woensdag 9 augustus 2017

HELP DE WERELD VERGAAT!

We leven in benarde tijden. De klimaatsverandering gaat onze Aarde in één grote woestijn veranderen, maar nog voor het zover gaat komen zullen islamitische horden de wereld in één grote hel van oorlog en martelingen storten. O nee, nog voor die tijd zullen vluchtelingenstromen de moderne beschaving uitroeien en zullen brulkikkers als Trump en Poetin een nucleaire oorlog ontketenen. Als we dat moment tenminste redden want de kans is groot dat de meeste onder ons eerst bezwijken aan onveilig en besmet voedsel, of aan één van die nieuwe enge ziektes.

Overal waar je maar kijkt lijkt een gevoel van algemene paniek de kop op te steken. Meer of minder dubieuze politici en volksmenners vinden het heerlijk om telkens weer een nieuwe noodtoestand uit te roepen. En een dergelijke grootschalige noodtoestand vereist natuurlijk een oplossing van bovenaf. Het enige mogelijke antwoord is een mobilisatie van de samenleving als geheel en de vestiging van een of andere vorm van dictatuur die de mensen verenigt rondom één enkel doel. En als je behoefte hebt aan zo’n commandostructuur, misschien met jouzelf en je vrienden (die trouwens al snel niet langer je vrienden zullen zijn) aan het hoofd, dan doe je er goed aan een noodtoestand te verzinnen die deze oplossing nodig maakt. Denk aan de Franse Revolutie. Zij die de macht overnamen van de koning en het hof (de girondijnen, zoals ze genoemd werden) waren voor het grootste deel redelijke, tot een compromis bereide mensen, die streefden naar een vergelijk met de bestaande orde en de rechtzetting van oude misstanden. Hun plaats werd echter onder uitroeping van een noodtoestand algauw ingenomen door de jakobijnen onder leiding van Saint-Just en Robespierre. Het Franse volk werd gewaarschuwd voor de dreigende ondergang als er niet onmiddellijk iets werd gedaan en ze beloofden een nieuwe orde die voorgoed een eind zou maken aan de diepere oorzaken van maatschappelijke conflicten. Een heel bekend scenario dat al vaker was voorgekomen en in de moderne tijd bedienden figuren als Hitler, Stalin, en Mao zich van deze tactiek, die dus ook tegenwoordig weer enorm populair is. Kijk maar naar de fanatieke milieuactivisten, de populisten en zelfs de liberale marktdenkers zijn er niet vies van om de kaart van de collectieve paniek uit te spelen.
Met een dergelijke populistische tactiek proberen bewegingen van allerlei pluimage mensen te verenigen rond een collectief doel. Daarmee bieden ze hun aanhangers de bemoediging van de solidariteit aan mensen die tot dan toe kampten met gevoelens van hulpeloosheid en vervreemding. Ze groeien doordat ze een politiek platform bieden aan de passies van de groep en de religieuze oerervaring: de ervaring lid van een gemeenschap te zijn.

Onheilsprofetieën en voorschriften voor wie verlossing zoekt zijn twee kanten van dezelfde medaille. Zo gaan ook de grote heilsreligies te werk: eerst confronteren ze zondaars met een beschrijving van hun situatie die geen andere uitweg lijkt open te laten dan louter wanhoop, om vervolgens hoop te bieden in de vorm van een alomvattende leer, de weg van zuiverheid en onderwerping, de enige kans op verlossing. Het doemscenario heeft tot gevolg dat alle geloof in kleinschalige, door onderhandeling verkregen oplossingen wordt weggenomen en in plaats daarvan een groot en alomvattend heilsverlangen wordt gecreëerd. Dan wordt de verlossing aangeboden, op een manier die niets anders vereist dan gehoorzaamheid. Verder spreekt de leer van gevaren: er zijn onder ons gezellen van de duivel, die met hun verkeerde oplossingen even zovele valstrikken zetten voor wie niet oplet; zij moeten worden opgespoord en uitgeroeid, wil de weg naar het heil niet worden verduisterd. De jacht op en vervolging van ketters maakte daarom een belangrijk deel uit van de activiteiten die populistische en religieuze bewegingen tot op de dag van vandaag van hun leden eisen, en zodra de verlossingsillusie heeft overwonnen wordt politiek tot ketterjacht, partijstrijd en het opsporen van ‘de vijand in eigen huis’. Het behoeft geen betoog dat we hier in de huidige omstandigheden niets mee opschieten. Maar de neiging is er, en het is goed die te begrijpen.

