Toen u jong was, had u waarschijnlijk grootse plannen met uw leven. U zou het helemaal gaan maken. U zou iets bijzonders bereiken, de wereld veranderen en laten zien wat u waard was. Misschien droomde u ervan een wereldberoemde popster of sportheld te worden, de nieuwe Einstein, een machtig leider of een steenrijke zakenman. Hoe dan ook, uw leven zou spannend, succesvol en avontuurlijk worden. Er lag een prachtige toekomst voor u open en u hoefde die alleen nog maar te veroveren. Het stoïcijnse streven naar zoiets ogenschijnlijk saais als virtuositeit, het ontwikkelen van wijsheid, moed, rechtvaardigheid en zelfbeheersing, paste misschien niet zo goed in dat plaatje. U wilde de wereld veroveren, niet uzelf leren beheersen. U wilde iets bereiken, niet leren tevreden te zijn met wat u al had. En waarom zou u ook genoegen nemen met minder? Als u maar hard genoeg uw best deed, zo was u immers altijd verteld, kon u vrijwel alles bereiken. Maar naarmate de jaren verstrijken, blijkt de werkelijkheid weerbarstiger dan de dromen van uw jeugd.
Volwassenheid leidt onvermijdelijk tot een ontnuchtering van uw jeugddromen. Het levenspad dat u hebt gekozen, blijkt een stuk moeilijker te zijn dan u had verwacht. Succes vereist niet alleen inspanning, maar is ook afhankelijk van omstandigheden waarop u nauwelijks invloed hebt. U kunt hard studeren en toch zakken voor een examen. U kunt uitstekend werk leveren en toch worden gepasseerd voor een promotie. U kunt over bijzondere muziektalenten beschikken en desondanks nooit doorbreken. Soms zit het tegen, soms hebt u pech en soms blijkt iemand anders eenvoudigweg beter te zijn.
Aanvankelijk probeert u die tegenvallers misschien te overwinnen door nog harder te werken. U verdubbelt uw inspanningen, besteedt meer tijd aan uw studie of carrière, bouwt een netwerk op en offert uw vrije tijd op aan uw ambities. U bent ervan overtuigd dat u uw doel uiteindelijk zult bereiken als u maar voldoende doorzettingsvermogen toont. Wanneer het gewenste resultaat uitblijft, ontstaat frustratie. Misschien wordt u boos op de wereld, op mensen die u dwarszitten of op uzelf. Misschien begint u zelfs aan uw eigen waarde te twijfelen. U hebt immers zo uw best gedaan. Waarom wordt u daar niet voor beloond? Een deel van het probleem ligt in de verwachtingen waarmee onze cultuur ons opzadelt. We krijgen vaak de indruk dat succes vooral een kwestie is van talent, inzet en de juiste instelling. Films, reclame en influencers houden ons voor dat wie iets werkelijk wil, het altijd zou kunnen bereiken. Tegenslagen zijn uitdagingen die u met voldoende wilskracht kunt overwinnen. Wie slaagt, heeft zijn succes verdiend; wie faalt, heeft kennelijk niet hard genoeg zijn best gedaan.
Dat is een aantrekkelijk verhaal, maar het is niet het hele verhaal. Inspanning vergroot vaak uw kansen op succes, maar biedt geen garantie. Gezondheid, afkomst, economische omstandigheden, talent, toevallige ontmoetingen en eenvoudigweg geluk spelen eveneens een rol. Bovendien zijn niet alle doelen voor iedereen bereikbaar, hoe hard iemand ook werkt. De keerzijde van de succesideologie is dat mensen die hun doelen niet bereiken gemakkelijk als verliezers worden beschouwd. Armoede, werkloosheid en andere tegenslagen worden dan afgedaan als hun eigen schuld. Daarmee vergeten we niet alleen hoeveel omstandigheden buiten onze macht liggen, maar ook dat een mens meer waard is dan zijn maatschappelijke prestaties. De stoïcijnen herinneren ons eraan dat we onderscheid moeten maken tussen onze inspanningen en de uitkomsten daarvan. We kunnen ons inzetten, leren, oefenen en verstandig handelen. We kunnen echter niet afdwingen dat de wereld ons daarvoor precies de beloning geeft waarop we hopen. Dat betekent niet dat we onze ambities moeten opgeven. Het betekent dat we moeten leren om onze ambities na te streven zonder ons levensgeluk volledig afhankelijk te maken van het resultaat.
