Er zijn weinig gebeurtenissen die een mens zo diep kunnen raken als de dood van iemand van wie hij houdt. Het overlijden van een partner, een kind, een ouder of een goede vriend kan ons hele bestaan ontwrichten. De wereld die we zo goed dachten te kennen, is plotseling veranderd. Iemand die jarenlang vanzelfsprekend deel uitmaakte van ons dagelijks leven, is er niet meer. De vertrouwde stem, de kleine gewoonten, de gezamenlijke herinneringen en de plannen voor de toekomst: alles krijgt ineens een andere betekenis. Wat gisteren nog vanzelfsprekend was, blijkt voorgoed voorbij. Toch is de dood van een geliefde niet alleen een onderwerp dat aan de orde komt wanneer we daadwerkelijk met verlies worden geconfronteerd. De stoïcijnen vinden dat we ook tijdens ons gewone leven moeten nadenken over de vergankelijkheid van onze relaties. Niet om onszelf voortdurend met de dood bezig te houden, maar juist om beter te leren leven. Wie beseft dat niets vanzelfsprekend is, zal de mensen om zich heen waarschijnlijk meer waarderen. Wie weet dat er een einde komt aan iedere ontmoeting, zal misschien wat minder gemakkelijk een afscheid achteloos laten verlopen. De stoïcijnse omgang met de dood van een geliefde begint daarom niet bij het sterven, maar bij het liefhebben.
De stoïcijnen wijzen er regelmatig op dat we ons leven en alles wat we daarin bezitten niet als ons onvervreemdbare eigendom moeten beschouwen. Onze bezittingen, onze gezondheid, onze maatschappelijke positie en zelfs onze geliefden kunnen we niet voor eeuwig behouden. Alles wat we hebben, is tijdelijk. Het lot kan ons op ieder moment iets afnemen wat we tot dan toe als vanzelfsprekend beschouwden. Seneca gebruikt hiervoor de vergelijking met een lening. We hebben de dingen die het leven ons schenkt, niet definitief in bezit gekregen. We mogen er gebruik van maken, ervan genieten en ze waarderen, maar we moeten beseffen dat we ze ooit weer zullen moeten afstaan. In zijn ‘Troostschrift aan Marcia’ schrijft hij:
“Wat aan ons is uitgeleend, moeten we steeds bij de hand houden, zodat we het direct zonder morren kunnen teruggeven als dat wordt gevraagd. Wie ruzie maakt met zijn schuldeiser is een slechte schuldenaar. Iedereen waar we van houden, of ze nu jonger of ouder zijn dan wij zelf, moeten we dan ook liefhebben alsof ze binnenkort kunnen sterven. We moeten onszelf op het hart drukken om van alles zo te houden alsof het direct door de eigenaar kan worden teruggevraagd. Alles wat het lot je schenkt moet je als een lening zien.
Geniet van jullie kinderen zoveel je kunt en geef jullie kinderen de gelegenheid van jullie te genieten. Drink alle bekers vol vreugde direct tot de laatste druppel leeg. Er wordt geen enkele garantie gegeven dat je de nacht overleeft, wat zeg ik dat je het komende uur redt. Schiet op! Ze zitten je op de hielen! Straks klinkt het krijgsgeschreeuw en wordt de groep van mensen om je heen uit elkaar geslagen, de vriendschapsbanden worden doorgesneden. Alles wordt geplunderd. Jullie stakkers weten niet dat je al vluchtend moet leven” (Seneca, Troostschrift voor Marcia, X 2-4).