Kortom waar u ook kijkt overal heerst paniek of wordt paniek gezaaid. Dit oprechte gevoel van paniek is niet het resultaat van het verzamelen van op feiten gebaseerd bewijsmateriaal. De paniek komt eerst, het bewijsmateriaal komt later wel. En het is de paniek waar men aan vasthoudt als het bewijsmateriaal niet voorhanden blijkt te zijn. Voor een stoïcijn is paniek natuurlijk een te vermijden negatieve emotie, die bovendien meestal niets met de feiten te maken heeft. Een rationeel feitenonderzoek zou de basis voor de oplossing van elk serieus probleem moeten zijn, maar is dat doorgaans niet. Paniek is wel een heel natuurlijke reactie die in de oertijd ooit een belangrijke rol speelde bij de overleving van de menselijke soort. Het uitroepen van de noodtoestand doet een appél op iets heel dieps in de menselijke natuur: een residu van oude angsten en collectieve paniek, afgezet in de duistere tijden waarin onze soort zijn oorsprong vond. Het collectieve alarm, waarbij het alfamannetje voorgaat in een massabeweging van vechten of vluchten, is een oude aanpassing, die thans in tijden van politieke orde en rationele discussie haar functie verloren heeft, maar daardoor niet minder reëel is geworden. Zolang onze beschaving duurt, en ondanks het prachtige bestuursapparaat dat ons is nagelaten door de Griekse democratie, het Romeinse recht en de joods-christelijke tucht van vergiffenis en naastenliefde, hebben we panische massabewegingen gezien, soms op gang gebracht door een werkelijk dreigend gevaar van oorlog, invasie of pest, maar even zo vaak voortgekomen uit de verbeelding, wanneer gedachten over het laatste oordeel, over hekserij en het werk van de duivel, over de wederkomst van Christus of het eind der tijden, zich razendsnel verbreidden door de sidderende massa’s goedgelovige, onwetende mensen. Wie de straat op rent onder het roepen van ‘Het einde is nabij!’ weet zich van een publiek verzekerd. Of het nu seculier of godsdienstig is, dit onverzoenlijke doemdenken gaat altijd gepaard met een volledige afwijzing van het leven zoals het werkelijk is.

Zich verenigen voor een grote zaak maakt opofferingen gemakkelijker, geeft duidelijke doelen en strategieën en produceert het soort kameraadschap dat we in legers en religieuze missies zien. Het verlangen naar dit soort kameraadschap is ons stellig ook door de evolutie ingeplant. Mensen die niet in staat waren zich op deze manier te verenigen zouden door een noodtoestand worden overweldigd; ze zouden zich niet tegen aanvallen kunnen verdedigen en in de omstandigheden van jagers en verzamelaars waarschijnlijk gedoemd zijn te verhongeren.

Maar, volgens de stoïcijnen zijn het juist deze oude aanpassingen waar we een remedie en tegenwicht voor moeten vinden nu we immers beschikken over die hoogste vorm van aanpassing: de rede. Lidmaatschap van doelgerichte organisaties heeft als nadeel dat het doel zelf niet meer zomaar aan kritisch onderzoek kan worden onderworpen, dat men in het belang van de eenheid aan de interne gebreken en tegenstrijdigheden moet voorbijgaan en dat critici onvermijdelijk worden behandeld als vijanden, als mensen die ‘er niet bij horen’ en die buiten het bereik van de eerste persoon meervoud vallen. Dit verklaart ongetwijfeld het negatieve karakter van zo veel radicale campagnes, die vaak veel duidelijker zijn over waar ze tégen zijn dan over waar ze vóór zijn. Vernietigen is gemakkelijk, creëren moeilijk. Het is gemakkelijk aan te geven waar het ressentiment zich tegen richt, en dat neer te halen; het is moeilijker aan een wereld te bouwen waarin mensen in vrede leven met diegenen die hun meningen niet delen of die meer geluk hebben dan zijzelf.

Een stoïcijn zal ten alle tijden proberen te voorkomen zich mee te laten slepen door een dergelijke groepsdruk en de neiging om achter de leider aan te lopen. Deze neigingen zijn weliswaar natuurlijk en het gevolg van miljoenen jaren van natuurlijke selectie, maar zijn in de huidige tijd contraproductief en een bron van veel, te voorkomen, ellende. De mens beschikt over een andere niet minder natuurlijke neiging die in staat is de hier beschreven negatieve gevolgen te voorkomen: de rede.


zaterdag 5 augustus 2017

EEN SPOEDCURSUS STOÏCISME DEEL I

Inleiding

In het oude Athene was het stoïcisme één van de vier grote filosofische scholen. Naast Plato's Academie, het Lyceum van Aristoteles en de tuin van Epicurus was de stoa de vierde 'universiteit' van de antieke wereld. De enige universiteit die zijn lessen gratis en in het openbaar aanbood. De naam stoa komt van de halfopen overdekte marktplaats waar Zeno, de oprichter van de school, zijn lessen gaf. Deze marktplaats of stoa lag in het centrum van Athene en de achtermuur was versierd met kleurige schilderingen. De zuilengalerij werd daarom ook wel de ‘stoa poikilè’, de veelkleurige zuilengalerij, genoemd.

Tot de komst van de stoïcijnse school speelde het individu in de Griekse filosofie een ondergeschikte rol. De rol van het individu lag in zijn functioneren binnen de ‘polis’, de stadsstaat. Het ging dus niet om wie iemand was, maar om wat hij was, om wat zijn functie was binnen de sociale structuur van de stad. Met de veroveringen van Alexander de Grote en het ontstaan van een groot panhelleens rijk kwam er verandering in dit overwegend sociale denken. De stoïcijnse filosofie en haar grote concurrent het epicurisme, hield zich meer bezig met het menselijk gedrag in het dagelijks leven dan met allerlei abstracte waarheden. Ze probeerden de mens als individu weerbaar te maken tegen alle bedreigingen die zijn geluk en welzijn in de weg stonden.


Geschiedenis

Het geven van een beknopt overzicht van de stoïcijnse filosofie is haast niet te doen. Van de oorspronkelijke Griekse stoïcijnen zijn nauwelijks geschriften overgeleverd. Bijna alles wat we van de eerste driehonderd jaar van het stoïcijnse denken weten komt uit citaten in de boeken van Romeinse schrijvers als Cicero en Seneca. Ook de anti-stoïcijnse Plutarchus geeft een aantal citaten uit de werken van de eerste stoïcijnen, maar hij probeert zijn stoïcijnse tegenstanders in een zo kwaad mogelijk daglicht te plaatsen. Dit helpt allemaal niet om een goed beeld te schetsen van de vroegste stoïcijnse ideeën. Daar komt nog eens bij dat het stoïcisme een van nature dynamische filosofie is. De stoïcijnse filosofie is niet statisch en dogmatisch, maar constant in beweging. Nieuwe ideeën en inzichten worden zonder problemen in de leer opgenomen. Er is zelfs een stoïcijns gezegde dat zegt: ‘Ik heb Zeno lief, maar de waarheid is mij liever’. Verandering en aanpassing van de heersende leer vormden dus een belangrijk onderdeel van die leer. Stoïcijnse filosofen stimuleren hun leerlingen dan ook om niet alleen bij de eigen doctrine te rade te gaan. Stoïcijnen incorporeerden dan ook de door hen bewonderde stellingen uit andere filosofische tradities in hun filosofie. Daarnaast werd er van een stoïcijn verwacht dat hij zelf actief naar nieuwe eigen ideeën en inzichten op zoek ging.

Er vallen natuurlijk weldegelijk een paar grote lijnen in de ontwikkeling van de filosofie aan te geven. Traditioneel wordt de geschiedenis van het stoïcisme in drie periodes ingedeeld. De oude Griekse stoa van ongeveer 300 voor Christus tot 150 voor Christus, de middelste stoa van 150 voor Christus tot 50 voor Christus en de jongere Romeinse stoa van 50 voor Christus tot ongeveer het jaar 200. De voornaamste vertegenwoordigers van de oude stoa waren Zeno, de oprichter van de school, Cleanthes, zijn opvolger, en Chrysippus. Chrysippus wordt wel de tweede oprichter genoemd, hij was een beroemd redenaar en logicus die de stoïcijnse leer zijn wetenschappelijke vorm gaf.

De middelste stoa had Panaetius van Rhodus (184-109 v. Chr.) en Posidonius van Apamea (135- 50 v. Chr.) als belangrijkste vertegenwoordigers. Het Romeinse Rijk ontstond in de periode van de middelste stoa en het stoïcisme had veel aanhang bij de Romeinse elite. Posidonius stichtte een stoïcijnse school op het eiland Rhodus. Hij was naast filosoof ook ontdekkingsreiziger en wetenschapper. Er wordt gedacht dat het beroemde mechanisme van Antikythera, een soort mechanische computer, door hem gebouwd is. Panaetius woonde een tijdje in Rome en het vermoeden bestaat dat een aantal van de boeken van Cicero eigenlijk vertalingen zijn van door Panaetius geschreven boeken. Panaetius versoepelde de strenge leer van de oude stoa en legde de nadruk niet langer op het nastreven van absolute wijsheid, maar op het maken van vooruitgang in de richting van wijsheid. Hij zag dat het bereiken van absolute kennis onmogelijk was en dat volstaan kon worden met een serieuze poging om het menselijke inzicht te verruimen.

De meer realistische insteek van Panaetius paste beter bij de Romeinse morele opvattingen. Van de Romeinse elite werd verwacht dat ze carrière maakten en iets met hun leven deden. Een volledig op de wijsheid gerichte levenswijze paste daar niet in. Het stoïcisme bood de Romeinse intellectueel een aantrekkelijk logisch samenhangend systeem dat om maatschappelijke betrokkenheid van zijn aanhangers vroeg. Het praktische en realistische stoïcisme werd dan ook immens populair. De voornaamste vertegenwoordigers van de jonge Romeinse stoa zijn de filosoof, wetenschapper, tragediedichter, zakenman en politicus Seneca (4 v. Chr.- 65), de vrijgelaten slaaf en schoolleider Epictetus (50-130) en de keizer Marcus Aurelius (121-180). We kennen het stoïcisme vooral uit de werken van deze drie auteurs, die van de Oudheid via de Renaissance tot op heden onverminderd populair zijn gebleven.


Het stoïcisme is een allesomvattende en behoorlijke complexe filosofie die alles bevat van metafysica, logica, fysica, astronomie tot grammatica en retoriek toe. Het werk van deze drie beroemde stoïcijnen richt zich echter vooral op de ethiek. Ethiek leek in die tijd nogal op wat wij tegenwoordig psychotherapie en levenscoaching zouden noemen. Ze geven advies over alles wat nodig is om een prettig, betekenisvol en gelukkig leven te kunnen leiden. De volgende delen van deze spoedcursus ga ik wat dieper in op de stoïcijnse filosofie.

zaterdag 15 juli 2017

NIETS EN NIEMAND STAAT U IN DE WEG

De stoïcijnen zeggen dat we moeten leren ons alleen druk te maken over dingen waar we controle over hebben. De wereld van het menselijk geluk valt in te delen in een intern en een extern deel. De meeste mensen houden zich vooral bezig met externe zaken, met de buitenwereld. De wereld van auto’s, huizen, werk, vrienden en familie. Ze denken gelukkig te kunnen worden door zo veel mogelijk spullen uit de externe wereld om zich heen te verzamelen. De gemiddelde mens zal u zeggen dat u om gelukkig te worden aan het werk moet, u moet een baan zoeken, om salarisverhoging vragen en sparen en uiteindelijk zult u dat droomhuis, die prachtige auto en die 3D-tv kunnen kopen die u gelukkig zullen maken.

