zaterdag 21 februari 2026

Over bewuste ervaring, logos en morele verantwoordelijkheid in een modern stoïcisme

 De oude stoïcijnen begonnen hun psychologie niet bij emoties of gedrag, maar bij iets subtielers: de indruk (phantasia). Alles wat wij ervaren, verschijnt via onze zintuigen eerst als indruk in het bewustzijn. Pas daarna volgt instemming (synkatathesis): het rationele oordeel dat bepaalt wat die indruk betekent. In moderne termen: Bewustzijn is het veld waarin ervaringen verschijnen. Begrip, het stoïcijnse oordeel, is de rationele structurering van die ervaringen. Pas op het moment dat het ‘begrip’ tot u doordringt ontstaat een ‘echte’ emotie.  Maar is dat onderscheid wel houdbaar in het licht van hedendaagse neurowetenschap? En wat betekent het voor vrijheid en verantwoordelijkheid?

Voor de oude stoïcijnen was de kosmos doordrongen van logos, een rationeel principe dat zowel natuur als menselijke rede ordent. Die logos is materieel, niet in de zin van tastbare, fysieke materie zoals een steen of water, maar als een actief, rationeel principe dat de kosmos doordringt en ordent. Het heeft wel iets weg van wat wij tegenwoordig energie zouden noemen. Voor de stoïcijnen is de logos de redelijke structuur van het universum zelf, een soort "vuur" of "pneuma" (levensadem/energie) dat alles verbindt en bestuurt. Bewustzijn is geen mystiek bijproduct; het is een natuurlijke functie van een rationeel georganiseerd organisme.

De stoïcijnen zagen rationaliteit niet als iets dat losstaat van de materie, maar als een fundamenteel aspect van de natuur. De logos is de rede die in alles aanwezig is, van de beweging van de sterren tot de groei van een plant. Het zijn de 'natuurwetten' die structuur aan de wereld geven. Dit betekent dat rationaliteit niet iets "bovennatuurlijks" is, maar een eigenschap van de materie zelf, althans, van de materie zoals de stoïcijnen die begrepen: als iets dynamisch en doordrongen van rede. Voor de stoïcijnen is bewustzijn een uitdrukking van de logos. De menselijke rede is een vonk van de universele logos. Dit betekent dat bewustzijn niet iets is dat "toevallig" ontstaat uit materie, maar een natuurlijke manifestatie van de rationele orde in het universum. Het is alsof de logos zichzelf in de mens reflecteert. Belangrijk is dat de stoïcijnse materie niet passief is, zoals in moderne materialistische opvattingen. Het is actief, levend en doordrongen van rede. De logos is dus niet iets dat "aan" materie wordt toegevoegd, maar het is de wijze waarop materie zich organiseert en functioneert.

Het menselijk bewustzijn wordt dan een manifestatie van de natuurlijke orde van het universum. De stoïcijnen maakten bij hun beschrijving van het menselijk bewustzijn onderscheid tussen:

  • Indruk (phantasia) – dat wat zich via onze zintuigen aandient.

  • Instemming (synkatathesis) – het oordeel dat wij eraan geven.

En precies daar waar wij de mogelijkheid hebben om te oordelen, situeerden zij onze vrijheid. Het stukje van de universele logos dat u bent is ook de plek waar uw vrijheid ligt. De instemming met uw zintuiglijke input is de bron van uw emoties. Voordat er zo’n echte emotie ontstaat heeft zich echter al een pre-emotie gevormd. Die pre-emotie is volledig automatisch en kan niet vermeden worden. Pas op het moment dat u instemming aan de indruk geeft, heeft u invloed op wat u voelt. Dit lijkt verbazingwekkend veel op moderne inzichten. 

Hedendaagse cognitieve wetenschap beschrijft het brein als een predictieve engine: een systeem dat voortdurend hypothesen genereert over de wereld, nog voordat we ons daarvan bewust zijn. Volgens de predictive processing-theorie (Clark, 2013; Friston, 2010) is wat we ervaren geen passieve weergave van de werkelijkheid, maar een actieve constructie, een mix van sensorische input (de indruk) en voorspellende modellen. Deze inzichten hebben diepgaande implicaties:

  1. Bewustzijn als nabeschouwing
    Veel van ons "begrip" ontstaat pre-reflectief: het brein interpreteert patronen voordat we ze bewust verwerken. Emoties, bijvoorbeeld, zijn vaak het resultaat van automatische betekenisverlening (Damasio, 1999), een snelle, onbewuste evaluatie van "veilig" of "bedreigend". Reflectieve rede komt meestal pas achteraf in actie, als een correctiemechanisme. De stoïcijnen kenden dit patroon en hadden het over automatische pre-emoties en echte emoties die pas ontstaan na instemming. 

  2. De illusie van directe controle
    De klassieke Stoa stelde dat wij onze instemming (assent) bewust kunnen beheersen: we kunnen kiezen hoe we op indrukken reageren. Maar moderne psychologie toont aan dat veel oordelen impliciet en geconditioneerd zijn:

    • Evolutionaire bias: Ons brein is geëvolueerd om snel te reageren op bedreigingen (bv. vooroordelen als "vlucht-of-vecht"-heuristieken).

