Voor een stoïcijn is iedereen gelijk. Mensen zijn principieel gelijkwaardig aan elkaar. Omdat alle mensen, en zelfs alle bewuste wezens, deel uitmaken van één universum, is voor de stoïcijn niemand principieel een vreemdeling. Wanneer iemand in nood is, denk aan een vluchteling of een slachtoffer van een oorlog of natuurramp, dan beschouwt een stoïcijn het als zijn natuurlijke taak om hem voozover mogelijk te helpen. Musonius Rufus zei:
Voor de mens is het kwade: onrechtvaardigheid, wreedheid en onverschilligheid voor de noden van een naaste. Het goede is: vriendschap, rechtvaardigheid, weldadigheid en zorg voor het welzijn van je medemens.
(Diatriben 14)
Ongevoeligheid voor het lot van een ander is voor een stoïcijn verwerpelijk. Maar, let wel, dat is iets anders dan medelijden. Stoïcijnen hebben compassie met anderen en willen hen zo veel mogelijk bijstaan, maar zoals we in eerdere blogs gezien hebben is letterlijk met ze meelijden weer iets heel anders. Binnen de stoïcijnse filosofie wordt geen onderscheid gemaakt tussen mensen. Er bestaat geen verschil dat rechtvaardigt dat de één slechter wordt behandeld dan de ander. We moeten elkaar allereerst zien als medemens. Dat geldt ongeacht nationaliteit, afkomst, huidskleur of gender. In de tijd van Musonius Rufus was dat een opmerkelijk vooruitstrevend standpunt. De gangbare opvatting was immers dat niet-Romeinen onbeschaafde barbaren waren en dat vrouwen te emotioneel zouden zijn om filosofie te beoefenen. De stoïcijnen verwierpen dergelijke vooroordelen. Zelfs iemand die hen onrecht had aangedaan, bleef voor hen in de eerste plaats een medemens.
Het gelijkheidsdenken zit in het stoïcisme ingebakken. Voor de natuurwetten van de logos zijn alle mensen gelijk; ieder redelijk wezen maakt deel uit van dezelfde kosmische orde. De stoïcijn is daarom niet alleen burger van zijn stad of zijn land, maar ook van de kosmopolis: de wereldgemeenschap van alle redelijke wezens.
Hoe kunt u die universele verbondenheid in de praktijk brengen? De stoïcijn Hiërocles gaf hierop een antwoord met zijn beroemde theorie van de concentrische cirkels. Hij vraagt u uzelf voor te stellen als het middelpunt van een reeks denkbeeldige cirkels die al uw verschillende relaties vertegenwoordigen. In het centrum bevindt zich uw eigen ik. Daaromheen ligt de cirkel van uw naaste familie: ouders, partner, kinderen, broers en zussen. De volgende cirkel omvat verdere familieleden, daarna volgen vrienden, buren en collega's. Vervolgens komt de gemeenschap waarin u leeft, daarna uw land en uiteindelijk de gehele mensheid en in principe zelfs alle bewuste wezens.
Hiërocles verbindt hieraan een opmerkelijke morele opdracht. De bedoeling is niet om de cirkels te behouden zoals ze zijn, maar om ze steeds dichter naar het middelpunt toe te trekken. Met andere woorden: probeer mensen die ver van u af staan steeds meer te behandelen alsof zij tot uw naaste kring behoren. De vreemdeling wordt een buur, de buur wordt een vriend en uiteindelijk wordt ieder mens iemand met wie u zich verbonden voelt.
Deze oefening sluit rechtstreeks aan bij het stoïcijnse begrip oikeiôsis: het natuurlijke proces waarbij wij steeds meer mensen als 'eigen' leren beschouwen. Wat begint als zelfzorg, groeit uit tot zorg voor de familie, de samenleving en uiteindelijk de gehele mensheid. Rechtvaardigheid is vanuit dit perspectief geen opgelegde plicht, maar de natuurlijke voltooiing van onze menselijke ontwikkeling.
Opmerkelijk genoeg vinden we een zeer vergelijkbare oefening terug in het boeddhisme: de mettā-meditatie, meestal vertaald als liefdevolle vriendelijkheid of welwillendheid. Tijdens deze meditatie richt men eerst gevoelens van vriendelijkheid op zichzelf. Vervolgens worden dezelfde gevoelens uitgebreid naar een geliefde, daarna naar een bekende, vervolgens naar een neutraal persoon, daarna naar iemand met wie men een moeilijke relatie heeft en uiteindelijk naar alle levende wezens zonder uitzondering. Het doel is niet om sterke emoties op te wekken, maar om de natuurlijke neiging om onderscheid te maken tussen 'wij' en 'zij' geleidelijk te doorbreken. Men leert dezelfde fundamentele welwillendheid te ontwikkelen tegenover iedereen.
