maandag 6 januari 2014

DE REDE ALS EMOTIE


Mensen zijn net als alle andere levende wezens uitgerust met een genetisch vastgelegd pakket van fysieke en gedragskenmerken nodig om te kunnen overleven. Affecten (emoties en gevoelens) als honger, geilheid en saamhorigheid leveren bij vervulling een gevoel van genot op. De mens streeft van nature naar genot en probeert pijn te vermijden. Net als ieder ander levend wezen trachten wij op deze wijze te overleven. Hiertoe streven we, gedreven door onze emoties, het leven bevorderende zaken als gezondheid, macht, schoonheid en welvaart na. Onze egoïstische genen dingen daar nog het een en ander op af door het streven naar genot te laten samenvallen met de drang zo veel mogelijk van ons genetisch materiaal te verspreiden. Dit leidt tot gedrag dat niet altijd strookt met de belangen van het individu, maar meer met de belangen van de soort of de stam. Dat noemen we dan sociaal of altruïstisch.

Het toegeven aan je affecten levert genot op. Dat dit niet altijd het belang van het voortbestaan van het individu bevordert doet hier niet aan af. De neiging tot genot lijkt welhaast onweerstaanbaar, maar het eenmaal bereikte genot leidt al gauw tot verveling. Bij het nuttigen van junkfood en bij het snel er op en eraf wordt het zelfde biologische genotsgevoel ervaren als bij de meer gecultiveerde vormen van voeding en sex. Het simpel en snel te verkrijgen genot wordt al snel saai en vervelend. Alleen door de rede bij het genot te betrekken kan verveling voorkomen worden. Zo kan voeding in gastronomie en sex in erotiek veranderen. Voor een gelukkig leven is dan ook meer nodig dan biologisch genot alleen. Maar ook een gecultiveerd en beheerst genot is niet voldoende voor een gelukkig leven.

Het meest efficiënte overlevingsaffect waar de mens over beschikt is zijn rede, zijn vermogen tot reflectie en beoordeling. Veel beter dan welke snuit om in de modder naar wortels te zoeken of welk ingebouwd overlevingsgedrag dan ook is de rede in staat het overleven van het menselijk individu te bevorderen. De rede stelt de mens in staat onder de meest uiteenlopende omstandigheden voedsel en beschutting te vinden. Hij stelt hem in staat roofdieren af te weren, prooidieren te bejagen die zijn fysiek in principe ver te boven gaan, voedsel te verbouwen en zelfs onder extreme kou warmte en beschutting te vinden. Toch is de rede, hoe succesvol ook, in oorsprong niets anders dan een evolutionair ontwikkelde overlevingstactiek. En als zodanig in niets verschillend van andere emoties.

woensdag 18 december 2013

IS APENMORAAL HET EINDE VAN DE NATURALISTIC FALACY?


Uit onderzoek naar apen door bijvoorbeeld de Nederlander Frans de Waal en de Amerikaanse Sarah Hrdy komt naar voren dat de basisprincipes van onze moraal ook bij apen voorkomen. We kunnen van apen leren hoe diep sommige vormen van moraal in ons gebakken zitten. Uit onderzoek naar apen komt naar voren dat de mens evolutionair zo succesvol is geweest dankzij vergaande vormen van samenwerking. Wat goed is voor de instandhouding van de groep wordt door mensen net als door andere primaten als goed ervaren. We worden door biologische mechanismen gedreven in de richting van duurzame samenwerking binnen een groep. Moraal komt niet van buiten ons, maar zit in ons, is de boodschap. Onze religieuze en ethische systemen bevestigen slechts wat we al in ons hebben.
Biologen en evolutionair psychologen gaan er tegenwoordig vanuit dat al het menselijk gedrag, en dus ook het normensysteem, uiteindelijk in dienst staat van reproductie en verspreiding van genetisch materiaal. Het morele gevoel is evolutionair al vroeg ontstaan en is bij de mens sterk doorontwikkeld. Moraalbiologen zijn het er over eens dat de groepssamenhang de belangrijkste drijfveer achter moraal en het ontstaan van normen is. Die samenhang is noodzakelijk om zich te handhaven en vormde de basis voor het ongeëvenaarde evolutionaire succes van de menselijke soort. Dat succes is zo groot dat de aarde inmiddels gebukt gaat onder deze soort.
Door samen te werken kunnen mensen meer voedsel verzamelen en in tijden van schaarste delen. Ook kunnen roofdieren en concurrerende groepen mensen beter op een afstand worden gehouden. De mens is evolutionair zo succesvol doordat hij in staat is tot zeer complexe vormen van samenwerking. Door samen te werken heeft hij zich te midden van allerlei bedreigende omstandigheden weten te handhaven. Aanvankelijk in kleine groepen van jager-verzamelaars, maar al gauw in complexere eenheden als dorpen, steden en staten. Met een steeds complexer wordend systeem van waarden.