    • Emotionele conditionering: Trauma, beloningspatronen en herhaalde ervaringen vormen onze reacties zonder dat we het merken (LeDoux, 1996).

    • Culturele programmering: Normen, taal en sociale structuren sturen onze perceptie (bv. hoe we "succes" of "geluk" definiëren).

Dit lijkt de stoïcijnse vrijheid te ondermijnen: als instemming vaak voortkomt uit onbewuste processen, wat blijft er dan over van uw vrijheid en verantwoordelijkheid? Wat wij ervaren is al deels interpretatie. Dat heeft grote implicaties:

  • Veel “begrip” ontstaat voordat wij ons daarvan bewust zijn.

  • Emoties zijn vaak het gevolg van automatische betekenisverlening.

  • Reflectieve rede corrigeert meestal pas achteraf.

Hier lijkt het te schuren met de klassieke Stoa. De stoïcijnen dachten dat wij onze instemming bewust konden beheersen. Zoals we zagen maakten ze wel onderscheid tussen de onvermijdelijke pre- emoties en de pas daarna gevormde ‘echte’ emoties, maar toch dachten de oude stoïcijnen meer invloed op hun emoties te hebben dan de moderne wetenschap tegenwoordig voor mogelijk houdt. Moderne psychologie laat zien dat veel van onze oordelen impliciet en geconditioneerd zijn. Vrijheid blijkt minder absoluut dan gedacht. Toch passen de moderne inzichten weldegelijk binnen het stoïcijnse patroon van pre-emoties en ‘echte’ emoties. Alleen lijken de mogelijkheden van bewuste instemming met uw pre-emoties minder makkelijk dan de oude stoïcijnen dachten.

Een hedendaagse stoïcijn moet daarom erkennen dat volledige controle een illusie is. Maar dat beïnvloeding en training weldegelijk  mogelijk zijn. Neuroplasticiteit laat zien dat herhaalde reflectie en oefening het brein daadwerkelijk veranderen. Er moet eerst een gewoonte worden aangeleerd, een karakter worden opgebouwd, voordat u ook daadwerkelijk meer controle over uw gevoelens kunt krijgen. U kunt uw karakter zodanig aanpassen dat u minder snel het slachtoffer wordt van de minder prettige emoties. Dat sluit opmerkelijk goed aan bij de stoïcijnse nadruk op dagelijkse oefening (askesis). Vrijheid wordt dan geen absolute autonomie, maar een gradueel proces van verfijning.

De beroemde stoïcijnse “pauze” tussen indruk en instemming bestaat daarmee nog steeds, maar is kleiner en kwetsbaarder dan gedacht. Mindfulness-onderzoek toont echter aan dat metacognitieve aandacht die ruimte kan vergroten. Cognitieve gedragstherapie bevestigt dat overtuigingen herstructureerbaar zijn. De moderne stoïcijn moet daarom twee dingen doen:

Het bewustzijn trainen (aandacht, observatie van indrukken)
Dit kan door metacognitie als correctiemechanisme te gebruiken. Hoewel veel processen automatisch verlopen, kunnen we onze tweede-orde oordelen trainen:

  • Mindfulness oftewel stoïcijnse prosochē (aandacht) helpt om automatische reacties te herkennen voordat ze escaleren.

  • Neurowetenschap toont aan dat het brein plastisch is: herhaalde reflectie kan impliciete patronen herschrijven (bijvoorbeeld door cognitieve gedragstherapie).

  • Voorbeeld: Een stoïcijn die merkt dat woede opkomt, kan die niet direct stoppen, maar wel de tijd tussen prikkel en reactie vergroten (een kernidee uit de Stoa).

Het begrip trainen (logische analyse van overtuigingen).
De spanning tussen predictieve cognitiewetenschap en stoïcijnse ethiek is geen contradictie, maar een uitnodiging tot herformulering: 

  • Erken de beperkingen: Ons oordeelsvermogen is inderdaad gekleurd door bias, emotie en cultuur. Dat neemt niet weg dat we kunnen leren die kleuring te zien.

  • Train de reflectieve laag: Stoïcijnse praktijken (zoals premeditatio malorum of dagelijkse zelfevaluatie) zijn in feite tools om predictieve modellen bij te stellen.

  • Train uw rationaliteit: Oefen u in kritisch denken en logica. Door uw eerste reacties consequent te bevragen en tegen de lat van de rationaliteit te leggen kunt u iets van uw vrijheid herwinnen.

  • Vrijheid als vaardigheid: Net zoals een musicus zijn instrument leert bespelen binnen de wetten van de fysica, kunnen wij leren binnen onze cognitieve beperkingen een betekenisvol leven te leiden.