Seneca wil ons er hier, nogal plastisch, aan herinneren dat we geen garantie hebben op de toekomst. We weten niet hoe lang onze geliefden bij ons zullen blijven en evenmin hoe lang we zelf nog te leven hebben. Toch gedragen we ons vaak alsof onze huidige omstandigheden een vanzelfsprekend vervolg zullen krijgen. We stellen een bezoek uit, vergeten een vriend terug te bellen of nemen de aanwezigheid van onze partner voor lief. We denken dat er morgen, volgende week of volgend jaar nog wel voldoende gelegenheid zal zijn. Maar die zekerheid hebben we niet. Epictetus maakt dezelfde gedachte nog indringender. Hij raadt ons aan om telkens wanneer we een kind, broer of vriend omhelzen, te beseffen dat we een sterfelijk mens omarmen. Hij schrijft:
“Als je ergens aan gehecht raakt, bedenk dan dat je het ook weer kwijt kan raken. Als je van een karaf of een kristallen glas houdt, bedenk dan dat het breekbaar is. Als je je kind kust, of je broer, of je vriend, bedenk dan dat je van een sterveling houdt. Je liefde is niet gericht op iets wat van jou is, het is aan je uitgeleend. […]. Denk daaraan als je ergens van geniet. Waarom zou je niet als je je kind kust bij jezelf denken ‘binnenkort zal je sterven’.” (Epictetus; Colleges; boek III, hoofdstuk 24).
Dat is een nogal confronterende manier om naar onze relaties te kijken. De stoïcijnen en zeker Epictetus kunnen hard uit de hoek komen. Toch zit er een belangrijke gedachte achter. We hebben onze geliefden niet in bezit. We kunnen hen niet opeisen en we hebben geen recht op hun eeuwigdurende aanwezigheid. We kunnen van hen houden, voor hen zorgen en proberen het leven samen zo mooi mogelijk te maken, maar we kunnen niet bepalen hoelang dat zal duren.
Hier komen we bij een belangrijk onderscheid dat voor het moderne stoïcisme van grote betekenis is: het verschil tussen liefhebben en gehecht zijn. In het dagelijks taalgebruik gebruiken we die begrippen vaak door elkaar. Als we van iemand houden, zeggen we dat we aan die persoon gehecht zijn. Toch is er filosofisch gezien een verschil. Liefde betekent dat we het welzijn van een ander belangrijk vinden. We willen dat die persoon gelukkig is, zich kan ontplooien en een goed leven heeft. We zijn bereid tijd en aandacht aan hem of haar te besteden, willen helpen wanneer dat nodig is en delen graag onze vreugde en verdriet. Gehechtheid is anders. We kunnen daarbij zo sterk aan iemand gehecht raken dat we zijn aanwezigheid nodig hebben om ons eigen leven als geslaagd of gelukkig te ervaren. We willen de ander vasthouden, beschermen tegen iedere mogelijke bedreiging en liefst voorkomen dat er ooit iets verandert. De relatie wordt dan niet alleen een bron van liefde maar ook een voortdurende bron van bezorgdheid en stress. Het is een voorwaarde voor onze eigen zekerheid en gemoedsrust geworden. Dat is precies het soort afhankelijkheid waarvoor de stoïcijnen waarschuwen.
We kunnen het verschil misschien het beste begrijpen aan de hand van een vergelijking. Stel dat u een kind hebt. U houdt van dat kind, wilt het beschermen en doet er alles aan om het een goed leven te geven. Dat is liefde. Maar als u ervan uitgaat dat uw kind altijd gezond moet blijven, altijd bij u moet wonen en altijd aan uw verwachtingen moet voldoen, maakt u uw geluk afhankelijk van omstandigheden die u niet kunt beheersen. Dan wordt uw liefde vermengd met een behoefte aan controle. Hetzelfde kan gebeuren in een partnerrelatie. We kunnen zoveel van onze partner houden dat we ons geen leven zonder hem of haar kunnen voorstellen. Dat is begrijpelijk, zeker wanneer we tientallen jaren samen zijn geweest. Maar als we de gedachte aan verlies niet kunnen verdragen en voortdurend bevestiging nodig hebben dat de ander bij ons blijft, kan onze liefde veranderen in angst en bezitterigheid. De stoïcijnen willen ons niet leren om minder van onze geliefden te houden. Ze willen ons leren om hen lief te hebben zonder te denken dat we hen kunnen bezitten. Dat betekent niet dat we afstandelijk moeten worden. Het betekent juist dat we de ander als een zelfstandig mens moeten blijven zien. Onze partner is niet op aarde om ons gelukkig te maken en onze kinderen zijn niet ons eigendom. We mogen genieten van hun aanwezigheid, maar moeten hun ook de vrijheid gunnen om hun eigen leven te leiden. Liefhebben zonder vast te klampen is misschien wel een van de moeilijkste vormen van liefde.