De stoïcijnen denken daar heel anders over. Zij zeggen dat u moet leren alleen die dingen te willen die makkelijk te verkrijgen zijn. U moet uw geluk niet in de externe wereld zoeken, maar juist in de dingen waar u controle over hebt. Een stoïcijn zoekt virtuositeit en geluk daarom in zijn interne wereld. Een wereld waar hij wel controle over heeft.

‘Van al het bestaande hebben wij over sommige dingen controle en over andere niet. Controle hebben wij over onze meningen, onze wil, onze begeerte en afkeer. Al deze dingen kunnen wij zelf bewerkstelligen.
Over ons lichaam hebben wij geen controle. Ook niet over bezit of over reputatie en carrière. Kortom, alles wat niet ons eigen werk is. Bedenk, dat de dingen waar we controle over hebben van nature vrij zijn. Zij kunnen niet gehinderd of belemmerd worden. Maar de dingen waar we geen controle over hebben, zijn krachteloos, onderworpen, vol belemmeringen en vreemd aan ons wezen.’ (Epictetus, Handboek 1).

Zo begint het Handboekje (het Encheiridion in het Grieks) van Epictetus, of eigenlijk van zijn leerling Arrianus. Arrianus maakte aantekeningen van de lessen die hij van Epictetus kreeg. Deze aantekeningen heeft hij later als het Handboekje en de Colleges van Epictetus uitgegeven. Zelf zou Epictetus nooit iets op papier gezet hebben. Hij zegt hier eigenlijk dat feiten als feiten niet te veranderen zijn, dat is nu eenmaal hun realiteit. Het weer, de politiek, andere mensen, de economie, onze carrière, zelfs ons eigen lichaam vallen buiten onze directe controle. Wat we wel volledig kunnen beheersen zijn onze meningen over die feiten en onze wijze van observeren.

Wat een onzin, zult u mischien denken. Dat ik geen invloed heb op het weer, daar kan ik nog inkomen, maar over mijn eigen lichaam en mijn carrière heb ik wel degelijk controle. Iedereen weet toch dat je hard moet werken om je doelen te bereiken en gelukkig te worden. Als ik maar lang en hard genoeg train kan ik de marathon van Rotterdam winnen of op z’n minst een goede classificatie maken. Als ik hard studeer en me volledig inzet voor mijn bedrijf kan ik carrière maken. Op dit soort dingen kan ik toch zeker wel invloed uitoefenen.

Toch is dat maar heel beperkt het geval. Iemand anders kan harder getraind hebben of een betere aanleg hebben, u kunt een slechte dag hebben of over een bananenschil struikelen. Voor uw carrière geldt hetzelfde. U kunt nog zo goed uw best doen, als uw baas u niet mag, als de markt uw product niet meer zit zitten, of als er op een examen net die ene verkeerde vraag wordt gesteld kan alles mis lopen. Wat u wel kunt beïnvloeden is uw intentie. U kunt uzelf voornemen uw uiterste best te doen om een wedstrijd te winnen, een examen te halen of een bepaalde baan te krijgen. De uitkomst blijft echter altijd onzeker, omdat die nu eenmaal mede afhankelijk is van externe omstandigheden waarover u geen invloed hebt. Waar u dus wel invloed op hebt is uw interne motivatie om u ergens voor in te zetten.

Maar stel dat het u lukt om iets uit de externe wereld dat u graag wilt hebben ook echt te krijgen. Dat zou toch ook een prima manier zijn om gelukkig te worden? Toch niet echt. De weg op weg naar verwezenlijking van uw verlangens geeft vaak aanleiding tot minder prettige emoties. Neem, bijvoorbeeld, een loonsverhoging. U krijgt van uw baas de zo gewilde toename van uw inkomen, maar in de periode voordat het u gelukt is voelde u zich angstig en onzeker. Heb ik wel hard genoeg gewerkt? Heb ik mijn targets wel allemaal overtroffen? Durf ik het mijn baas eigenlijk wel te vragen? Misschien wordt hij kwaad en krijg ik nu zeker geen verhoging meer, of nog erger wordt ik zelfs ontslagen.


De wereld valt dus toch in te delen in een extern deel waar we geen invloed op kunnen uitoefenen en een intern deel waarover we de volledige controle hebben. Als stoïcijn wilt u niet in de eerste plaats uw externe doel bereiken. Nee u wilt in de eerste plaats uw best doen om dat doel te bereiken. U stelt zich zelf geen extern doel, maar een intern doel. Een doel waar u volledige controle over hebt. Dat betekent dus dat u ook als u die wedstrijd ondanks al uw inspanningen verliest niet teleurgesteld hoeft te zijn. Het betekent ook dat u zich niet druk hoeft te maken als u uw baas om opslag vraagt. U hebt immers aan uw interne doelstelling om uw uiterste best te doen voldaan. Door u zelf interne in plaats van externe doelen te stellen kunt u zoals Epictetus het zei: nooit gehinderd of belemmerd worden.

zaterdag 1 juli 2017

STOÏCIJNSE VRIJHEID EN GELIJKHEID


Volgens de stoïcijnen is alleen al het beschikken over het vermogen om morele keuzes te maken voldoende om ieder mens een onbegrensde, gelijke waardigheid toe te kennen. Man en vrouw, slaaf en vrije, Griek en vreemdeling, rijk en arm, uit een hoge of een lage klasse afkomstig, iedereen is evenveel waard en deze waarde verplicht ons allemaal tot respect voor de ander. In navolging van hun cynische voorlopers gebruikten de stoïcijnen dit uitgangspunt voor een radicale aanval op de volgens hen verwerpelijke en volstrekt overbodige hiërarchie naar klasse, rang, eer en zelfs geslacht, waarmee in hun wereld onderscheid tussen mensen werd gemaakt. Hun denkbeelden hebben veel later door hun invloed op denkers als Grotius, Rousseau en Kant aan de basis gestaan van de moderne ideeën over rechtsstaat en gelijkwaardigheid.

Ook herkomst speelt voor de stoïcijnse denkers dus geen enkele rol voor de menselijke waardigheid. In stoïcijnse ogen zijn wij allemaal in de eerste en belangrijkste plaats burgers van de hele wereld der mensheid. Dit gemeenschappelijke morele burgerschap heeft belangrijke gevolgen voor wat onze morele plicht is. In zijn boekOver de plichten (De Officiis), maakt Cicero duidelijk dat gemeenschappelijke menselijkheid strikte plichten oplegt. We mogen bijvoorbeeld geen aanvalsoorlog voeren, hebben zelfs in oorlogstijd verplichtingen tegenover onze vijanden, moeten gastvrij zijn voor vreemdelingen op ons grondgebied en zo is er nog een hele reeks andere plichten waar een virtuoos mens aan moet voldoen. Cicero’s analyse van deze plichten heeft een enorme invloed gehad op het huidige politieke en juridische denken.


De stoïcijnse theorieën over gelijkheid weken wel af van onze moderne ideeën, maar vormden wel degelijk een voorloper op onze democratische rechtsstaat. Ook de stoïcijnse gedachten over vrijheid waren zeker niet een volledige kopie van ons eigentijds vrijheidsbegrip, maar geven ook hier weer een waardevolle grondslag om op voort te borduren. De menselijke gelijkwaardigheid is het gevolg van zijn fundamentele potentie tot redelijk en intelligent nadenken. Die potentie tot redelijkheden komt het best tot zijn recht als mensen ook vrij de mogelijkheid krijgen om er gebruik van te maken. Discussie en het uitoefenen van kritiek zijn van het grootste belang om tot juiste inzichten te kunnen komen. Daarvoor is vrijheid van het allergrootste belang. Met name het Romeinse stoïcisme richt zich daarom doelbewust op vrijheid als een kerndoel van goed bestuur en vindt het ‘gemengde regime’, een soort democratische monarchie, deels om die reden superieur aan de zuivere monarchie van de keizertijd. Stoïcijnen brachten hun overtuigingen ook herhaaldelijk in de praktijk door in samenzweringen tegen de keizer ter wille van vrijheid hun leven op het spel te zetten en dikwijls zelfs te verliezen.

zaterdag 24 juni 2017

Socrates en de stoïcijnen als uitgangspunt voor een betere samenleving

Socrates zei dat een goed mens geen kwaad kan overkomen. Daarmee bedoelde hij dat alles wat relevant is voor een geslaagd leven, gegarandeerd is zolang iemand maar deugdzaam (dus virtuoos) leeft. Alles wat een mens nodig heeft voor een goed en geslaagd leven heeft hij in zich, uiterlijke omstandigheden spelen daar volgens Socrates geen enkele rol bij. De stoïcijnen namen deze bij nader onderzoek nogal schokkende opvatting van hem over. Allerlei elementen die gewoonlijk onmisbaar worden geacht voor een geslaagd leven kunnen dan worden geschrapt. Een dergelijke opvatting vereist echter een radicale heroverweging van welke dingen in een leven bepalend zijn voor een geslaagd of gelukkig leven. De traditionele opvattingen moeten dan radicaal overboord gegooid worden.

Volgens de traditionele opvattingen lijkt het nauwelijks te ontkennen dat voor het vermogen om als mens te kunnen functioneren, voor het gedrag dat bij verschillende vormen van liefde en vriendschap een rol speelt en zelfs voor het gedrag dat geassocieerd wordt met de belangrijkste morele deugden (moed, rechtvaardigheid, wijsheid en matigheid), externe omstandigheden nodig zijn waarvoor de betreffende persoon niet zelf kan zorgen. Zonder die omstandigheden kunnen gebeurtenissen die we niet in de hand hebben schade toebrengen aan een gelukkig en geslaagd leven. Dat wil zeggen dat die gebeurtenissen niet alleen een goede of slechte invloed kunnen hebben op ons geluk, succes of welbevinden, maar ook op kernelementen van ons morele leven: of we erin slagen om in het openbare leven rechtvaardig te handelen, of we tot liefde en zorg voor een ander in staat zijn en of we de mogelijkheid krijgen ons moedig te gedragen. Externe factoren lijken zo een belangrijke ethische rol te spelen, omdat deze ons in meer of mindere mate in staat stellen tot het al dan niet deugdzaam handelen en daarmee tot een ethisch volledig leven.

Volgens de meeste mensen en ook volgens het gros van de filosofen valt het niet te ontkennen dat aan mensen die door een langdurige, ondermijnende ziekte zijn uitgeschakeld of die gevangenzitten en worden gemarteld, of aan vrouwen die door de vijand zijn verkracht en tot slavin gemaakt, duidelijk enkele ethisch belangrijke voorwaarden voor een geslaagd leven onthouden worden. Deze mensen zijn niet alleen ongelukkig, maar ze kunnen minder doen en minder geven en nemen van de dingen die nodig zijn voor een vervuld, goed menselijk leven. Daar dachten Socrates en in zijn voetspoor de stoïcijnen anders over.

Dus alleen wanneer je, net als Socrates, een geslaagd leven gelijkstelt aan een deugdzaam karakter en aan bepaalde activiteiten, met name aan verstandelijke beschouwing, is aannemelijk te maken dat iemand die goed is nooit van welslagen kan worden afgehouden. Hoe slecht je externe omstandigheden ook zijn, hoe veel pech je ook hebt, je kunt toch een geslaagd en gelukkig leven hebben. Alleen innerlijke aan je persoon verbonden activiteiten zijn immers onafhankelijk van externe omstandigheden. Dergelijke opvattingen over menselijk welslagen en geluk waren en zijn nog steeds bijzonder controversieel. Toch valt er veel te zeggen voor de uitwerking die de stoïcijnen van Socrates’ uitspraak hebben gemaakt. Zeker als je die uitwerking als grondslag gebruikt voor maatschappelijke veranderingen en de bevordering van een rechtvaardigere samenleving.

De stoïcijnen waren zich er terdege van bewust dat de oude opvattingen en ingesleten gewoontes altijd moeilijk te veranderen zijn en nog moeilijker als ze diepgeworteld lijken in de motiverende structuur van de persoonlijkheid. Zo zegt Seneca, bijvoorbeeld, dat je alleen al om woede te bestrijden levenslange waakzaam moet zijn. Externe omstandigheden, zeg maar gewoon het toeval, bepalen volgens de gangbare opvattingen dus in belangrijke mate of een mens er in slaagt zijn leven geslaagd en gelukkig te maken. Externe omstandigheden zijn in die opvatting dan ook de bron van onze emoties. Op grond van de stelling dat die emoties waardeoordelen zijn die aan dingen en mensen die iemand niet in de hand heeft, groot belang toekennen voor het welslagen van die persoon, betogen de stoïcijnen dat veel van die oordelen onterecht zijn en dat we die zoveel mogelijk moeten loslaten. Door dit te doen kan een mens los van de externe omstandigheden een geslaagd en gelukkig leven bereiken. In het stoïcijnse standpunt is het realiseren van een dergelijke verandering weliswaar niet gemakkelijk, maar kan de persoonlijkheid als geheel wel verlicht raken door de waardeoordelen te bestrijden die tot onverstandige emoties als bijvoorbeeld woede en haat leiden.

Deze stoïcijnse cognitieve emotietheorie zou prima het uitgangspunt kunnen vormen voor maatschappelijke verbeteringen die onbereikbaar blijven zolang we emoties eenvoudig beschouwen als driften of impulsen zonder enige doelgerichtheid of cognitieve inhoud. We zien dan als passend doel voor een rechtvaardige samenleving bijvoorbeeld niet zozeer het onderdrukken van rassenhaat, als wel een volledige uitbanning van die emotie. Die uitbanning zou dan tot stand moeten komen door maatschappelijke discussies en (met name) door openbaar onderwijs dat wederzijds respect onder alle burgers aanleert.


zondag 4 juni 2017

MUSONIUS RUFUS: PACIFISTISCH EN GEEMANCIPEERD

Musonius Rufus (20 TOT 101) was een Romeins filosoof en leraar. Hij leidde in Rome een stoïcijnse school en was, zoals we zagen, de leraar van Epictetus. Hij was in zijn tijd erg bekend en moet buitengewoon scherpzinnig en ad rem zijn geweest. Tegenwoordig is hij wat minder bekend, maar dat komt vooral omdat de weinige teksten die er van hem bekend zijn indirect en fragmentarisch via zijn leerling Lucius tot ons zijn gekomen. Ook van Epictetus zijn geen eigen teksten bekend, maar zijn leerling Arrianus was een veel betere schrijver dan Lucius, waardoor Epictetus in onze tijd veel meer in de belangstelling staat dan Musonius.

Hij moet een humoristisch en warme persoonlijkheid zijn geweest die zijn leerlingen op een heel persoonlijke en indringende manier benaderde. Epictetus zegt van zijn leraar:

“Hij sprak op zo’n manier dat ieder van ons die zijn lessen volgde dacht dat iemand iets over hem aan Rufus had verklapt. Hij had zo’n invloed op wat wij deden en dachten dat hij precies de vinger op de zere plek wist te leggen.” (Epictetus; Colleges 3; hoofdstuk 23)


Van zijn werk zijn dus alleen een paar verslagen van openbare lezingen overgebleven. Daaruit blijkt dat hij zich met alle aspecten van het dagelijks leven bezighield. Rufus predikte de stoïcijnse gelijkheid tussen mannen en vrouwen in een Romeinse wereld waarin dat als behoorlijk vreemd en afwijkend werd gezien. Hij was bepaald niet bang aangelegd en schopte in zijn lezingen tegen heel wat heilige huisjes. Die lezingen gingen dikwijls over heel praktische dagelijkse dingen als hygiëne, seks, kleding, meubels en voeding. Zo raadde hij zijn leerlingen bijvoorbeeld aan om vegetarisch te worden. Het was niet verplicht, maar hij vond het eten van vlees wreed en meer iets voor wilde dieren dan voor filosofen.

Hoewel hij niet bij de stoïcijnse opstand tegen Nero betrokken was werd Musonius in het jaar 65 als stoïcijns filosoof, dus verdacht element, toch naar het Griekse eiland Gyaros verbannen. Musonius komst was een zege voor het tegenwoordig onbewoonde eilandje. Hij vond op het droge en kale eilandje een waterbron en trok een hele schare bewonderaars en leerlingen aan. Na de dood van Nero keerde Musonius naar Rome terug. Dat verblijf was slechts van korte duur. In het zogenaamde ‘Vierkeizerjaar’ deed hij een vergeefse poging om de troepen van Vespasianus er van te weerhouden Rome aan te vallen. Hij hield midden tussen de strijdende partijen een lezing over de vrede. Die lezing viel in slechte aarde bij de vechtlustige legionairs en Musonius leerlingen konden maar net voorkomen dat hun leraar door hen werd gelyncht. Zijn onfortuinlijke vredespoging had wel tot gevolg dat hij door de overwinnaar en nieuwe keizer Vespasianus opnieuw werd verbannen. Pas na de dood van Vespasianus werd hij door de volgende keizer Titus teruggehaald naar Rome.

Waarschijnlijk leefde Musonius nog toen enige jaren later de volgende keizer, Domitianus, opnieuw alle stoïcijnse filosofen uit Rome verbande. Het leven van een stoïcijns filosoof en leraar was destijds allesbehalve rustig.

zaterdag 13 mei 2017

STOÏCIJNS OUDER WORDEN

Toen u jong was had u waarschijnlijk grootste plannen met uw leven. U zou een wereldberoemde popster of sportheld worden, de nieuwe Einstein, of misschien wel een rijk en succes vol zakenman. Het stoïcijnse streven naar zoiets saais als virtuositeit past absoluut niet in het avontuurlijke en dynamische leven dat de gemiddelde jongere verwacht te zullen gaan leiden. Veel jongeren denken zelfs dat ze gewoon recht hebben op het succes waar ze naar zoeken. Als ze wat ouder worden blijkt echter algauw dat het door hen verkozen levenspad behoorlijk moeilijk is en heel wat inspanningen vereist. Inspanningen die bovendien vaak niet eens tot het gewenste resultaat leiden. Als ze er achter komen dat het toch wat moeilijker is dan verwacht verdubbelen ze aanvankelijk hun inspanningen, ze gaan grootschalig netwerken en zijn nog tot laat in de avond met hun werk bezig. Ze worden soms oprecht kwaad en beledigd of zelfs depressief als ze er achter komen dat ook hiermee hun verwachtingen van een prachtige toekomst niet uitkomen. Voor de meesten is het een echte schok om te ontdekken dat de wereld zich niet aan hun grootste verwachtingen wil aanpassen. Ze hebben toch altijd gehoord en zelfs op school geleerd dat voor iemand die hard werkt en zijn best doet alles bereikbaar is? Onze hele cultuur is immers doordrenkt met de gedachte dat inspanningen altijd beloond worden. Dat de echte wereld anders in elkaar zit wil maar moeilijk tot ze doordringen.

Op middelbare leeftijd zullen de meeste, inmiddels oudere jongeren, tot de ontdekking komen dat ze weliswaar een behoorlijk inkomen hebben weten te verwerven en met hun gezin een comfortabel leventje leiden in hun doorzonwoning, maar dat ze hun dromen niet hebben weten te verwerkelijken. Bovendien merken ze dat hun relatieve succes hen eigenlijk helemaal niet gelukkig heeft gemaakt. Zelfs de enkeling die er wel min of meer in is geslaagd zijn dromen van weleer te realiseren ontdekt dat dat niet het verwachte geluk heeft opgeleverd. Dit gevoel van ontevredenheid leidt bij velen tot een midlifecrisis. De oude partner wordt aan de kant gezet voor een jongere versie, er wordt een carrièreswitch gemaakt en in een hopeloze poging de oude vitaliteit te herwinnen wordt er opeens extreem fanatiek gesport. Ook dat zal niet tot het verlangde gelukkige leven leiden. Voor onze voormalige jongere er erg in heeft kondigen de eerste gebreken zich aan. Hij is oud geworden en komt, als hij geluk heeft, tot de ontdekking dat hij een groot deel van zijn leven heeft weggegooid met het najagen van een fata morgana.