De vorming van een hechte groep was dus van levensbelang voor de mensen. Iedere vaardigheid die het groepsverband kon versterken, maakte het succes van de menselijke soort groter: herkenning van elkaars gevoelens en wensen, het vertonen van betrouwbaar gedrag, het op elkaar afstemmen van gedrag, gezamenlijke rituelen, de ontwikkeling van taal, het vertellen van verhalen, het maken van muziek, het opstellen van regels, het gezamenlijk geloof in voorouders en goden, etc. etc. De leden van de groep die elkaar het meest hielpen en daardoor het meeste voordeel aan samenwerking konden ontlenen, kregen het grootste nageslacht en hadden de grootste kans op verspreiding van hun genetisch materiaal. Mensen die zich aan de groepsnormen onttrokken, raakten geïsoleerd en werden uitgestoten of gedood. Kortom groepssamenwerking en de daaruit voorvloeiende moraal bevorderen de verspreiding van het genetisch materiaal van de desbetreffende groep.

Het handhaven van de groepsorde is zo een tweede natuur van de mens geworden. Zonder zich ervan bewust te zijn zet hij allerlei middelen in om die samenhang te bevorderen. Men zou kunnen zeggen dat de natuur een mens heeft voortgebracht die normen kan ontwikkelen. Die normen maken het voor dit organisme mogelijk om zich als groep onder de meest uiteenlopende omstandigheden te handhaven.

Het afleiden van normen uit biologische feiten was voor de stoïcijnen iets vanzelfsprekends. Een leven in overeenstemming met de natuur is immers één van de basisideeën van het stoïcisme. Maar sinds Hume is dit voor moderne filosofen een heikele kwestie. Volgens Hume kan een ‘ought’ niet van een ‘is’ worden afgeleid. De zogenaamde ‘naturalistic falacy’: het afleiden van normen uit feiten wordt nog steeds als een filosofische doodzonde beschouwd. Grondslagen van de moraal mogen niet gezocht worden in andere relaties dan de moraal zelf. Dat mag volgens de regels van de logica kloppen, maar moraal valt niet alleen uit de logica af te leiden. Juist doordat de menselijke moraal een genetische basis heeft spelen ook gevoelens en emoties een rol. We doen meestal vol automatische zonder daarover na te denken wat goed is voor de groep. We voelen wat goed is. De keuze voor een bepaald gedrag wordt gemaakt doordat mensen zich goed voelen als zij in het belang van de samenleving en haar leden handelen. We maken die keuze niet met onze rede maar vertalen dat onbewuste gevoel met behulp van onze rede in normen.

Als mensen zich altruïstisch gedragen voelen ze zich gelukkig. Het brein produceert bij dergelijk gedrag endorfinen waardoor we ons prettig gaan voelen. Het gaat zelfs zo ver dat we ons verdrietig kunnen gaan voelen als anderen verdrietig kijken en vrolijk worden als iemand naar ons glimlacht. Dit alles bevordert de groepscoherentie en samenwerking. De stoot endorfinen die sociaal gedrag met zich meebrengt maakt dat wij ons prettig voelen bij moraal gedrag. Emoties en gevoel worden dus veroorzaakt door fysieke processen in ons brein. Het zijn biologische mechanismen die feitelijke omstandigheden vertalen in normen. Dankzij onze emoties en gevoelens weten we in een flits hoe we moeten handelen om te kunnen overleven en de grootste kans op reproductie te hebben. Mensen worden gedreven door een zucht naar voedsel, seks en veiligheid, maar hun moraal zorgt voor een begrip van de ander. Wij voelen een verplichting om bij het streven naar voedsel, seks en veiligheid de belangen van die ander mee te wegen. De functie van moraal is het bevorderen van samenwerking omdat de overleving daarvan afhankelijk is. Ons erfelijk materiaal drijft ons tot samenwerking, omdat wij daardoor datzelfde genetische materiaal beter kunnen verspreiden.
Wat voor ons als rechtvaardig wordt beschouwd leiden wij af uit een evenwicht tussen eigenbelang en groepsbelang. Het is rechtvaardig als iemand die zich inzet voor het welzijn van de groep wordt beloond. Het is ook rechtvaardig als iemand die de groep of leden van de groep schade toebrengt gestraft wordt. De biologische emoties van mensen zorgen ervoor dat mensen datgene goed vinden wat de samenwerking verbetert en dus hun genetisch materiaal beter zal verspreiden. Mensen voelen dat zij in het belang van de verspreiding van hun genetisch materiaal behoren te handelen. Omdat ze zich daarbij goed voelen, zullen ze elkaar die normen opleggen. Onbewust sluiten ze zo een soort sociaal contract. Voor mensen voelt het alsof die normen een eeuwigheidswaarde hebben. Alsof ze heilig zijn. De mens wordt tot deze illusie gedreven door zijn gevoelens, die op hun beurt gegenereerd worden door het onderliggende genetisch materiaal.