Hoewel het stoïcisme en het boeddhisme verschillende filosofische uitgangspunten hebben, is de praktische overeenkomst opvallend groot. De boeddhist probeert grenzeloze liefdevolle vriendelijkheid te ontwikkelen omdat alle wezens lijden en verlangen naar geluk. De stoïcijn probeert zijn kring van zorg uit te breiden omdat alle mensen delen in dezelfde rede, dezelfde menselijke natuur en dezelfde kosmische gemeenschap. Waar de boeddhist spreekt over compassie, spreekt de stoïcijn over rechtvaardigheid; waar de boeddhist mettā cultiveert, spreekt de stoïcijn over oikeiôsis en sympatheia. Beide tradities proberen echter hetzelfde psychologische mechanisme te ontwikkelen: het steeds verder verruimen van onze morele horizon.
Moderne psychologische en neurowetenschappelijke studies naar compassietraining laten bovendien zien dat dergelijke oefeningen daadwerkelijk kunnen leiden tot meer empathie, prosociaal gedrag en een vermindering van vooroordelen. Daarmee lijken de intuïties van zowel Hiërocles als de boeddhistische meditatie opmerkelijk goed aan te sluiten bij hedendaagse wetenschappelijke inzichten. Zo’n stoïcijnse mettā-meditatie, of meditatie van Hiërocles, zou er als volgt uit kunnen zien.
Een modern stoïcijnse Hiërocles meditatie
Hiërocles beschreef vooral het doel van de oefening, maar werkte geen concrete meditatie uit. Geïnspireerd door de boeddhistische mettā-meditatie kan een moderne stoïcijn de volgende dagelijkse oefening doen.
Ga rustig zitten en haal enkele keren diep adem. Begin bij uzelf. Herinner uzelf eraan dat ook u een onvolmaakt mens bent die probeert wijzer en virtuoser te worden.
Moge ik vandaag wijs handelen.
Moge ik rechtvaardig zijn.
Moge ik moedig zijn.
Moge ik met zelfbeheersing leven.
Denk vervolgens aan iemand van wie u houdt.
Moge ook hij of zij groeien in wijsheid.
Moge hij of zij rechtvaardig handelen.
Moge hij of zij innerlijke rust vinden.
Moge hij of zij bijdragen aan het welzijn van anderen.
Verplaats uw aandacht daarna naar een kennis of collega.
Herinner uzelf eraan dat ook deze persoon verlangens, zorgen, teleurstellingen en hoop kent, net als u.
Breid de oefening vervolgens uit naar iemand met wie u moeite heeft.
U hoeft diens gedrag niet goed te keuren. Probeer slechts te beseffen dat ook deze persoon handelt vanuit zijn eigen, vaak onjuiste, opvatting van wat goed is. Zoals Marcus Aurelius schrijft, dwalen mensen meestal uit onwetendheid, niet uit kwaadaardigheid.
Wens ook hem of haar wijsheid, rechtvaardigheid en innerlijke ontwikkeling toe.
Tenslotte richt u uw aandacht op alle mensen.
Stel u de gehele mensheid voor als één gemeenschap van onderling verbonden wezens, die allemaal proberen een goed leven te leiden, vaak struikelend, soms falend, maar in wezen deel uitmakend van dezelfde menselijke familie.
Sluit de meditatie af met de woorden:
Mogen alle mensen groeien in wijsheid, moed, rechtvaardigheid en zelfbeheersing. Mogen wij elkaar steeds meer zien als leden van één menselijke gemeenschap en samen bijdragen aan een rechtvaardige, vreedzame en wijze wereld.
Hierin ligt misschien wel de grootste kracht van zowel Hiërocles als de boeddhistische mettā-meditatie. Beiden beseffen dat morele inzichten alleen niet voldoende zijn. We weten vaak heel goed wat juist is, maar ons gevoel blijft achter. Daarom is oefening nodig. Zoals een musicus zijn techniek ontwikkelt door dagelijks te oefenen, zo ontwikkelt een stoïcijn zijn rechtvaardigheid door dagelijks zijn kring van verbondenheid uit te breiden. Medemenselijkheid is geen aangeboren eindtoestand, maar een vaardigheid die getraind kan worden. Iedere keer dat wij bewust iemand iets meer als 'één van ons' gaan zien, trekken wij een van de cirkels van Hiërocles een stukje dichter naar het middelpunt. Juist daarin komt de stoïcijnse overtuiging tot uitdrukking dat virtuositeit niet alleen een manier van denken is, maar vooral een manier van leven.