Wanneer we de middelbare leeftijd bereiken, worden we vaak gedwongen de balans op te maken. Sommigen ontdekken dat hun jeugddromen grotendeels zijn mislukt. Ze zijn geen sportheld, popidool of succesvolle miljonair geworden. Hun leven is veel gewoner verlopen dan ze ooit hadden verwacht. De meesten hebben ondertussen wel degelijk iets opgebouwd. Ze hebben een baan, een inkomen, misschien een gezin en een comfortabel huis. Ze hebben verantwoordelijkheden gedragen, problemen opgelost en talloze alledaagse beslissingen genomen. Ze hebben liefgehad, gewerkt, voor anderen gezorgd en allerlei ervaringen opgedaan. Toch knaagt soms het gevoel dat er iets ontbreekt. Waar is het leven gebleven dat ze zich vroeger hadden voorgesteld? Waar is het avontuur? Waar is de opwinding? Waarom voelt het bereiken van een deel van hun doelen zoveel minder bevredigend dan ze hadden verwacht?
Zelfs mensen die hun ambities grotendeels hebben waargemaakt, kunnen met die vragen worden geconfronteerd. De succesvolle ondernemer ontdekt dat rijkdom niet automatisch rust en geluk brengt. De beroemde artiest merkt dat bewondering van anderen geen blijvend gevoel van eigenwaarde garandeert. Wie jarenlang naar een volgende promotie heeft toegewerkt, kan na het bereiken ervan tot de ontdekking komen dat het verwachte geluk alweer is verdwenen. We raken gewend aan wat we hebben bereikt. Wat vroeger een droom was, wordt de nieuwe vanzelfsprekendheid. Vervolgens richten we onze blik op een volgend doel. Psychologen spreken in dit verband van hedonische adaptatie: we passen ons vaak aan veranderingen in onze omstandigheden aan, waardoor de aanvankelijke blijdschap geleidelijk afneemt.
Het probleem is dus niet noodzakelijk dat ons leven is mislukt. Misschien hebben we alleen te veel verwacht van de dingen die we konden bereiken. Bij sommigen leidt deze ontevredenheid tot de beruchte midlifecrisis. Er moeten drastische veranderingen komen. Uw oude partner wordt ingeruild voor een jongere versie, u gooit uw leven en gaat emigreren of u begint een nieuwe carrière. De sportschool wordt vaker bezocht, de garderobe verjongd en de agenda gevuld met nieuwe avonturen. Soms zijn zulke veranderingen zinvol en bevrijdend. Het is nooit te laat om een verkeerde afslag te corrigeren of een lang gekoesterde wens alsnog te onderzoeken. Maar wanneer we vooral proberen de verloren jeugd terug te winnen, lopen we het risico opnieuw dezelfde fout te maken. We blijven ons geluk zoeken in omstandigheden die ons nooit de zekerheid kunnen bieden waarop we hopen. En terwijl we proberen een ander leven te beginnen, gaat het leven dat we werkelijk hebben gewoon verder.
Het is onvermijdelijk langzaam maar zeker verliest u de strijd tegen de tijd. Voor we het goed en wel beseffen, dienen de eerste ouderdomskwalen zich aan. We herstellen wat langzamer van lichamelijke inspanningen, krijgen hier en daar een pijntje en merken dat we niet meer alles kunnen wat vroeger vanzelfsprekend was. Soms worden onze ogen minder goed, neemt onze spierkracht af of krijgen we te maken met een ziekte die onze mogelijkheden beperkt. Voor sommigen is dat moeilijk te aanvaarden. Ze proberen de tijd terug te draaien met cosmetische ingrepen, allerlei verzorgingsproducten en een eindeloze reeks fitnessoefeningen. Er is op zichzelf niets mis mee om goed voor uw lichaam te zorgen, er verzorgd uit proberen te zien en zo lang mogelijk gezond proberen te blijven. Dat zijn heel begrijpelijke wensen. Het probleem ontstaat wanneer de strijd tegen het ouder worden een strijd tegen de werkelijkheid wordt. Wie koste wat kost jong wil blijven, zal uiteindelijk verliezen. Geen enkele crème, operatie of trainingsmethode kan de tijd stilzetten. We kunnen onze gezondheid beïnvloeden, maar we kunnen niet voorkomen dat ons lichaam aftakelt.