Een mens kan zich daar met behulp van zijn reden aan ontrekken. Hij kan tot de conclusie komen dat onze biologische moraal niet onder alle omstandigheden optimaal functioneert. Maar hij zal merken dat dat sterk tegen zijn gevoel in gaat. Tegelijkertijd zal hij een sterke groepsdruk ervaren om zich aan de biologische groepsmoraal te onderwerpen. Toch is dat wel iets wat het stoïcisme van ons eist. Het is heel natuurlijk om de biologische moraal te volgen, maar ook onze rede is een onderdeel van de menselijke natuur. Ons denkvermogen wijst ons erop dat er omstandigheden bestaan die ons noodzaken om van de biologische moraal af te wijken. Zo is het niet alleen onze eigen groep die eerlijk en goed behandeld moet worden. Op grond van onze vermogen tot redelijk denken hebben ook andere groepen recht op een dergelijke behandeling. Ook al gaat dit tegen het biologische gevoel van eigen groep eerst in.

donderdag 12 december 2013

DE DESIDERATA VAN MAX EHRMAN


 
DESIDERATA

Max Ehrmann


Go placidly amid the noise and haste,
and remember what peace there may be in silence.
As far as possible without surrender
be on good terms with all persons.
Speak your truth quietly and clearly;
and listen to others,
even the dull and the ignorant;
they too have their story.

Avoid loud and aggressive persons,
they are vexations to the spirit.
If you compare yourself with others,
you may become vain and bitter;
for always there will be greater and lesser persons than yourself.
Enjoy your achievements as well as your plans.

Keep interested in your own career, however humble;
it is a real possession in the changing fortunes of time.
Exercise caution in your business affairs;
for the world is full of trickery.
But let this not blind you to what virtue there is;
many persons strive for high ideals;
and everywhere life is full of heroism.

Be yourself.
Especially, do not feign affection.
Neither be cynical about love;
for in the face of all aridity and disenchantment
it is as perennial as the grass.

Take kindly the counsel of the years,
gracefully surrendering the things of youth.
Nurture strength of spirit to shield you in sudden misfortune.
But do not distress yourself with dark imaginings.
Many fears are born of fatigue and loneliness.
Beyond a wholesome discipline,
be gentle with yourself.

You are a child of the universe,
no less than the trees and the stars;
you have a right to be here.
And whether or not it is clear to you,
no doubt the universe is unfolding as it should.

Therefore be at peace with God,
whatever you conceive Him to be,
and whatever your labors and aspirations,
in the noisy confusion of life keep peace with your soul.

With all its sham, drudgery, and broken dreams,
it is still a beautiful world.
Be cheerful.
Strive to be happy.


 

DESIDERATA

MAX EHRMAN

Wees kalm temidden van lawaai en haast,
en bedenk, welke vrede er in stilte kan heersen.
Sta op goede voet met alle mensen, zonder uzelf geweld aan te doen.
Zeg uw waarheid rustig en duidelijk, en luister naar anderen;
ook zij hebben hun verhaal.

Mijdt luidruchtige en agressieve mensen,
zij belasten de geest.
Wanneer u uzelf met anderen vergelijkt,
zou u ijdel of verbitterd kunnen worden,
want er zullen altijd kleinere en grotere mensen zijn dan uzelf.
Geniet zowel van wat u hebt bereikt als van uw toekomstplannen.