Iemand die het inzicht heeft gehad om in een eerder levensstadium een aanhanger van de stoïcijnse filosofie te worden heeft het beter getroffen. In plaats van verbitterd op een verloren leven terug te kijken, weet hij dat hij genoten heeft van ieder beschikbaar moment en alles uit zijn leven en talenten heeft gehaald wat er in zit. Hij zal het niet erg vinden om oud te zijn. Seneca vond het zelfs de prettigste levensfase.

“Van elk plezier ligt het prettigste moment aan het einde. Het aangenaamst is een gevorderde leeftijd net voordat we echt achteruit gaan, maar zelfs als we al bijna sterven valt er nog genoeg te genieten. Ook het langzaam verdwijnen van alle begeertes kent zijn voordelen.” (Seneca; Brieven aan Lucilius XII-5)

De ouderdom komt niet alleen met gebreken, maar heeft ook zo zijn voordelen. De meeste mensen worden met het klimmen der jaren wat milder. Het hoeft allemaal niet meer zo nodig. Dingen als carrière, geld, onderlinge wedijver en allerlei andere verlangens worden wat minder belangrijk. U maakt zich wat minder snel kwaad en ziet dingen meer in perspectief. Het hoeft allemaal niet meer zo nodig. Als vanzelf krijgt u een meer filosofische inslag en ook uw stoïcijnse praktijk wordt een beetje makkelijker. Uw lichaam takelt met het ouder worden af, maar uw geest doet dat niet. Het is waar dat u op gevorderde leeftijd minder snel nieuwe dingen leert, het geheugen gaat wat achter uit en u reageert wat trager. Daar staat echter tegenover dat u veel meer ervaring hebt en dingen makkelijker in hun grotere verband kunt plaatsen. Uit recent neurologisch onderzoek blijkt dat de hersenen van ouderen niet minder flexibel zijn dan die van jongeren. Er worden nog steeds nieuwe hersencellen aangemaakt. Ook Seneca merkte op dat hij er weliswaar lichamelijk op achteruit ging, maar dat zijn geest zelfs beter leek te gaan functioneren.

“Ik ben blij dat ik merk dat mijn geest niet oud wordt, terwijl mijn lichaam weldegelijk achteruit gaat. Alleen de instrumenten van mijn lichaam zijn oud en gebrekkig geworden. Mijn geest is nog vol leven en verheugt zich erop dat hij minder met het lichaam te maken heeft, dat scheelt hem een hoop gedoe. Hij is vrolijk en vertelt mij, gek genoeg, dat dit zijn bloeitijd is. Laten we hem maar geloven: hij mag er van genieten.” (Seneca; Brieven aan Lucilius XXVI-2)

De keerzijde van de ouderdom is dat u zich er veel bewuster van bent dat u uw langste tijd hebt gehad. Als jongere was de dood iets voor anderen, iets voor opa’s en oma’s weggestopt in een of ander verpleegtehuis. Maar nu beseft u dat het niet zo heel lang meer zal duren voor uw leven zijn einde bereikt. Veel mensen worden een beetje depressief van die gedachte en proberen haar zo diep mogelijk weg te stoppen.

Stoïcijnen denken daar heel anders over. In plaats van deze doodsgedachte weg te stoppen gebruiken ze hem juist om gelukkiger en beter te leven. De gedachte aan de eigen dood wordt dan als een soort negatieve visualisatie gebruikt die de waarde van het leven dat u nog rest juist benadrukt. Er werd zelfs een speciale meditatieoefening van gemaakt, de verderop behandelde ‘memento mori’ techniek. Voor een oudere is het een stuk makkelijker om zich zijn eigen sterfelijkheid voor te stellen dan voor een jongere. Het is niet meer zo vanzelfsprekend dat hij ’s ochtends wakker wordt voor een nieuwe dag. Een korte wandeling door het park en een korte ontmoeting met een geliefde zou zo maar de laatste kunnen zijn, en wordt daardoor opeens heel bijzonder. Hij of zij zal zijn tijd minder snel verkwanselen aan onbelangrijk gebeuzel en de dingen die hij doet en beleeft veel intenser meemaken. Een levensintensiteit die juist één van de doelen van een stoïcijnse levenshouding is.


Stoïcisme is dan ook de beste voorbereiding die u zich maar kunt indenken voor een gelukkige oude dag. Als stoïcijn hebt u geleerd om de dingen te accepteren zoals ze zijn. Als uw lichaam achteruit gaat en als u allerlei gebreken en ziektes begint te krijgen wordt u niet kwaad of verdrietig. U weet dat u dit niet kunt veranderen, maar u weet ook dat u uw houding tegenover die aftakeling wel kunt veranderen. U hebt ook geleerd om te genieten van het moment en van de kleine dingen die u overkomen. Beter dan het tegenwoordig zo populaire hedonisme, cynisme of epicurisme maakt dit het stoïcisme tot de best denkbare levensfilosofie voor de ouderdom.