Het gaat er hierbij niet om emoties te onderdrukken, maar om interpretaties te verfijnen. Een modern stoïcisme erkent dat wij niet volledig vrij beginnen, maar wel vrijer kunnen worden. Misschien is dit de diepste verschuiving: De klassieke Stoa zag rede als de kern van onze natuur. Ze wisten dat er bij het ontstaan van emoties een automatische voorfase komt kijken, maar overschatten onze vrijheid om daar al dan niet mee in te stemmen. De moderne wetenschap toont dat rede ingebed is in een oceaan van onbewuste processen. Toch blijft het stoïcijnse ideaal relevant: Niet omdat wij volledig rationeel zijn, maar omdat wij in toenemende mate rationeel kunnen worden. Bewustzijn is dus geen perfecte heerser, maar een potentieel centrum van integratie. En misschien is dat voldoende.



zaterdag 14 februari 2026

Epictetus en de zanger met plankenkoorts


Een van Epictetus’ leerlingen was een in zijn tijd populaire muzikant. Het was een zanger die zichzelf op de citer begeleidde. Dit popidool kreeg op een gegeven moment last van plankenkoorts en durfde tot wanhoop van zijn fans nauwelijks meer op te treden. Ten einde raad zocht hij hulp bij de filosoof Epictetus. Die zei dit tegen hem:

“Als ik iemand zie die bang is, vraag ik me altijd af: 'Wat wil hij nou eigenlijk?’ Dat moet wel iets zijn dat buiten zijn macht ligt, anders zou hij niet zo bang zijn. Als je in je eentje aan het repeteren bent, ben je niet bang en zing je prachtig, maar op het podium sta je doodsangsten uit. Het gaat je er dus niet alleen om dat je mooi kunt zingen en spelen. Je wilt ook applaus hebben en daar heb je nu net geen invloed op.” (Epictetus; Colleges; boek II; hoofdstuk 13)

De stoïcijnse tweedeling tussen de dingen waar we wel en geen macht over hebben komt ook hier weer tevoorschijn. De zanger verstaat zijn kunst en hij heeft zich goed voorbereid. Hij heeft alles gedaan wat in zijn macht ligt om een mooie voorstelling te geven. Er is geen enkele reden om bang te zijn. De angst moet dus wel veroorzaakt worden door de onderliggende vrees dat het publiek zijn optreden niet mooi zal vinden. Het enige wat hij daartegen kan doen heeft hij al gedaan: hij heeft gerepeteerd en zich naar zijn beste vermogen voorbereid. Er is geen enkele rationele reden om bang te zijn. Epictetus wil de muzikant laten zien dat hij een duidelijk onderscheid moet maken tussen de dingen waar hij zich wel druk over moeten maken (zijn repetities) en de dingen waar hij niets aan kan doen en zich geen zorgen over hoeft te maken (het applaus van het publiek).

Natuurlijk kan er ook als je goed voorbereid het podium op gaat iets mis gaan. De popidool van Epictetus kan een kikker in zijn keel krijgen, of er kan een snaar van zijn citer springen. Maar wat is nu eigenlijk het ergste wat er kan gebeuren. Een zaal met mensen die hem uitfluiten en boe roepen. Meer niet. Een groep mensen die het kennelijk nodig vinden om hun ongenoegen te uiten. Misschien vervelend, maar in stoïcijnse ogen nou niet direct een ramp. Als stoïcijnse zanger was hij er toch al niet op uit om de waardering van anderen te verkrijgen. Het enige wat hij echt wilde was zijn best doen om mooi te zingen en spelen. Epictetus’ les voor onze bange zanger komt hierop neer:

1. Focus u op wat u kunt beïnvloeden (uw voorbereiding, uw inzet).

2. Aanvaard dat de rest onzeker is (het oordeel van het publiek, toeval, pech).

Ook tegenwoordig is angst een van de belangrijkste passies. Soms lijkt het wel alsof er een angstepidimie heerst. Angst, piekeren en zorgen zijn familie van elkaar: ze verschillen alleen in intensiteit. Waar piekeren en zorgen als een zeurend stemmetje in uw achterhoofd zitten, eist angst uw volledige aandacht op. Angst is een evolutionair oude en belangrijke emotie die noodzakelijk is om gevaarlijke situaties te kunnen vermijden. Zodra uw reptielenbrein meent dat er gevaar dreigt wordt er een stoot adrenaline in uw bloed gepompt, gaan uw hartslag en bloeddruk omhoog en spannen uw spieren zich. Uw lichaam is klaar om te vluchten of vechten. Handig als er een sabeltandtijger (of waarschijnlijker een vrachtwagen) aankomt stormen, maar vervelend als de dreiging alleen in uw hoofd bestaat.

Voor de stoïcijnen was angst (bangheid) één van de vier basisemoties (naast bedroefdheid, blijdschap en begeerte). Ze erkenden dat angst soms gepast is als een ‘eupatheia’, een gezonde reactie op echt gevaar. Maar als angst irrationeel wordt (angst voor muizen, hoogtes, sociale afwijzing of vaag toekomstig onheil) dan is het een ‘passie’: een destructieve emotie die uw leven kan vergallen. De stoïcijnen zagen dus in dat angst onder bepaalde omstandigheden gepast is. De ellende begint echter op het moment dat er helemaal geen acuut gevaar dreigt. Als u bang wordt van muizen, open ruimtes, mensenmassa’s of als u door stress een onbestemd angstgevoel hebt, is er sprake van een bijzonder vervelende passie. Ook plankenkoorts, faalangst en meer van dat soort angsten zijn buitengewoon vervelend en kunnen uw functioneren nadelig beïnvloeden en uw leven bijzonder onaangenaam maken. Angst wordt in de woorden van de stoïcijnen dan de irrationele verwachting dat er iets vervelends gaat gebeuren of dat iets aangenaams niet verkregen kan worden.

Moderne angst is zelden rationeel. Tegenwoordig is angst vooral een akelige passie die uw plannen en levenskwaliteit heel negatief kan beïnvloeden. Kortom, het is een emotie waar u doorgaans liever van af wilt. Angst wordt irrationeel wanneer we bang zijn voor:
  • Oordelen van anderen (collega’s, baas, vrienden).
  • Hypothetische rampen (ziektes, ongelukken, financiële tegenslag).
  • Dingen waar we geen controle over hebben (muizen, kleine ruimtes, het weer).
Deze angsten belemmeren ons zonder enige praktische waarde. Ze maken ons leven kleiner, terwijl ze niets toevoegen aan ons welzijn of onze virtuositeit. Dat is niet hetzelfde als dat het onderwerp van uw irrationele angsten niet van belang zou zijn. Het zijn echter dingen waar u geen volledige controle over hebt en die dus niet nodig zijn voor een virtuoos leven. Wat voor een gelukkig en virtuoos leven wel van belang is en waar u wel wat aan kunt doen, zijn bijvoorbeeld het voldoende zorg aan uw gezondheid, uw relaties en bezittingen besteden. U doet uw best. Daar draait het om en als u dat op orde hebt, hoeft u zich over de uitkomst van uw inspanningen niet druk meer te maken.

Veel angsten lenen zich prima voor een rationele relativering. De zanger van Epictetus kan zich met de ‘premeditatio malorum’ oefening wel voorbereiden op een wereld waarin er nu eenmaal dingen fout lopen. En als het dan toch uit de hand dreigt te lopen en de angst zijn plek opeist, kan onze zanger met stoïcijnse mantras tegen de angst nog een laatste poging doen om zichzelf toch nog onder controle te krijgen. Als angst toeslaat, hebben de stoïcijnen twee krachtige technieken:

1.De ‘Premeditatio Malorum’ (Voorbereiding op het ergste).
Stel u voor wat er mis kan gaan. Door u allerlei rampscenario's voor de geest te halen bent u voorbereid als er werkelijk iets fout zou gaan. Vraag u daarbij wel af of het waarschijnlijk is dat al die ellende ook echt gaat gebeuren. Bedenk vervolgens of u er iets tegen kunt ondernemen als het toch gebeurt. Dit ontkracht de angst door hem concreet en hanteerbaar te maken.

2. De stoïcijnse mantra
Herhaal in gedachten: "Dit is een indruk en niet de werkelijkheid" of “Ik sta sterk in het heden en aanvaard wat is zonder angst of twijfel.”

Angst is niet uw vijand, maar is een signaal. Het is een alarmsignaal dat veel te scherp staat afgesteld. Soms waarschuwt het voor echt gevaar; vaak is het een valse alarmbel. Het stoïcijnse antwoord: Accepteer wat u niet kunt veranderen. Handel daar waar u wel invloed hebt. Relativeer uw angst met rede in plaats van mee te gaan in paniek. Zo wordt angst niet uw meester, maar uw leraar, een herinnering om uw focus te houden op wat er echt toe doet.

zondag 8 februari 2026

Sympatheia: de stoïcijnse verbondenheid van alles met alles

 Dat de stoïcijnse metafysica ook een praktische kant heeft die zelfs consequenties voor uw dagelijks leven heeft komt naar voren in de stoïcijnse ‘sympatheia’. Het Griekse woord ‘sympatheia’ (συμπάθεια) betekent letterlijk "mede-gevoel" of "samen-voelen". Bij de stoïcijnen verwijst het naar het idee dat alles in het universum met elkaar verbonden is door een gemeenschappelijke, rationele en goddelijke kracht: de Logos. 'Sympatheia' is het besef dat alle dingen, van de kleinste deeltjes tot de grootste sterrenstelsels, deel uitmaken van één groot, harmonisch geheel. Het was niet alleen een filosofisch concept, maar ook een spirituele ervaring: het gevoel dat we niet losstaande individuen zijn, maar onderling afhankelijke delen van een kosmos die doordrenkt is van betekenis en orde. De wereld is een levend organisme, en elke gebeurtenis in één deel heeft invloed op het geheel. Marcus Aurelius beschreef het zo:


“Alles is met elkaar verweven, en het ene ding is verbonden met het andere door onverbrekelijke banden.”


Voor de oude stoïcijnen was dit geen poëtische metafoor, maar een natuurfilosofisch principe. Ze geloofden dat het universum werd bezield door Logos, een rationele, goddelijke orde die alles doordringt. Omdat wij deel uitmaken van dat grotere geheel, betekent dit dat onze handelingen nooit losstaan van het geheel van de natuur en de mensheid. ‘Sympatheia’ vormde daarmee de basis voor het kosmopolitisme van de stoïcijnen: het idee dat we burgers zijn van de wereld, niet slechts van een stad of land. Wie begrijpt dat alles met alles verbonden is, handelt met zorg voor het geheel. Voor een stoïcijn is virtuositeit niet alleen zelfbeheersing, maar ook bewust leven als onderdeel van het web van oorzaak en gevolg dat alle wezens omvat.