Waarom is het eigenlijk zo moeilijk om onze geliefden niet als vanzelfsprekend te beschouwen? Een belangrijke reden is dat we ons van nature graag veilig voelen. We houden van vertrouwdheid en continuïteit. We willen weten waar we aan toe zijn en vinden het prettig wanneer de mensen om ons heen er morgen nog net zo zijn als vandaag. Onze hersenen zijn bovendien niet uitsluitend gericht op het ervaren van het huidige moment. We voorspellen voortdurend wat er kan gebeuren, proberen risico's in te schatten en bereiden ons voor op mogelijke bedreigingen. Dat is vanuit evolutionair perspectief heel begrijpelijk. Het heeft onze voorouders geholpen om gevaar te herkennen en te vermijden. Maar hetzelfde vermogen kan ons ook ongelukkig maken. We kunnen ons allerlei rampscenario's inbeelden. Wat als mijn partner ziek wordt? Wat als mijn kind een ongeluk krijgt? Wat als mijn beste vriend overlijdt? Wat als ik zelf eerder sterf dan de mensen van wie ik houd? Soms zijn dergelijke gedachten nuttig. Ze kunnen ons aansporen om voorzichtig te zijn, goed voor elkaar te zorgen en praktische voorzorgsmaatregelen te nemen. Maar wanneer we voortdurend bezig zijn met mogelijke verliezen, beroven we onszelf van het plezier van de momenten die we daadwerkelijk samen hebben. De stoïcijnen maken hier een onderscheid tussen het voorbereiden op tegenslag en het voortdurend ondergaan van denkbeeldige tegenslag. We mogen ons realiseren dat onze geliefden sterfelijk zijn, maar hoeven niet iedere dag te leven alsof hun dood op handen is. Het doel van de stoïcijnse oefening is niet om ons angstiger te maken, maar om ons minder afhankelijk te maken van de garantie dat alles goed zal blijven gaan.
Kan dankbaarheid een alternatief zijn voor angst? In plaats van voortdurend te denken aan wat we kunnen verliezen, kunnen we ons richten op wat we hebben mogen ontvangen. Dat is geen ontkenning van de vergankelijkheid. Het is juist een andere manier om ermee om te gaan. De gedachte 'ik kan je verliezen' kan angst oproepen. De gedachte 'wat bijzonder dat ik jou in mijn leven heb' kan dankbaarheid oproepen. Beide gedachten erkennen dezelfde werkelijkheid, maar leiden tot een heel andere levenshouding. Dit brengt ons bij de paradox van de vergankelijkheid. Het klinkt misschien merkwaardig, maar het besef dat we onze geliefden kunnen verliezen, kan onze liefde juist verdiepen. Stel u twee vaders voor. De eerste staat er regelmatig bij stil dat zijn dochter sterfelijk is. Hij beseft dat haar leven kwetsbaar is en dat hij niet kan garanderen dat ze morgen weer veilig thuiskomt. Dat besef maakt hem niet voortdurend angstig, maar zorgt ervoor dat hij haar aanwezigheid niet als vanzelfsprekend beschouwt. Hij neemt de tijd om naar haar verhalen te luisteren, geeft haar aandacht en geniet van de momenten die ze samen hebben. De tweede vader is zo gewend geraakt aan de aanwezigheid van zijn dochter dat hij haar nauwelijks nog opmerkt. Hij gaat ervan uit dat ze er morgen ook wel weer zal zijn en heeft het te druk met zijn krant, zijn werk en zijn dagelijkse beslommeringen om werkelijk aandacht aan haar te besteden. Welke vader geeft zijn dochter de meeste aandacht en liefde? Waarschijnlijk de eerste. Het besef van vergankelijkheid kan dus een opmerkelijk effect hebben. Doordat we weten dat iets niet eeuwig zal duren, leren we het beter waarderen zolang we het hebben. We worden ons bewuster van de waarde van gewone momenten die anders misschien onopgemerkt voorbij zouden gaan.