Ook onze kleding, vrijetijdsbesteding en interesses hoeven niet aan een bepaalde leeftijd gebonden te zijn. Een oudere die van moderne muziek houdt, graag sport of nieuwe avonturen zoekt, maakt zichzelf daarmee niet belachelijk. Het is niet nodig om ons naar een stereotiep beeld van de ouderdom te voegen. De eigenlijke vraag is dan ook niet hoe we zo lang mogelijk jong kunnen blijven, maar hoe we op iedere leeftijd zo goed mogelijk kunnen leven. Misschien ontdekken we uiteindelijk dat we een aanzienlijk deel van ons leven hebben besteed aan het najagen van een fata morgana: het idee dat we pas gelukkig zullen zijn wanneer we eindelijk de persoon zijn geworden die we ons vroeger hadden voorgesteld. Dat inzicht kan pijnlijk zijn. Maar het kan ook bevrijdend werken. Want zodra we ophouden onszelf voortdurend met een denkbeeldig ideaal te vergelijken, ontstaat er ruimte om het leven dat we daadwerkelijk hebben gekregen te waarderen.
Wie al op jonge leeftijd de stoïcijnse filosofie heeft ontdekt, heeft op dit punt een voorsprong. Niet omdat een stoïcijn immuun zou zijn voor teleurstellingen, ouderdomskwalen of onvervulde verlangens. Ook een stoïcijn kan spijt hebben, zich zorgen maken over zijn gezondheid of verdrietig zijn om gemiste kansen. De voorsprong zit ergens anders: hij heeft geleerd waarop hij zijn levensgeluk het beste kan baseren. De stoïcijn probeert niet in de eerste plaats beroemd, rijk, machtig of onaantastbaar te worden. Hij streeft naar ‘aretè’, een begrip dat zowel deugd als voortreffelijkheid betekent. In het modern stoïcisme kunnen we dat opvatten als virtuositeit: de kunst om zo goed mogelijk met het leven om te gaan.
Het gaat daarbij niet om een saai bestaan waarin alle verlangens worden onderdrukt en ieder avontuur wordt vermeden. Integendeel. Een stoïcijn kan ambitieus zijn, verliefd worden, genieten van seks en lekker eten, reizen, sporten, kunst verzamelen of zich inzetten voor een betere wereld. Het verschil is dat hij probeert deze zaken na te streven zonder zijn eigenwaarde en levensgeluk volledig afhankelijk te maken van het bezit ervan. Hij wil graag slagen, maar weet dat succes niet volledig in zijn macht ligt. Hij wil gezond blijven, maar weet dat ziekte hem kan treffen. Hij wil zijn geliefden zo lang mogelijk bij zich houden, maar weet dat hij hun sterfelijkheid niet kan opheffen.
Wat wel binnen zijn invloed ligt, is de manier waarop hij met zulke omstandigheden omgaat: de oordelen die hij vormt, de keuzes die hij maakt en de houding waarmee hij zijn verantwoordelijkheden tegemoet treedt. Dat betekent ook dat hij zijn leven niet uitsluitend beoordeelt aan de hand van wat hij heeft bereikt. Hij kan terugkijken op een loopbaan die heel anders is verlopen dan gehoopt en toch tevreden zijn wanneer hij weet dat hij zijn werk eerlijk heeft gedaan, anderen behoorlijk heeft behandeld en zijn mogelijkheden zo goed mogelijk heeft benut. Een stoïcijn hoeft dus niet te denken dat zijn leven mislukt is omdat zijn dromen niet zijn uitgekomen. Misschien heeft hij niet bereikt wat hij als jongere wilde bereiken, maar is hij ondertussen wel wijzer, rechtvaardiger, moediger en milder geworden. Als stoïcijn is hij dan een echte levenskunstenaar geworden. En is dat uiteindelijk niet minstens zo waardevol?
