekken beschrijft hij hoe wij ons moeten gedragen wanneer we ons midden in de drukte bevinden. Mensen duwen elkaar, er is lawaai, iedereen roept iets anders en het is een drukte van belang. Maar wie naar Olympia komt, weet dat dit onderdeel van het festival is. Je kunt niet tegelijkertijd deelnemen aan het festival en klagen over het feit dat er mensen aanwezig zijn. Dat is een buitengewoon stoïcijnse gedachte. Stel u voor dat u naar een groot muziekfestival gaat. U koopt een kaartje, loopt het terrein op en ontdekt vervolgens dat het druk is. Mensen lopen tegen u aan. Iemand morst bier over uw jas. Het geluid is soms te hard. Een artiest begint later dan gepland. Het eten is duur. Iemand voor u is veel te lang en u ziet het podium nauwelijks. U kunt de hele avond klagen. Maar u kunt ook denken: Dit is het festival. De drukte is geen vergissing in het programma. De drukte is onderdeel van het programma. 


Hetzelfde geldt voor het leven. Er zullen mensen zijn die u teleurstellen. Dingen zullen kapotgaan. Uw lichaam zal ouder worden. Plannen zullen mislukken. Mensen zullen zich onredelijk gedragen. Soms zit het mee en soms zit het tegen. Dat betekent niet dat alles wat er gebeurt goed is of dat u alles maar passief moet accepteren. Een stoïcijn mag ingrijpen, protesteren, helpen, veranderen, beschermen en handelen. Maar hij probeert daarbij onderscheid te maken tussen wat hij kan beïnvloeden en wat hij uiteindelijk niet kan beheersen. Als het regent op een festival, kunt u een jas aantrekken. U kunt niet onderhandelen met de wolken.


De festival metafoor bevat nog een tweede belangrijke les. Wanneer u naar een voorstelling kijkt, bent u tegelijkertijd deelnemer en toeschouwer. U doet mee, maar u hoeft niet ieder moment persoonlijk op te vatten. Dat is precies wat de stoïcijn probeert te leren. Wanneer iemand u beledigt, kunt u reageren. Wanneer iemand u onrecht aandoet, kunt u handelen. Wanneer u ziek wordt, kunt u medische hulp zoeken. Wanneer een plan mislukt, kunt u een nieuw plan maken. Maar tussen gebeurtenis en reactie zit een kleine ruimte. In die ruimte bevindt zich uw vrijheid. Daar kunt u uzelf afvragen: Wat gebeurt hier eigenlijk? Welk oordeel voeg ik er zelf aan toe? Wat ligt binnen mijn invloed? Wat is nu de verstandige en virtuoze reactie? De dood herinnert ons eraan dat die ruimte niet eeuwig beschikbaar is.


Misschien moeten we daarom een ander beeld van Magere Hein proberen te ontwikkelen. Niet de grijnzende figuur met de zeis die achter ons aan zit. Maar een stille metgezel. Iemand die ons af en toe op de schouder tikt en zegt: “Dit moment krijg je niet terug.” “Die persoon tegenover je is niet eeuwig bij je.” “Je lichaam blijft niet altijd zo.” “Deze dag komt nooit meer terug.” “Waar ben je eigenlijk mee bezig?” Dat is geen dreigement. Het is een uitnodiging. De dood zegt niet noodzakelijk: “Haast je!” Hij zegt eerder: “Let op.” Let op wat u doet. Let op met wie u uw tijd doorbrengt. Let op wat u belangrijk vindt. Let op hoeveel van uw leven u besteedt aan zaken die u eigenlijk helemaal niet belangrijk vindt. En vooral: let op het leven zelf. Want misschien is dat wel de grootste paradox van het ‘memento mori'. Wie voortdurend aan de dood denkt, hoeft niet voortdurend met de dood bezig te zijn. Het doel is juist om de dood een plaats te geven, zodat het leven niet voortdurend door angst voor de dood wordt overschaduwd. De dood is de grens van het leven. Maar binnen die grens bevindt zich alles wat u ooit zult meemaken.


Maak daarom een feest van uw leven. U weet niet hoe lang uw festival duurt. Misschien nog vijftig jaar. Misschien tien. Misschien één. U kent het programma niet. U weet niet welke mensen u nog zult ontmoeten, welke verliezen u zult meemaken, welke verrassingen u te wachten staan en welke gebeurtenissen u nooit had kunnen voorzien. Maar u bent hier. Nu op dit moment. De muziek speelt al. De mensen zijn al binnen. Het publiek maakt lawaai. Sommigen zullen u voor de voeten lopen. Anderen zullen met u meedansen. Er zal regen zijn en zonneschijn, verveling en opwinding, verdriet en vreugde, verlies en onverwachte schoonheid. U kunt de hele voorstelling klagen omdat het programma niet precies verloopt zoals u had gehoopt. Of u kunt wakker worden. Om u heen kijken. De mensen zien. Luisteren naar de muziek. De gebeurtenissen aandachtig ondergaan. Doen wat van u gevraagd wordt. Helpen waar u kunt. Genieten waar dat mogelijk is. En wanneer het moment komt waarop u het festival moet verlaten, kunt u hopelijk zeggen: Ik was erbij. Ik heb opgelet. Ik heb meegedaan. Ik heb geprobeerd er iets moois van te maken. De glimlachende metgezel loopt al die tijd met u mee. Misschien is het niet nodig hem weg te jagen. Misschien is het juist goed om af en toe naast hem te lopen. Want wie weet dat het feest eindig is, kan eindelijk beginnen het feest werkelijk te vieren.