Dat betekent niet dat we voortdurend aan de dood moeten denken. Het zou nogal vermoeiend zijn als we bij iedere kus, iedere maaltijd en ieder gesprek nadrukkelijk moesten stilstaan bij de mogelijkheid dat het de laatste keer is. De kunst is om af en toe de vanzelfsprekendheid van ons bestaan te doorbreken. We kunnen bijvoorbeeld bij het afscheid nemen van onze partner even bewust aandacht geven aan de omhelzing. We kunnen een vriend bellen in plaats van het bezoek opnieuw uit te stellen. We kunnen onze waardering uitspreken tegenover iemand die veel voor ons betekent. Het gaat erom dat we niet wachten met leven totdat we met verlies worden geconfronteerd.
Ook onze vriendschappen zijn kwetsbaar. Vrienden kunnen verhuizen, uit ons leven verdwijnen of overlijden. Soms raken we elkaar kwijt door een ruzie die achteraf nauwelijks de moeite waard blijkt te zijn. We stellen een bezoek uit omdat we het druk hebben en denken dat we elkaar volgende maand wel weer zullen zien. Maar wat als dat volgende bezoek er nooit komt? Wanneer u afscheid neemt van een vriend, kunt u zich realiseren dat dit misschien wel de laatste keer is geweest dat u elkaar hebt gezien. Dat hoeft het afscheid niet somber te maken. Het kan u juist aanmoedigen om nog even door te praten, een hartelijke omhelzing te geven of uit te spreken hoeveel die vriendschap voor u betekent. Hetzelfde geldt voor onze partner en familieleden. Hoe gemakkelijk is het niet om na jaren samenleven de aanwezigheid van de ander als iets vanzelfsprekends te beschouwen? We kennen elkaars gewoonten, weten wat we aan elkaar hebben en delen een groot deel van ons dagelijks leven. Juist die vertrouwdheid kan ervoor zorgen dat we vergeten hoe bijzonder het eigenlijk is dat we samen zijn. Het stoïcijnse ‘hic et nunc', hier en nu, krijgt daarmee een diepere betekenis. Het is niet alleen een aansporing om aandachtig te leven, maar ook om onze genegenheid niet uit te stellen. Zeg wat u te zeggen hebt. Toon uw waardering. Maak tijd voor de mensen die belangrijk voor u zijn. We leven maar op één moment tegelijk. Het verleden kunnen we niet veranderen en de toekomst is onzeker. Alleen in het heden kunnen we daadwerkelijk iets voor onze geliefden betekenen.

Met AI gegenereerde afbeelding
Wat de moderne psychologie ons leert over eindigheid komt, u heeft het vaker gehoord, verrassend goed overeen met wat de stoïcijnen daarover zeiden. De gedachte dat het besef van onze sterfelijkheid onze aandacht voor relaties kan verdiepen, is dan ook niet uitsluitend een filosofische overweging. Ook in de moderne psychologie is onderzoek gedaan naar de manier waarop mensen hun tijd en sociale relaties waarderen. Een interessante theorie is de ‘socioemotional selectivity theory' van de Amerikaanse psychologe Laura Carstensen.
Volgens deze theorie heeft de manier waarop we onze toekomst ervaren invloed op de doelen die we nastreven. Wanneer we jong zijn, lijkt de toekomst meestal nog vrijwel onbeperkt. We hebben het gevoel dat er alle tijd is om nieuwe mensen te ontmoeten, kennis op te doen, carrière te maken en allerlei ervaringen te verzamelen. We zijn vaak gericht op het uitbreiden van onze mogelijkheden. Wanneer we ouder worden of om een andere reden beseffen dat onze resterende tijd beperkt is, verandert dat perspectief. We gaan meer waarde hechten aan emotioneel betekenisvolle ervaringen en bestaande relaties. We besteden mogelijk minder tijd aan oppervlakkige contacten en meer aan de mensen die werkelijk belangrijk voor ons zijn. Dat is een interessante overeenkomst met de stoïcijnse levenskunst. Ook daar staat het besef van eindigheid in dienst van een herwaardering van het leven. Wanneer we begrijpen dat onze tijd beperkt is, kunnen we ons beter richten op wat werkelijk de moeite waard is. De psychologie voegt hier een belangrijk inzicht aan toe: we hoeven niet te wachten tot we oud zijn om deze verandering in perspectief te ervaren. Niet alleen een ernstige ziekte, het overlijden van een vriend of een andere ingrijpende gebeurtenis kan ons bewust maken van de beperktheid van onze tijd. We kunnen er ook zelf voor kiezen om ons daarvan bewust te zijn. De dood kan zo een spiegel worden waarin we opnieuw ontdekken wat we belangrijk vinden. Maar waarom zou u wachten tot het noodlot toeslaat? Het stoïcisme kent talrijke oefeningen die u kunnen helpen om de relatie met uw geliefden intenser en inniger te maken.