'Sympatheia' had ook een mystieke dimensie. Het is het gevoel dat u, door u bewust te worden van de verbondenheid met het geheel, deelneemt aan iets groters dan uzelf. Dit komt overeen met wat in andere tradities "eenheidservaring" wordt genoemd, het besef dat de scheiding tussen "ik" en "de wereld" een illusie is. De stoïcijnen zagen dit niet als een vlucht uit de werkelijkheid, maar als een diep inzicht dat leidt tot innerlijke rust en wijsheid. ‘Sympatheia’ blijft niet beperkt tot een theoretisch concept maar vraagt ook om actie: als u schade toebrengt aan een ander, schaadt u uiteindelijk uzelf, omdat u deel uitmaakt van hetzelfde weefsel. Dit idee vindt u terug in de stoïcijnse deugden zoals rechtvaardigheid, moed en matigheid. Het is een spirituele praktijk die u dagelijks kunt toepassen, bijvoorbeeld door u te bekommeren om het welzijn van anderen of door u te verwonderen over de schoonheid en complexiteit van de natuur.


Voor de stoïcijnen was de kosmos dus geen leegte bezaaid met objecten, maar een levend, rationeel en samenhangend organisme. Hun wereldbeeld was holistisch ‘avant la lettre’: alles bestaat binnen één en hetzelfde lichaam, het universum, dat bezield wordt door pneuma (adem, levensgeest) en geordend wordt door Logos (rede, wetmatigheid). De pneuma is daarbij de Logos in actie. Het lijkt wel wat op het moderne onderscheid tussen materie en energie, waarbij materie gestolde energie is. Chrysippus beschreef de kosmos als een levend wezen met een eigen ziel, waarin elk onderdeel zijn functie heeft ten dienste van het geheel. De mens was volgens hem niet het centrum, maar een uitdrukking van diezelfde kosmische rede. Wat ons onderscheidde, was dat we het vermogen hebben om dat grotere geheel te begrijpen en ermee in harmonie te leven. Daarom was 'sympatheia' voor de stoïcijnen geen sentimentele verbondenheid, maar een ontologische: alles beïnvloedt elkaar omdat alles voortkomt uit dezelfde bron. De beweging van een ster, de groei van een plant, de gedachten van een mens, ze waren manifestaties van één en dezelfde universele orde.


De stoïcijnen waren deterministen. Elke gebeurtenis was het noodzakelijke gevolg van voorafgaande oorzaken, als schakels in een oneindige keten.’Sympathia' betekende daarom dat  alles samenhangt omdat alles voortkomt uit dezelfde causale structuur. Wat wij vandaag de dag ‘complexe systemen’ noemen, noemden zij ‘de orde van de natuur’. Een stoïcijn leeft goed wanneer hij zijn wil afstemt op die orde. Niet door passief te berusten, maar door te handelen in overeenstemming met het grotere patroon. Marcus Aurelius zegt hierover:


“Wat het web van het universum weeft, weeft ook jou. Wat gebeurt, gebeurt niet tegen jou, maar door jou als deel van het geheel.”


De moderne kosmologie heeft dat wereldbeeld fundamenteel veranderd. Wat vroeger mystiek was, is nu wetenschap geworden. We weten dat het universum niet gevuld is met levend pneuma, maar met energievelden, materie en lege ruimte die zich ontwikkelen sinds de oerknal. Toch duikt, verrassend genoeg, het idee van onderlinge verwevenheid opnieuw op in de taal van de hedendaagse fysica. Denk daarbij bijvoorbeeld aan:


  • De relativiteitstheorie: In de fysica van het allergrootste vormen ruimte en tijd geen decor, maar een dynamisch veld dat kromt onder invloed van massa. Alles bestaat binnen één continuüm: ruimte-tijd.

  • De kwantumfysica: Op het subatomaire niveau van het allerkleinste vervaagt het onderscheid tussen afzonderlijke objecten. In de kwantumfysica blijkt dat deeltjes die ooit met elkaar in contact zijn geweest, elkaar blijven beïnvloeden, ongeacht de afstand. Dit fenomeen, dat Einstein "spookachtige actie op afstand" noemde, lijkt te wijzen op een diepere verbondenheid in de natuur die de stoïcijnen al intuïtief begrepen.

  • De kosmologie: Alles, van sterrenstelsels tot atomen in ons lichaam, is voortgekomen uit hetzelfde oerplasma van de oerknal. Al het bestaande is afkomstig uit die ene singulariteit. Astrofysici benadrukken dat alle atomen in ons lichaam ooit deel uitmaakten van sterren. We zijn letterlijk gemaakt van "sterrenstof". Dit wetenschappelijke feit echoot het stoïcijnse idee dat we allemaal deel uitmaken van één kosmos. Dat is een fysieke echo van het stoïcijnse idee dat alles één oorsprong heeft.


De metafysische pneuma en logos zijn verdwenen, maar het onderscheid tussen energie en massa en de structuur van een verbonden universum blijft overeind. De stoïcijnse intuïtie dat niets volledig op zichzelf staat blijkt opnieuw een rationele kern te hebben, zij het nu natuurwetenschappelijk onderbouwd.