Blijf belangstelling hebben voor uw werk, hoe onbelangrijk dat ook moge lijken;
het is een waar bezit in het veranderlijke fortuin van de tijd.
Wees voorzichtig in alles wat u doet,
want de wereld is vol bedrog.
Maar laat dit u niet verblinden voor de bestaande deugd;
veel mensen streven hoge idealen na, en overal is het leven vol heldendom.

Wees uzelf.
Veins vooral geen genegenheid.
Maar wees evenmin cynisch over de liefde,
want bij alle dorheid en ontevredenheid is zij eeuwig als het gras.

Onderga de loop der jaren met gratie,
verlang niet naar een tijd die achter u ligt.
Kweek geestkracht om bij onverwachte tegenslag beschermd te zijn.
Maar verdriet uzelf niet met spookbeelden.
Vele angsten worden uit vermoeidheid of eenzaamheid geboren.
Leg uzelf een gezonde discipline op,
maar wees ook zacht voor uzelf.

U bent een kind van het heelal, net als de bomen en de sterren.
U hebt het recht hier te zijn.
En ook al is het niet altijd duidelijk,
toch ontvouwt het heelal zich zoals het zich ontvouwen moet, en dat is goed.

Heb daarom ook vrede met de Natuur,
hoe u ook denkt dat hij moge zijn,
en wat uw werk en aspiraties ook mogen zijn;
houdt vrede met uw geest in de lawaaierige verwarring van het leven.

Met al zijn klatergoud, somberheid en vervlogen dromen is dit toch nog steeds een prachtige wereld.
Streef naar geluk.

 

dinsdag 19 november 2013

WEES GEWOON JEZELF DAN KOMT ALLES GOED, toch?


Het is tegenwoordig in om naar jezelf op zoek te zijn. Veel mensen zeggen dat je om echt gelukkig te worden moet leren van jezelf te houden zoals je bent. Maar wat wordt er dan bedoeld met dat ‘jezelf’? Wat als dat nu iemand is die voortdurend heen en weer stuitert van tevredenheid naar onvrede, van rust naar stress, van enthousiasme naar verveling?
Er wordt dan gezegd: ‘Zo ben ik nu eenmaal, ik kan het ook niet helpen’, en daarmee is de kous af. In heel wat zelfhulpboeken wordt gezegd dat je zowel je zwakke als je sterke kanten moet leren accepteren. Als je je niet meer opwindt over je beperkingen en vrede hebt met jezelf zouden al je innerlijke conflicten worden opgelost en zou je eindelijk het leven ontspannen en vol vertrouwen tegemoet kunnen treden.
Erin berusten dat je bent zoals je bent en onderhand al je neigingen en impulsen botvieren, lijkt verdacht veel op gemakzucht, een compromis met jezelf of gewoon berusting in een totale mislukking. Door te stellen dat je je toch moet kunnen ‘uiten’ en daarmee elke ‘natuurlijke’ neiging de ruimte geven bereik je misschien wel een tijdelijk afvloeiing van je innerlijke spanningen, maar zit je toch nog steeds muurvast in een reeks bepaald niet verheffende eigenschappen. Het zijn in feite nog steeds de zelfde gewoonten, maar dan, met de zegen van de management goeroe, in een leuke verpakking. Zo’n toegeeflijke houding biedt geen enkele oplossing voor dit soort problemen. Als je gewoon jezelf wilt zijn blijf je steken in gewoon zijn.
Dat doet me denken aan vogels die heel lang in een kooi hebben gezeten: als je de deur openzet vliegen ze een rondje en komen uit zichzelf weer terug, in plaats van de wijde wereld in te vliegen. De meeste mensen zijn zo gewend aan hun fouten en beperkingen, dat ze zich een leven zonder niet kunnen voorstellen. Van zoveel verandering en bewegingsvrijheid worden ze duizelig.
Toch ontbreekt het ons niet aan energie. Als je ziet hoeveel inspanning mensen vaak leveren op allerlei gebieden. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat zijn ze met van alles in de weer,  zonder dat er ooit een einde aan komt. Maar bij de gedachte dat we ons zouden moeten toeleggen op kwaliteiten als geduld, rechtvaardigheid, moed en wijsheid schrikken we terug en zeggen dat zoiets veel te veel tijd kost. Of dat het niet zo belangrijk is zonder die dingen hebben we het tenslotte tot nu toe prima gered.
Natuurlijk valt er heel wat te leren van de wisselvalligheden die het leven ons voorschotelt. Levenservaring is zeker niet onbelangrijk. Maar zonder gerichte inspanning blijft het aanmodderen. Er is nog nooit iemand concertpianist geworden zonder heel veel oefening. Geluk is een manier van zijn en voor elke manier of methode geldt dat die eerst aangeleerd moet worden.

maandag 7 oktober 2013

BESTAAT DE VRIJE WIL?


In het boek Wij zijn ons brein’ van Dick Swaab wordt bepleit dat de vrije wil niet zou bestaan. Volgens dit boek zou onze geest niets meer zijn dan een bijproduct van chemische processen. Swaab stelt dat onze voorkeuren en gedrag in hoge mate samenhangen met dingen die al lange tijd vast blijken te liggen in ons lichaam: in onze hormoonhuishouding en in de bouw van onze hersenen. Dat klopt natuurlijk. Biologische beperkingen zijn sturend. En ook onze sociale beperkingen sturen ons gedrag. Veel meer dan we beseffen. We maken onszelf niet, we kunnen niet willen wat we willen.

De oorsprong van de theorie waarin de vrije wil niet bestaat hangt samen met het zogenaamde determinisme. De mens heeft de neiging zijn omgeving te omschrijven door middel van oorzaak-gevolg relaties. Dit is het zogenaamde oorzakelijkheidsbeginsel. Het succes daarvan leidt tot de volgende gedachte: als de wereld zo goed te omschrijven is door middel van wetten, misschien zijn het dan wel die wetten waaraan de wereld volledig ondergeschikt is. De wereld inclusief de mens dus.

Deze gedachte heeft mensen van alle tijden uit het lood geslagen. Want als alles onontkoombaar is, wat moeten we dan nog met onze vrije wil? Kunnen we sowieso nog wel verantwoordelijk stellen en oordelen vellen? In de oudheid waren het vooral de stoïcijnen die de deterministische filosofie aanhingen. Volgens hen luistert de hele wereld naar één centrale natuurwet: de logos. De oorzaken van ons gedrag komen zowel van binnenuit, uit de hersenen, als van buitenaf; als onderdeel van dit grotere spel blijft er voor de mens als vrij wezen in de stoïcijnse filosofie maar weinig over. Vandaar dus ook dat de grote lijn van de stoïcijnen lijkt te zijn dat je maar beter kan berusten in de situatie waarin je bent, in plaats van je ertegen te verzetten.

Op zich een goed advies, maar het is niet des mensen om daarmee zomaar akkoord te gaan. Het klassieke verweer tegen zo een filosofie is die van het dualisme. Om te ontsnappen aan de natuurwetten nemen we gewoon aan dat er naast de materiële wereld ook nog een andere wereld is: die van een God, een geest, een ziel, of iets anders dat niet-materieel is, en dat kan de materie dan af en toe voor ons een onvoorspelbare kant op duwen. Klaar, opgelost. We kunnen weer heerlijk oordelen en de wereld verdelen in goed en kwaad.

Veel mensen nemen met zo een onwetenschappelijke verklaring echter geen genoegen. Gelukkig zijn er ook denkers die andere oplossingen gevonden hebben voor de vrije wil om toch te kunnen bestaan in een materialistische wereld. De filosoof Epicurus bijvoorbeeld ging uit van het atomisme, en ook die kleine bolletjes luisteren volgens hem naar de wetten van oorzaak en gevolg. Alleen, voor Epicurus was het hebben van een vrije wil essentieel. Vandaar dat hij daarvoor de veronderstelling poneerde dat die bolletjes af en toe volstrekt willekeurige en onverklaarbare afwijkingen hadden. En die afwijkingen, die waren dan natuurlijk het product van de vrije wil.

Aardig gevonden nietwaar? De grap is dat anno nu, 2300 jaar later, mensen dezelfde opgeluchte conclusie trekken uit de vondsten van de kwantummechanica. In de kwantummechanica gaat het namelijk om deeltjes die zich verdomd onvoorspelbaar blijken te gedragen, en alleen maar te begrijpen zijn door rekening te houden met fundamentele onzekerheden. Die deeltjes lijken zich kortom lekker te onttrekken aan de ijzeren natuurkundige wetten en er een heerlijk zooitje van te maken. Het idee is natuurlijk: als die deeltjes dat kunnen, dan kunnen wij dat ook. Leve de vrije wil!