Maar wat wanneer de dood werkelijk toeslaat? Tot nu toe hebben we vooral gesproken over het besef dat onze geliefden ooit zullen sterven. Maar wat gebeurt er wanneer die mogelijkheid werkelijkheid wordt? Wanneer de persoon van wie we houden daadwerkelijk overlijdt? De stoïcijnen worden nogal eens afgeschilderd als mensen die zelfs bij het overlijden van hun partner of kind onbewogen zouden moeten blijven. Dat is een misverstand. De stoïcijnse filosofie vraagt niet dat we ophouden van iemand te houden en evenmin dat we geen verdriet meer voelen wanneer die persoon sterft. Seneca heeft verschillende troostgeschriften geschreven voor mensen die met verlies werden geconfronteerd. Hij erkent daarin dat verdriet een natuurlijke reactie is op het overlijden van een geliefde. In zijn brief aan Lucilius over het verlies van zijn vriend Flaccus schrijft hij dat we onze overleden vrienden mogen missen en om hen mogen huilen. Hij maakt daarbij onderscheid tussen verdriet dat spontaan opkomt en verdriet dat we door onze eigen gedachten en oordelen verder versterken (Seneca brieven aan Lucilius; brief 63). Dat onderscheid is belangrijk. Wanneer we horen dat iemand van wie we houden is overleden, kunnen we worden overvallen door schrik, ongeloof, tranen en een overweldigend gevoel van gemis. Zulke eerste reacties kunnen we niet zomaar tegenhouden. Ze ontstaan vaak voordat we er bewust over hebben kunnen nadenken. De stoïcijnen noemen dergelijke onwillekeurige reacties soms ‘propatheiai’ of pre-emoties: eerste, nog niet volledig uitgewerkte emotionele reacties. Ze kunnen ons lichaam en onze geest tijdelijk volledig in beslag nemen. Dat is niet hetzelfde als een bewuste instemming met een oordeel dat ons leven ondraaglijk is geworden.
Het stoïcisme begint daarom niet met het onderdrukken van verdriet, maar met het leren omgaan met wat er gebeurt. We mogen huilen, rouwen, herinneringen ophalen en onze geliefde missen. We hoeven onszelf niet te verwijten dat we verdrietig zijn. Wat we wel kunnen onderzoeken, zijn de gedachten die zich met ons verdriet verbinden. We kunnen bijvoorbeeld gaan denken dat ons leven zonder de overledene geen enkele betekenis meer heeft, dat we nooit meer gelukkig zullen worden of dat alles wat mooi was voorgoed verdwenen is. Dergelijke gedachten zijn begrijpelijk, maar niet noodzakelijk waar. We kunnen proberen ze kritisch te onderzoeken zonder de pijn van het verlies te ontkennen. Dat is geen eenvoudige opgave. Het verlies van een partner met wie we tientallen jaren hebben samengeleefd, of van een kind, kan ons hele bestaan ontwrichten. Het zou onmenselijk zijn om te suggereren dat een juiste filosofische instelling dit verdriet eenvoudig kan wegnemen. De stoïcijnse levenskunst biedt geen verdoving tegen verdriet. Ze biedt een manier om ondanks het verdriet de mogelijkheid van een betekenisvol leven open te houden.
Een van de moeilijkste aspecten van rouw is misschien wel dat we niet alleen iemand verliezen, maar ook een toekomst die we samen voor ogen hadden. Wanneer een partner overlijdt, verliezen we niet alleen de persoon met wie we gisteren aan tafel zaten. We verliezen ook de vakanties die we nog samen wilden maken, de gesprekken die we nog zouden voeren en de alledaagse momenten waarvan we dachten dat ze vanzelfsprekend zouden blijven terugkomen. Een overlijden verandert daarmee ook onze verhouding tot het verleden en de toekomst. Het verleden wordt een verzameling herinneringen en de toekomst moet opnieuw worden vormgegeven.