De ouderdom brengt onmiskenbaar verliezen met zich mee. Toch is het niet alleen een periode van achteruitgang. Er kunnen ook voordelen ontstaan die we als jongere moeilijk konden voorzien. Veel mensen worden met de jaren milder. De behoefte om zichzelf voortdurend te bewijzen neemt af. Carrière, geld, uiterlijk vertoon en onderlinge wedijver verliezen soms een deel van hun aantrekkingskracht. Wat vroeger dringend leek, blijkt achteraf niet altijd zo belangrijk. Men leert onderscheid te maken tussen wat werkelijk aandacht verdient en wat vooral veel drukte veroorzaakt. Natuurlijk geldt dit niet voor iedereen. Sommige mensen worden juist verbitterder, angstiger of star in hun opvattingen. Ouder worden maakt ons niet automatisch wijs. Ervaring kan ons inzicht geven, maar kan ook onze vooroordelen versterken. Wijsheid vraagt dat we bereid blijven om van die ervaring te leren. Toch biedt de ouderdom een bijzondere gelegenheid om onze prioriteiten opnieuw te bekijken. We hoeven niet meer overal aan mee te doen. We hoeven niet voortdurend indruk te maken. We kunnen gemakkelijker erkennen dat we iets niet weten en hoeven minder vaak onze gelijk te bewijzen.
Ook kan onze verhouding tot verlangens veranderen. Misschien hebben we minder behoefte aan steeds meer bezit, steeds nieuwe prikkels of de goedkeuring van anderen. We ontdekken dat een wandeling, een goed gesprek, een boek of een rustige middag in de tuin meer voldoening kan geven dan een nieuwe prestatie. De druk gaat er een beetje af. En juist daardoor kan er ruimte ontstaan voor filosofie. Voor een stoïcijn is dat een mooie ontwikkeling. Zelfbeheersing betekent immers niet dat we onszelf voortdurend met geweld in het gareel moeten houden. Het betekent dat we leren onze verlangens verstandiger te beoordelen. Wanneer we minder afhankelijk worden van zaken die ons onrustig maken, wordt het gemakkelijker om onze aandacht te richten op wat werkelijk van belang is. De ouderdom kan zo een periode worden waarin de stoïcijnse praktijk niet langer uitsluitend een bewuste oefening is, maar steeds meer een vertrouwde manier van leven.

Door AI gegenereerde afbeelding
Seneca merkte al in de oudheid op dat zijn lichaam achteruitging, terwijl zijn geest hem juist steeds meer voldoening leek te geven. In zijn Brieven aan Lucilius schrijft hij:
“Ik ben blij dat ik merk dat mijn geest niet oud wordt, terwijl mijn lichaam wel degelijk achteruitgaat. Alleen de instrumenten van mijn lichaam zijn oud en gebrekkig geworden. Mijn geest is nog vol leven en verheugt zich erop dat hij minder met het lichaam te maken heeft, dat scheelt hem een hoop gedoe. Hij is vrolijk en vertelt mij, gek genoeg, dat dit zijn bloeitijd is. Laten we hem maar geloven: hij mag ervan genieten.” (Seneca, Brieven aan Lucilius, 26.2)
Seneca formuleert hier een hoopvolle gedachte. Lichamelijke achteruitgang hoeft niet te betekenen dat ons innerlijke leven eveneens achteruitgaat. Uiteraard moeten we voorzichtig zijn met de gedachte dat de geest altijd jong blijft. Ook het geheugen, de concentratie en andere cognitieve functies kunnen met het ouder worden verslechteren. Sommige mensen krijgen te maken met ernstige cognitieve achteruitgang. Dat is een werkelijkheid die we niet met een filosofische uitspraak ongedaan kunnen maken.
Maar ouder worden heeft niet uitsluitend nadelen. Mensen kunnen beschikken over een grotere kennisvoorraad, meer levenservaring en een beter vermogen om gebeurtenissen in een ruimer perspectief te plaatsen. We hebben situaties meegemaakt die we vroeger niet konden overzien en weten soms beter welke problemen vanzelf weer verdwijnen en welke werkelijk onze aandacht verdienen. Bovendien blijft leren op oudere leeftijd mogelijk. Het kan wat meer tijd kosten om nieuwe vaardigheden onder de knie te krijgen, maar oefening, nieuwsgierigheid en betrokkenheid blijven waardevol. We kunnen nieuwe onderwerpen bestuderen, een instrument leren bespelen, ons verdiepen in filosofie of onze overtuigingen herzien. Ook de hersenen behouden gedurende het leven een zekere plasticiteit: ze kunnen zich aanpassen en verbindingen veranderen. Dat betekent niet dat alle functies onveranderd blijven of dat nieuwe hersencellen overal in het volwassen brein in dezelfde mate worden aangemaakt. Het betekent wel dat ouderdom niet gelijkstaat aan een definitief einde van ontwikkeling.