Deterministen zullen hier echter op zeggen dat die wetten voor zowel mensen als subatomaire deeltjes nog steeds bestaan, maar dat we het door de onnauwkeurigheid van onze waarneming gewoon niet zo zuiver zien.

Het debat hierover is ook in de moderne natuurkunde onderwerp van controverse. Onderzoekers van kwantummechanica zoals Werner Heisenberg betoogden dat de werkelijkheid juist fundamenteel niet zou luisteren naar wetten. Einstein aan de andere kant geloofde heilig in hogere natuurwetten waar alles naar luistert, en in dit licht kan dan ook zijn uitspraak “God doesn’t play dice” worden opgevat. Die God is dan die natuurwet, ziet u?

De filosofie was er echter al langer achter dat het geloof in natuurwetten vooral een geloof is, en geen wetenschap. De Schotse filosoof David Hume wees er op dat wij geen oorzaak-gevolg relaties zien, maar slechts dat het ene nu eenmaal vaak op het andere volgt. Of daar een wet achter zit of dat het gaat om stom toeval is een kwestie van interpretatie. Het oorzaakelijkheidsmechanisme zegt daarom eerder iets over de manier waarop wij de werkelijkheid benaderen dan over de werkelijkheid zelf. Dit idee werd door Immanuel Kant opgepikt en verder uitgewerkt, waarna NIetzsche uiteindelijk de bal het doel in trapte door poëtisch te concluderen:’ God is dood’, waarmee hij bedoelde dat er wat hem betreft geen enkele zekerheid meer over was.

Zo zien we trouwens dat het woord God voor vele zaken bruikbaar is: waar de dualisten God gebruikten om de vrije wil te redden van de natuurwetten, zien modernere denkers de natuurwetten zelf als een soort allesbeheersend opperwezen, waar we om de vrije wil te redden ons maar beter vanaf kunnen maken. Hoe dan ook, natuurwetten of niet, ik hoop dat de lezer ondertussen beseft dat ieder antwoord op de vraag of deze uiteindelijk wel of niet bestaan eerder een kwestie van geloof is dan van een wetenschappelijke waarheid.

Zitten we nu dan vast? Is het bestaan van de vrije wil daarmee dan ook te bewijzen noch te ontkrachten? Misschien maken we het ons in deze discussie wel veel te moeilijk. We hebben immers één aanname nog niet nader onderzocht. Namelijk deze: is het werkelijk zo dat een deterministische wereld, zo deze bestaat, in tegenspraak is met de vrije wil? Misschien dat de o zo deterministische stoïcijnen toch een begin van een oplossing hebben weten te vinden.

Volgens de stoïcijn Chrysippus gebeurde alles weliswaar volgens het noodlot, maar niet alles gebeurde met noodzakelijkheid. Oftewel: alles heeft een oorzaak, maar niet alles gebeurt noodzakelijk. Dit lijkt strijdig met wat we hierboven over het oorzakelijkheidsbeginsel gezegd hebben. Chrysippus maakt echter een onderscheid tussen verschillende oorzaken, en zijn begrip van noodzakelijkheid heeft slechts betrekking op één soort oorzaak. Chrysippus onderscheidt dus twee soorten oorzaken: externe directe oorzaken, en interne indirecte oorzaken. Externe directe oorzaken zijn onder andere de gebeurtenissen die iemand overkomen en de prikkels uit zijn omgeving; het zijn de indrukken van buiten die iemand aandrijven tot een bepaalde handeling. De interne indirecte oorzaken zijn de kwaliteiten en de mentaliteit van de persoon.

Chrysippus vergelijkt dit met een cilinder, die aan het rollen wordt gebracht doordat er een steen tegen aan stoot (directe externe oorzaak). De cilinder blijft rollen door zijn eigen ronde vorm (interne indirecte oorzaak). Zo wordt ook een mens tot een bepaalde handeling aangezet door een oorzaak van buiten, maar is die handeling alleen mogelijk als hij er zelf mee instemt. Dit instemmen is een interne handeling van de geest, en wordt alleen bepaald door de mentaliteit van de betreffende persoon. Omdat de mens zelf meedoet met zijn handelingen is hij er ook verantwoordelijk voor. Nu wordt ook duidelijk wat Chrysippus bedoelt, als hij zegt dat niet alles met noodzakelijkheid gebeurt: onze handelingen worden niet uitsluitend bepaald door oorzaken die buiten ons liggen. Een mens is niet vrij om te bepalen wat er in de externe wereld om hem heen gebeurd. Hij heeft geen macht over de externe oorzaken. Hij is wel vrij om te bepalen wat hij van een gebeurtenis vindt. Hij is wel vrij om te bepalen  wat hij van een gebeurtenis vindt. Hij kan kiezen wat hij voelt, hij kan zijn eigen interne reactie, en daarmee uiteindelijk ook zijn mentaliteit, zelf bepalen. Uit die interne reactie komt een handeling voort, een handeling die voortvloeit uit een interne indirecte oorzaak: de persoonlijke mentaliteit. In zoverre is de mens dus weldegelijk vrij.

Maar dit is in strijd met het oorzakelijkheidsbeginsel. Hoe moet de stelling, dat alles in de natuur volgens het oorzakelijkheidsbeginsel gebeurt, nu opgevat worden? De mens is onderdeel van de natuur en de interne indirecte oorzaken zouden dus ook onderworpen moeten zijn aan de wet van oorzaak en gevolg. Als alles noodzakelijk gebeurt is ook de menselijke mentaliteit afhankelijk van het oorzakelijkheidsbeginsel. De oplossing van Chrysippus is dan helemaal geen oplossing meer. Als de mens werkelijk vrij zou zijn in zijn keuzes dan worden zijn handelingen niet bepaald en gebeurt dus niet alles volgens het oorzakelijkheidsbeginsel. Veronderstellen we daarentegen dat handelingen volledig bepaald zijn door iemands mentaliteit, dan moet een mens op een of andere manier verantwoordelijk zijn voor die mentaliteit. Want als dat niet zo is, hebben we het hele idee van verantwoordelijkheid alsnog aan de kant gezet. Dat veronderstelt echter, dat iemand zijn mentaliteit zelf kan veranderen. Maar hoe kan dat als al zijn handelingen al door die mentaliteit bepaald zijn?

Misschien dat de hierboven al even genoemde Kant een aanzet tot een oplossing voor Chrysippus’ probleem heeft gevonden. Hoewel Kant een sterk voorstander van de vrije wil was, was hij zich er ook van bewust dat we leven in een wereld die bepaald wordt door de wet van oorzaak en gevolg. Maar Kant geloofde dat de wet van oorzaak en gevolg een maaksel van onze geest is om de wereld te kunnen begrijpen. Daarbij maakte hij een onderscheid tussen de fenomenale wereld (de wereld zoals wij die ervaren en waarnemen) en de noumenale wereld (de wereld zoals hij buiten onze ervaring in werkelijkheid is). Met dit onderscheid tussen onze kennis van de dingen zoals wij ze zien en zoals ze werkelijk zijn, impliceert Kant dat determinisme slechts een illusie binnen de fenomenale wereld is. De wet van oorzaak en gevolg bestaat weldegelijk, maar geldt alleen in de fenomenale wereld. In de (noumenale) werkelijkheid, zijn we eigenlijk vrije wezens en kunnen buiten ruimte en tijd echte keuzes worden gemaakt. De mens wordt zo een hybride wezen dat met een been in de fenomenlogische door oorzakelijkheid bepaalde wereld, en met het andere been in de noumenale wereld van de vrije wil staat.