De moderne fysica leert ons ook iets wat de oude stoïcijnen nog niet wisten: de kosmos is onvoorstelbaar groot, oud, en lijkt grotendeels onverschillig voor ons bestaan. Waar zij in het universum een welwillende doelgerichte orde zagen, zien wij eerder orde zonder bedoeling, patronen, maar geen plan. Een haast Schoperiaanse universele wil zonder richting of gevoel. Toch kan juist dát een hedendaagse vorm van ‘sympatheia’ voeden. Als we erkennen dat we voortkomen uit hetzelfde kosmische proces als alles om ons heen, dan kan daaruit een nuchtere eerbied ontstaan, een gevoel van verbondenheid dat niet religieus is, maar existentieel. We hoeven echt niet te geloven dat het universum ons kent of stuurt. Het is genoeg te beseffen dat we deel zijn van een zelforganiserend geheel dat ons overstijgt, en dat ons leven betekenis krijgt door de manier waarop we onze kleine plaats daarin vormgeven.


Naast de fysica vinden we ook in andere wetenschappen echo’s van de stoïcijnse ‘sympatheia’:


  • Ecologie en systeemdenken: Moderne ecologie leert ons dat ecosystemen complexe netwerken zijn waarin elke soort een rol speelt. Het beschadigen van één onderdeel kan het hele systeem ontwrichten. Dit heeft een directe parallel met het stoïcijnse idee van ‘sympatheia’. Ecosystemen functioneren als netwerken waarin elke soort en elke ingreep invloed heeft op het geheel. Dat is ‘sympatheia’ in biologische vorm: onderlinge afhankelijkheid als feit, niet slechts als filosofisch idee.

  • Neurowetenschap en empathie: Onderzoek naar spiegelneuronen toont aan dat ons brein automatisch reageert op de emoties en acties van anderen. Dit wetenschappelijke inzicht bevestigt dat we biologisch gepredisponeerd zijn om ons met anderen te verbinden. In onze hersenen tonen spiegelneuronen en sociale neurobiologie aan dat we letterlijk “meetrillen” met anderen. Onze biologie is gebouwd voor verbinding. De stoïcijnen vermoedden dit intuïtief: wij gedijen niet als eiland, maar als deel van een gemeenschap.

  • Sociologie en complexiteit: Moderne netwerktheorie en systeemdynamica laten zien dat ook menselijke samenlevingen functioneren als complexe, verweven systemen. Wat individueel rationeel lijkt, kan collectief desastreus zijn, een les die de stoïcijnen als morele waarheid al kenden.

Kortom: de oude Logos is vervangen door interactie, feedback en complexiteit, maar het onderliggende inzicht blijft geldig: alles hangt samen. Een eigentijdse interpretatie van 'sympatheia' hoeft dus geen beroep te doen op een goddelijke orde. We kunnen het herformuleren als rationele empathie: het besef dat wat we doen invloed heeft op anderen, en dat hun welzijn ons eigen welzijn raakt.

Een moderne praktische toepassing zou kunnen rusten op drie pijlers:


  1. Ecologisch bewustzijn: Begrijpen dat ons handelen deel uitmaakt van een groter ecosysteem; duurzaamheid als rationele deugd.  Realiseer dat uw keuzes gevolgen hebben voor het geheel. Dit kan variëren van eenvoudig en duurzaam leven tot het opkomen voor sociale rechtvaardigheid.

  2. Sociaal verantwoordelijk leven: Beseffen dat rechtvaardigheid niet abstract is, maar ingebed in menselijke netwerken; compassie als uitdrukking van redelijkheid. Dit kunt u bevorderen door elke dag een moment te nemen om u bewust te zijn van uw verbondenheid met anderen en met de natuur. Dit kan door meditatie, een wandeling in het bos, of simpelweg door vriendelijkheid te tonen aan vreemden.

  3. Acceptatie en veerkracht: ‘Sympatheia’ leert ons dat tegenslagen en veranderingen onderdeel zijn van het grotere geheel. Door dit te accepteren, kunt u innerlijke rust vinden, zelfs in moeilijke tijden.


Zo gezien is ‘sympatheia’ niet langer een mystiek principe, maar een praktische levenshouding: leven met besef van context, relaties en gevolgen. ‘Sympatheia’ is de stoïcijnse herinnering dat we nooit echt afgescheiden zijn, niet van elkaar, niet van de wereld, niet van de kosmos. Waar de oude stoïcijnen dit zagen als een goddelijk plan, kunnen wij het zien als een wetenschappelijke en morele realiteit: we zijn knooppunten in een levend netwerk. Een modern stoïcijns leven betekent dat besef omzetten in gedrag met wijsheid, rechtvaardigheid en zorg voor het geheel waarvan we deel uitmaken. Niet door de kosmos te aanbidden, maar door haar te begrijpen en door in die kennis een wijze manier van leven te vinden. 'Sympatheia' is daarom geen verouderd concept, maar een tijdloos inzicht dat zowel spiritueel als wetenschappelijk relevant is. Het herinnert ons eraan dat we niet alleen staan, maar deel uitmaken van een groter, betekenisvol geheel. In een tijd waarin individualisme en polarisatie vaak de overhand hebben, biedt ‘sympatheia’ een krachtig tegengeluid: we zijn allemaal met elkaar verbonden, en ons welzijn hangt af van het welzijn van de wereld om ons heen.


zaterdag 7 februari 2026

DEUS SIVE NATURA Een stoïcijns perspectief op de eenheid van bewustzijn

 Sinds de mensheid zichzelf bewust werd van haar plaats in het heelal, worstelen wij met een diepgaande spanning: hoe verenigen we onze innerlijke ervaring van bewustzijn met de koude, onpersoonlijke wetten die de natuurwetenschappen aan de werkelijkheid toeschrijven? De wetenschappelijke revolutie van de 17de eeuw liet ons een universum na dat functioneert als een reusachtige klok, voorspelbaar, deterministisch, en ogenschijnlijk doof voor de vraag waarom. Maar deze onttovering van de wereld rijst een ongemakkelijke vraag op: als alles slechts materie in beweging is, wat maakt ons dan anders? Waar blijft de ruimte voor keuze, voor waarde, voor het subjectieve gevoel dat wij ‘ik’ noemen? Deze crisis vormt het vertrekpunt voor een filosofisch debat dat tot op de dag van vandaag voortduurt, en waarbinnen het stoïcijnse en Spinozistische monisme een verrassend moderne uitweg biedt.

Tijdens de wetenschappelijke revolutie reduceerden wij mensen het universum zo tot dode materie. Dit was een logisch gevolg van het succes van de natuurwetenschappen. De wereld leek te functioneren volgens deterministische wetten, zonder ruimte voor bewustzijn of intentie. Maar deze visie creëerde een paradox: als wijzelf deel uitmaken van datzelfde universum, hoe kunnen wij dan bewust zijn? De filosofie probeerde dit dilemma op verschillende manieren op te lossen:

  • Dualisme: Een scheiding tussen geest en materie, waarbij bewustzijn in een parallelle werkelijkheid zou bestaan (bijv. de ‘ziel’). Dit is de religieuze visie.

  • Materialisme: Bewustzijn als bijproduct van materie, waarbij de mens een ‘levende machine’ is zonder vrije wil. De mens als zombie.

  • Idealisme: Alles wat bestaat, bestaat primair als idee, bewustzijn of geest, en niet als materie. De buitenwereld is volgens het idealisme een droom.

  • Monisme/Panpsychisme: Het universum als een levend, bewust geheel. Dit was de oplossing van de stoïcijnen en later Spinoza.

Centraal in het monisme staat het idee dat bewustzijn een fundamentele eigenschap van de werkelijkheid is, niet iets wat toegevoegd wordt aan materie, maar er onlosmakelijk mee verbonden is. Spinoza noemde dit ‘Deus sive Natura’ (‘God oftewel Natuur’), een concept dat ook de stoïcijnen al omarmden. Toen Albert Einstein in 1929 werd gevraagd of hij in God geloofde, antwoordde hij:

"Ik geloof in de god van Spinoza, die zich openbaart in de ordelijke harmonie van het bestaan, niet in een god die zich bemoeit met menselijke lotgevallen."

Zonder het te weten sluit Einstein hier aan bij de stoïcijnse traditie. Voor hem was "God" geen ‘bebaarde oude man op een wolk’ maar een metafoor voor de wiskundige precisie en wetmatigheden van het universum. Een kosmische religiositeit, geen geloof in het bovennatuurlijke, maar ontzag voor het natuurlijke. Deze god is geen persoonlijke entiteit die de wereld van buitenaf bestuurt, maar de werkelijkheid zelf. Voor de stoïcijnen en Spinoza zijn God en de Natuur synoniemen. Deze natuurgod had een aantal fundamentele eigenschappen:

  • Immanentie: God staat niet boven de schepping, maar is de schepping zelf. Alles wat bestaat, is een "modus" (een verschijningsvorm) van die god.

  • Geen wil of emotie: Deze god heeft geen plannen, luistert niet naar gebeden en oordeelt niet. God is simpelweg de noodzakelijke, logische structuur van het universum.

  • Bewustzijn is intrinsiek: Geest en materie zijn geen gescheiden domeinen, maar twee kanten van dezelfde medaille. 


De god van Spinoza en de stoïcijnen is de som van alle natuurwetten. Het is een god waar u van kunt houden door de wereld te begrijpen, maar die nooit van u zal houden. Stel u het universum voor als een oceaan. Alles wat bestaat, sterren, bomen, mensen, zijn golven op dat water. Elke afzonderlijke golf is tijdelijk, maar het water blijft. Zo is elk individueel bewustzijn een vluchtige verschijningsvorm van het universele bewustzijn. 


Bewustzijn is hier geen toevoeging aan materie, maar een intrinsieke eigenschap ervan, zoals massa of lading. Deze visie, panpsychisme genoemd, stelt dat alles in het universum, van elektronen tot sterrenstelsels, een vorm van bewustzijn bezit, hoe primitief ook. Voor de stoïcijnen en Spinoza was dit geen mystiek idee, maar een logisch gevolg van hun monisme: als God/Natuur één is, Volgens hen kan bewustzijn niet plotseling ontstaan in complexe systemen (zoals hersenen), maar moet het altijd al aanwezig zijn, alleen in verschillende gradaties. Hoe moeten we ons dit "universele bewustzijn" dan voorstellen? Stel u voor dat elk deeltje, elke cel, elk wezen een klein vonkje bewustzijn heeft, zoals elke pixel in een foto bijdraagt aan een compleet beeld. Het totale bewustzijn van het universum is dan niet meer (en niet minder) dan: de geïntegreerde ervaring van al deze vonkjes samen, een dynamisch, steeds veranderend geheel, waarin individuele bewustzijnsstromen (zoals die van u) tijdelijk opkomen en weer verdwijnen, zoals golven in een oceaan.

De metafoor van de oceaan is geen toeval. Voor de stoïcijnen was het universum een levend, bewust organisme, waarin alles met alles verbonden is. Wanneer u deze tekst leest, is dat niet alleen uw ervaring, maar een momentopname van het universele bewustzijn dat zich via u uit. Dit klinkt misschien abstract, maar volgt uit vijf eenvoudige logische stappen:

  1. U bent u bewust van deze woorden (dat is onbetwistbaar).

  2. U bestaat uit materie (en bent ook een drager van bewustzijn).

  3. Conclusie: Bewustzijn is een eigenschap van (op z’n minst een deel van) de materie (panpsychistisch uitgangspunt).

  4. U maakt deel uit van het universum: Het stukje van het universum dat u bent, is bewust.

  5. Conclusie: Als uw stukje materie bewust is dan is ook het universum als geheel bewust. Het is niet zeker maar wel aannemelijk dat dat betekent dat u deel uitmaakt van een veld van bewustzijn dat het universum is. Zoals een enkele muzieknoot deel is van een grotere symfonie.

Wanneer u deze tekst leest, is dat dus niet uw bewustzijn alleen, maar het universum dat zichzelf via u waarneemt. Dit klinkt misschien zweverig en abstract, maar volgt logischerwijs uit de hierboven genoemde premissen. Kortom: U leest dit artikel niet, het universum of 'God' leest het door u. Het is niet een god die een plan heeft. Het opdelen van de wereld in ‘doelmatig’ en 'doelloos', ‘zinvol’ en ‘zinloos’, ‘nuttig’ en ‘nutteloos’ is een puur op het overleven gerichte bezigheid die niets met de ware aard van de stoïcijnse god te maken heeft. Vanuit dit perspectief zou u inderdaad kunnen zeggen dat het leven geen enkele zin heeft, dat het universum een maalstroom van materie is waarin alles wat kan gebeuren ook gebeurt zonder dat het iemand of iets een zier kan schelen. De zin van het leven zit echter in een andere eigenschap van de materie: het bewustzijn. Het universum leest dit artikel niet alleen door u maar ervaart door u uw hele leven. 


Dit klinkt als een woordenspel, maar is het niet. Wat gebeurt er in een panpsychistisch universum als u sterft? In tegenstelling tot wat u waarschijnlijk denkt, verdwijnt u niet zomaar van de aardbodem. Volgens de wet van behoud van energie verdwijnt uw materie niet; ze transformeert. De materie waaruit u bestaat gaat op in de materie van het universum om vervolgens weer nieuwe vormen aan te nemen. Als bewustzijn een eigenschap van materie is, geldt hetzelfde voor uw bewustzijn: het gaat op in het grotere geheel, zoals een golf die weer water wordt. U was al water, u was altijd deel van de oceaan.


De stoïcijnen zouden de stoïcijnen niet zijn als deze abstracte redeneringen geen praktische consequenties zouden hebben. Sterker nog, deze metafysica ligt ten grondslag aan hun hele filosofische systeem. Als mens zijn wij dus een deel van het geheel dat wij het universum noemen, een deel dat beperkt is in tijd en ruimte. U ervaart uzelf, uw gedachten en gevoelens, als afgescheiden van het geheel. Dit is volgens de modern stoïcijnen echter een optische illusie van het bewustzijn. Een waanbeeld dat werkt als een gevangenis en u beperkt tot het najagen van uw eigen verlangens en het liefhebben van slechts enkele dicht bij u staande personen. Het is een optische illusie omdat u in werkelijkheid helemaal niet losstaat van het geheel. U bent er juist volledig van afhankelijk en wordt er volledig door gevormd. Alles wat er tot nu toe in het universum is gebeurd, van de oerknal tot dit moment, was nodig om een minuscuul blokje bewuste materie te maken tot wat u nu bent op dit moment. De stoïcijnen zagen het als onze taak om ons te bevrijden uit de gevangenis van deze illusie door onze oikeiosis (cirkel van compassie) te verbreden tot ze de hele mensheid en natuur omvat. Dit inzicht brengt bevrijding: u ervaart de wereld niet langer als extern, maar als onderdeel van uzelf.


Het ervaren van een dergelijk gevoel van eenheid zorgt voor bevrijding en een gevoel van geborgenheid omdat u alles om u heen ervaart als een onlosmakelijk onderdeel van uzelf. Het hele universum komt in en door u tot uiting maar u heeft ook invloed op dat universum. Het universum heeft geen plan, het is een maalstroom van materie waarin alles wat kan gebeuren, ook gebeurt. Toch is er wel zin: die zit in het bewustzijn zelf. Het universum ervaart uw leven niet alleen door u, maar als u. Dit is geen woordenspel, maar een radicale herdefiniëring van identiteit. Praktisch betekent dit: zorg voor de natuur en anderen als voor uzelf. Want wat u de wereld aandoet, doet u uzelf aan en omgekeerd.