Een stoïcijn kan deze levensfase daarom zien als een nieuwe oefening in virtuositeit. Misschien kan hij minder hard lopen, minder lang werken of minder gemakkelijk onthouden. Maar hij kan nog steeds oefenen in geduld, wijsheid, moed en rechtvaardigheid. Hij kan leren beter te luisteren, minder snel te oordelen en anderen met meer begrip tegemoet te treden. Zolang we in staat zijn om bewust te kiezen hoe we met onze omstandigheden omgaan, blijft er ruimte voor morele en persoonlijke ontwikkeling. En zelfs wanneer ziekte of cognitieve achteruitgang die mogelijkheden ernstig beperkt, wordt iemands menselijke waardigheid daardoor niet minder.
Er is echter één aspect van de ouderdom dat zich steeds nadrukkelijker aandient: het besef dat ons leven eindig is. Als jongere beschouwen we de dood vaak als iets abstracts. Natuurlijk weten we dat mensen sterven, maar het lijkt nog ver weg. De dood hoort bij oude mensen, bij onze grootouders en bij mensen over wie we in de krant lezen. Ons eigen leven lijkt zich eindeloos voor ons uit te strekken. Naarmate we ouder worden, verandert dat perspectief. We verliezen misschien onze ouders, vrienden of leeftijdgenoten. We merken dat onze eigen gezondheid kwetsbaarder wordt. De toekomst, die vroeger vrijwel onbeperkt leek, heeft ineens duidelijke grenzen. Dat besef kan beangstigend zijn. Sommige mensen proberen het zo veel mogelijk te verdringen. Anderen raken verdrietig wanneer ze denken aan alles wat ze nog hadden willen doen. Weer anderen proberen hun angst te bezweren door zich zo lang mogelijk jong te gedragen.
De stoïcijnen kiezen een andere benadering. Ze proberen de dood niet te ontkennen, maar haar een plaats te geven in hun denken over het leven. De Latijnse uitdrukking ‘memento mori' betekent: gedenk dat u zult sterven. Het is geen oproep om voortdurend somber over de dood te piekeren. Het is een herinnering dat onze tijd beperkt is en daarom niet gedachteloos verspild moet worden. Het is leven met de dood in gedachten. Die gedachte aan de dood kan fungeren als een vorm van negatieve visualisatie: we stellen ons voor dat iets wat we vanzelfsprekend vinden, er op een dag niet meer zal zijn. Niet om onszelf ongelukkig te maken, maar om opnieuw te ontdekken wat die ervaring voor ons betekent. Denk bijvoorbeeld aan een wandeling door het bos. Als u jong bent, is zo'n wandeling misschien gewoon een van de vele dingen die u op een dag doet. Maar wanneer u zich realiseert dat u niet oneindig veel wandelingen meer voor de boeg hebt, kan diezelfde wandeling een andere betekenis krijgen. U merkt de bomen op, voelt de wind op uw gezicht en geniet van het gezelschap van degene met wie u loopt. Hetzelfde geldt voor een gesprek met een geliefde, een maaltijd aan tafel of een rustige ochtend met een boek. Niets bijzonders hoeft er te gebeuren om het moment waardevol te maken. Het besef dat zulke momenten niet vanzelfsprekend zijn, kan onze aandacht ervoor verdiepen. Dat betekent niet dat we ieder moment krampachtig moeten proberen te beleven alsof het onze laatste kans is. Ook dat zou een vorm van onrust zijn. We hoeven niet voortdurend te denken aan wat we verliezen. Het is voldoende om af en toe stil te staan bij de eindigheid van ons bestaan en ons daardoor te laten herinneren aan wat werkelijk belangrijk is. Voor de stoïcijn is de dood geen reden om het leven op te geven, maar juist een reden om het niet uit te stellen.
Het stoïcisme biedt geen garantie op een gezonde, zorgeloze of gelukkige oude dag. Filosofie beschermt ons niet tegen kanker, eenzaamheid, verlies of lichamelijke beperkingen. Ook een stoïcijn kan bang zijn voor de dood, rouwen om een overleden partner of worstelen met de afhankelijkheid die ziekte met zich meebrengt. De waarde van het stoïcisme ligt niet in de belofte dat zulke ervaringen ons bespaard blijven. De waarde ligt in de manier waarop het ons leert ermee om te gaan. Wie jarenlang heeft geoefend in het onderscheiden van wat wel en niet binnen zijn invloed ligt, kan gemakkelijker erkennen dat het lichaam niet onbeperkt gehoorzaamt. Wie heeft geleerd dat geluk niet uitsluitend afhankelijk is van bezit, prestaties en aanzien, hoeft niet iedere lichamelijke beperking als een persoonlijke nederlaag te ervaren. En wie heeft geoefend in rechtvaardigheid en medemenselijkheid, kan zijn aandacht blijven richten op anderen, ook wanneer zijn eigen mogelijkheden kleiner worden. Dat laatste is belangrijk. De stoïcijnse ouderdom is geen terugtrekking in een wereld waarin alleen de eigen gemoedsrust telt. We blijven deel uitmaken van een gemeenschap. Misschien kunnen we niet meer zoveel doen als vroeger, maar we kunnen nog steeds luisteren, raad geven wanneer daarom wordt gevraagd, aandacht schenken en bijdragen aan het welzijn van anderen. Soms is het zelfs juist de ouderdom die ons leert hoeveel waarde zulke ogenschijnlijk kleine handelingen hebben.
Ook hoeven we niet te doen alsof alle verlies eenvoudig te accepteren is. Aanvaarding betekent niet dat we pijn prettig moeten vinden, ziekte moeten toejuichen of nooit meer iets mogen proberen te veranderen. We mogen behandelingen zoeken, onze conditie onderhouden, hulp vragen en protesteren tegen onrecht. Het gaat erom dat we ons inspannen waar dat zinvol is, zonder te eisen dat de werkelijkheid zich altijd aan onze wensen aanpast. Daarmee komen we terug bij het onderscheid tussen onze inspanningen en hun uitkomsten. We kunnen proberen zo lang mogelijk gezond te blijven, maar niet afdwingen dat we gezond blijven. We kunnen onze relaties koesteren, maar niet voorkomen dat we ooit afscheid moeten nemen. We kunnen verstandig met onze tijd omgaan, maar niet weten hoeveel tijd ons nog rest. Wat we wel kunnen doen, is de tijd die we hebben zo goed mogelijk gebruiken. Misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste les die de ouderdom ons kan leren. Het leven hoeft niet te worden beoordeeld aan de hand van een denkbeeldig ideaal dat we ooit hebben bedacht. We hoeven niet alsnog de beroemdste, rijkste, aantrekkelijkste of succesvolste versie van onszelf te worden. We mogen leren waarderen wat er werkelijk is, zonder onze ambities, nieuwsgierigheid of betrokkenheid bij de wereld op te geven.
De ouderdom is niet uitsluitend de laatste fase waarin alles langzaam minder wordt. Ze kan ook een tijd zijn waarin we beter begrijpen wat de moeite waard is. We hebben minder toekomst om ons achter te verschuilen en meer verleden om van te leren. We weten dat niet alles mogelijk is, maar misschien begrijpen we daardoor ook beter wat we werkelijk willen. Seneca zag de gevorderde leeftijd als een levensfase waarin bepaalde verlangens hun greep op ons verliezen en we daardoor meer rust kunnen ervaren. Dat is geen vanzelfsprekend resultaat van het ouder worden, maar wel een mogelijkheid die we kunnen benutten. Uiteindelijk gaat het niet om de vraag hoe lang we jong kunnen blijven, maar om de vraag hoe goed we kunnen leven zolang we er zijn. Misschien is ouder worden wel een van de grootste uitdagingen van het stoïcisme: leren aanvaarden dat we niet alles kunnen behouden, zonder daardoor de belangstelling voor het leven te verliezen. En wie daarin slaagt, hoeft niet verbitterd terug te kijken op een leven dat anders is verlopen dan verwacht. Hij kan terugkijken met dankbaarheid voor wat er was, berusting in wat niet anders kon en nieuwsgierigheid naar wat er nog komt. Niet omdat alles goed is gegaan, maar omdat hij heeft geleerd ook met het onvolmaakte leven goed om te gaan.