maandag 9 september 2013

DE STOICIJNSE BELOFTE


De moderne mens wentelt zich in een eindeloze reeks van materiële en consumptieve genoegens, of verliest in allerlei vage New Age-achtige ideeën. Beide richtingen zijn niet erg hoopgevend en inspirerend. Ook de verschillende godsdiensten met hun vele irrationele dogma’s hebben de geschoolde, moderne mens van de eenentwintigste eeuw niet veel meer te bieden. Dat is jammer, want als veel mensen zich van de christelijke traditie afkeren, verliezen ze ook de daarmee verbonden humane ideeën. Zoals bijvoorbeeld de christelijke naastenliefde of een verbondenheid met het lot van andere mensen, hier en elders op de wereld. Gemeenschapszin is, op zijn zachtst gezegd, nu niet bepaald het sterkste punt van het moderne liberalisme of het materialistische socialisme.
De stoïcijnse belofte stelt niets in het vooruitzicht, belooft geen eeuwigheid en dreigt niet met straffen en beloningen in een hiernamaals. De deugd is haar eigen beloning. Ze kiest uit de ontstellende hoeveelheid aangeboden consumptiegoederen slechts wat strikt nodig is. Ze doet niet aan 'opgewonden standjes', heeft geen aandacht voor excessievelingen of excessieve dingen. Een stoïcijn is verdraagzaam zonder de eigen norm, moreel kwaad is het allerergste, uit het oog te verliezen. Kortom de stoïcijnse belofte is volledig tegengesteld aan alle 'eisen van deze tijd' en daarmee heeft ze een enorm bevrijdingspotentieel. De 'tempel van de innerlijkheid' brengt geen afwijzing van de wereld of verzaking van de plichten van het alledaagse leven met zich mee.

Zoals keizer Marcus Aurelius, de laatste der stoïcijnen, niet zonder humor zich zelf aanspoorde: 'Wanneer je in de ochtend met tegenzin wakker wordt, laat dan de volgende gedachte bij je opkomen: ik sta op om mijn taak als mens te vervullen. Ben je geboren om te leven of om geleefd te worden?'

zondag 8 september 2013

IS DIT: (x+a)^n=∑_(k=0)^n▒〖(n¦k) x^k a^(n-k) 〗 DE TAAL VAN GOD?


Wiskunde wordt wel de taal van het universum genoemd. Einstein vroeg zich af: "How can it be that mathematics, being after all a product of human thought which is independent of experience, is so admirably appropriate to the objects of reality?”. Is wiskunde een product van de menselijke fantasie, een poging om de chaotische kluwen van gebeurtenissen in de wereld om ons heen een klein beetje te ordenen, of is het meer dan dat en zegt het iets over de werkelijkheid? Bestaan die mathematische entiteiten in het echt, buiten de breinen van de denkende mensen? En ontdekken we ze zoals de ontdekkingsreizigers nieuwe eilanden en continenten ontdekten? Of zijn het creaties van de menselijke geest? Zijn het uitvindingen van ons brein?
Wetenschappers en ingenieurs verbazen zich over de verbluffende nauwkeurigheid waarmee wiskundige formules de werkelijkheid lijken te beschrijven. Het is vaak zelfs zo dat nieuwe wiskundige theorieën voorafgaan aan wetenschappelijke ontdekkingen in de fysieke werkelijkheid. Zo waren de speciale en de algemene relativiteitstheorie Van Einstein lange tijd niet meer dan wiskundige constructies. Pas veel later bleken de voorspellingen over echte gebeurtenissen in de wereld die uit die constructies voortvloeien ook uit te komen. Mathematische concepten duiken overal op in volslagen onverwachte situaties en helpen om de natuur te verklaren tot in de meest onverstelbare details met een beangstigende nauwkeurigheid.

De Hongaarse fysicus en wiskundige Eugene Wigner noemde dit in een lezing uit 1959: "the unreasonable effectiveness of mathematics." (Zie: http://www.dartmouth.edu/~matc/MathDrama/reading/Wigner.html). In verband met de mysterieuze bruikbaarheid van wiskunde binnen de quantummechanica liet hij zich ontvallen: “Het is moeilijk de indruk te vermijden dat we hier stuiten op een wonder!” Twee decennia later vroeg ook de computerspecialist Richard Hamming zich af hoe het mogelijk is dat een aantal getallen en symbolen die mensen op papier schrijven zo verbazingwekkend nauwkeurig blijken te kloppen met de werkelijkheid om ons heen.
De stoïcijnen zouden zich hier niet over verbazen. Ze dachten dat de werkelijkheid in principe kenbaar was. Volgens hen zit de wereld zo in elkaar dat wij mensen als zelfbewust onderdeel van het universum in staat zijn om dat universum te verklaren en ook werkelijk te begrijpen. Hoe moeilijk het ook is, met rationeel (wiskundig) denken zou het mogelijk moeten zijn om uiteindelijk alle raadsels van het bestaan te doorgronden. Of het menselijk brein daar werkelijk toe in staat is en of de wiskunde dan de taal is waarin het boek van het universum geschreven is? Ik weet het niet, maar het is wel leuk om over te speculeren.