Toch hoeft het overlijden van iemand niet te betekenen dat de liefde voor die persoon verdwijnt. Een relatie kan een blijvende betekenis houden, ook wanneer de ander er niet meer is. We kunnen de overledene blijven herinneren, dankbaar zijn voor wat we samen hebben meegemaakt en bepaalde gewoonten of waarden uit de relatie in ons eigen leven voortzetten. Het is zelfs mogelijk dat we door het verlies beter begrijpen wat die persoon voor ons heeft betekend. Niet omdat de dood de relatie mooier maakt dan ze was, maar omdat afstand ons soms laat zien wat we tijdens het samenleven niet altijd voldoende hebben opgemerkt. We hoeven onze geliefden niet te vergeten om verder te kunnen leven. We hoeven evenmin te doen alsof hun dood ons onverschillig laat. Het gaat erom dat we leren om de herinnering een plaats te geven in ons veranderde bestaan. Een modern stoïcijn zou kunnen zeggen dat we de liefde niet moeten verwarren met de fysieke aanwezigheid van degene die we liefhebben. Die aanwezigheid kunnen we verliezen, maar de betekenis van wat we samen hebben gedeeld, hoeft daarmee niet verloren te gaan.
De vergankelijkheid van onze relaties past in een veel groter stoïcijns wereldbeeld. Volgens de stoïcijnen is de natuur voortdurend in beweging. ‘Panta rhei', alles stroomt, alles ontstaat, verandert en verdwijnt weer. Niets blijft precies zoals het is. Marcus Aurelius schrijft hierover in zijn stoïcijnse dagboek:
“Het één ontstaat, het andere vergaat en van wat net ontstaan is, is een deel alweer aan het vergaan. Stroming en verandering vernieuwen de kosmos aan één stuk door. De voortsnellende tijd maakt zo ook de eeuwigheid steeds weer nieuw.”
(Marcus Aurelius, Persoonlijke notities, VI, 15)
Voor Marcus Aurelius is vergankelijkheid geen ongelukkige uitzondering op de orde van de natuur, maar juist een wezenlijk onderdeel daarvan. Alles wat ontstaat, zal ook weer verdwijnen. De wereld zou niet kunnen bestaan zoals ze bestaat als alles eeuwig hetzelfde bleef. Ook onze eigen levens maken deel uit van deze voortdurende verandering. We worden geboren, groeien op, worden ouder en sterven. Onze relaties veranderen mee. Kinderen worden volwassen, ouders worden ouder, vrienden komen en gaan en partners worden soms door de dood van elkaar gescheiden. We kunnen proberen deze veranderingen tegen te houden, maar dat is uiteindelijk een verloren strijd. De stoïcijn probeert daarom niet de wereld naar zijn hand te zetten, maar leert de werkelijkheid te aanvaarden zoals ze is. Dat betekent niet dat we alles maar moeten laten gebeuren. We kunnen en moeten ons inspannen om onze geliefden te beschermen, zieken te verzorgen en onrecht te bestrijden. Maar we moeten ook erkennen dat onze inspanningen geen absolute garantie bieden. We hebben invloed op onze handelingen, maar niet op de uiteindelijke uitkomst. Dat onderscheid kan ons helpen om verantwoordelijkheid te nemen zonder onszelf verantwoordelijk te maken voor alles wat ons overkomt.
Op dit punt is het goed om nog eens kritisch naar de klassieke stoïcijnse leer te kijken. Voor de klassieke stoïcijnen was virtuositeit het enige echte goed. Zaken als gezondheid, rijkdom, vriendschap, liefde en zelfs het leven zelf werden tot de zogenaamde 'indifferentia' gerekend. Daarmee bedoelden ze niet dat deze zaken onbelangrijk waren. Ze maakten een onderscheid tussen wat werkelijk bijdraagt aan een goed menselijk karakter en wat dat niet rechtstreeks doet. Een goede gezondheid is bijvoorbeeld te verkiezen boven ziekte. Vriendschap is te verkiezen boven eenzaamheid. Het leven is te verkiezen boven de dood. Maar geen van deze omstandigheden kan op zichzelf garanderen dat iemand een goed mens is of een gelukkig leven leidt. Dat hangt volgens de stoïcijnen uiteindelijk af van zijn eigen virtuositeit.
Voor het moderne stoïcisme is deze gedachte nog steeds waardevol, maar ze verdient enige nuance. Dat iets buiten onze volledige controle ligt, betekent immers niet dat het onbelangrijk is. De liefde van een partner, de aanwezigheid van kinderen en de vriendschap van anderen kunnen van enorme betekenis zijn voor ons bestaan. We zijn sociale wezens. Onze ontwikkeling, ons welzijn en onze mogelijkheden om een betekenisvol leven te leiden zijn nauw verbonden met andere mensen. Bovendien behoren zorgzaamheid, rechtvaardigheid en medemenselijkheid tot de belangrijkste stoïcijnse deugden. We kunnen die eigenschappen nauwelijks ontwikkelen zonder relaties met andere mensen. Liefde en verbondenheid zijn dus niet alleen aangename toevoegingen aan ons bestaan, maar ook belangrijke gelegenheden om onze menselijkheid tot uitdrukking te brengen. Het zijn juist bij uitstek de punten waarop u uw stoïcijnse virtuositeit moet laten gelden. De moderne stoïcijn hoeft daarom niet te doen alsof het verlies van een geliefde een onbelangrijke gebeurtenis is. Hij mag erkennen dat dit verlies een enorme invloed heeft op zijn leven. Wat hij probeert te voorkomen, is dat de omstandigheden zijn vermogen om een goed mens te blijven volledig bepalen. Het verschil is subtiel, maar wezenlijk. We mogen intens verdrietig zijn om het verlies van iemand die we liefhebben. We hoeven ons verdriet niet te ontkennen om toch te proberen verstandig, moedig, rechtvaardig en gematigd te blijven handelen. Misschien moeten we de klassieke gedachte dat alleen virtuositeit werkelijk goed is daarom vooral begrijpen als een aansporing om onze morele vrijheid te behouden, ook wanneer het leven ons zwaar op de proef stelt.
De vergankelijkheid van de wereld dwingt ons om ons te realiseren dat er voor alles wat we doen een laatste keer is. Er is een laatste keer dat u door vers gevallen sneeuw loopt, een laatste keer dat u de geur van gemaaid gras opsnuift en een laatste keer dat u uw kind omarmt. Er komt een moment waarop u voor het laatst met uw partner aan de ontbijttafel zit, voor het laatst een vriend belt of voor het laatst samen met iemand lacht zonder te weten dat het de laatste keer is. Meestal weten we niet wanneer dat moment aanbreekt.
Dat besef kan ons verdrietig maken, maar het kan ons ook bevrijden van de illusie dat we alle tijd van de wereld hebben. We hoeven niet voortdurend bezig te zijn met wat er allemaal nog moet gebeuren. We kunnen ons afvragen welke mensen en ervaringen werkelijk belangrijk voor ons zijn en of we daar voldoende aandacht aan besteden.
Misschien is dat hier uiteindelijk de belangrijkste les van de stoïcijnen. Heb uw geliefden lief, wees gul met uw aandacht en stel uw genegenheid niet uit tot een later moment. Houd niet krampachtig vast aan wat u niet kunt behouden, maar wees dankbaar voor wat u hebt mogen meemaken. We kunnen de dood niet uit ons leven bannen. We kunnen evenmin voorkomen dat we ooit afscheid moeten nemen van mensen van wie we houden. Maar we kunnen wel bepalen hoe we de tijd die ons samen gegeven is, willen besteden. Het gaat uiteindelijk niet om leren sterven, maar om leren liefhebben zolang we leven. En misschien is dat wel de diepste betekenis van het stoïcijnse ‘hic et nunc’: niet alleen beseffen dat dit moment voorbijgaat, maar vooral begrijpen dat de mensen met wie we dit moment delen, er niet altijd zullen zijn. Begin daarom niet morgen met leven. Begin vandaag! Met de mensen die er zijn, met de liefde die u kunt geven en met de aandacht die u nu kunt schenken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten