vrijdag 17 maart 2017

KUNNEN STOÏCIJNEN UIT DE INGEWANDEN VAN EEN VIS DE TOEKOMST VOORSPELLEN?

Stoïcijnen geloofden in waarzeggerij. Bij moderne stoïcijnen hoor je daar tegenwoordig niet veel meer over. Het wordt gezien als bijgeloof en daarom één van de dingen in de stoïcijnse filosofie die niet al te serieus moeten worden genomen. Het past in het rijtje van de zich steeds herhalende wereldbrand, vrije seks, absoluut determinisme en het ideaal van een soort kosmopolitische wereldstaat. Allemaal onderdelen van de stoïcijnse filosofie die zelfs in de Oudheid al controversieel waren en die tegenwoordig als irrelevant bijgeloof onder het tapijt worden geschoven. Toch zit er meer in die stoïcijnse waarzeggerij dan u misschien denkt.

Van Cicero weten we dat de stoïcijnse leraar Posidonius maar liefst vijf boeken over waarzeggerij geschreven heeft en ook Chryssipus schijnt er het één en ander over op papier gezet te hebben. In zijn dialoog over de waarzeggerij ‘De Devinatione’ laat Cicero bij monde van zijn broer Quintus de mening van Posidonius over waarzeggerij horen. Net als alle andere stoïcijnen gaat Posidonius er van uit dat de wereld materieel is. Het universum of, zoals de stoïcijnen het noemen, de logos bestaat uit materie die helemaal doordrenkt is met pneuma of energie. Eigenlijk zijn die materie en pneuma twee kanten van dezelfde werkelijkheid. De materie is de passieve kant van de werkelijkheid en de pneuma de actieve kant. Het is de pneuma die er voor zorgt dat het universum zich ontwikkelt, het zorgt er voor dat er dingen gebeuren.

De pneuma komt volgens Posidonius in vier gradaties: de ‘hexis’ die levenloze dingen als water en stenen bij elkaar houdt, de ‘physis’ die er voor zorgt dat planten groeien en reageren op de zon en water, de ‘pshyche’ die zorgt voor een beperkt ‘dierlijk’ bewustzijn en tenslotte de ‘logike’. In deze laatste vorm is de pneuma het sterkst geconcentreerd. Deze gradatie biedt de mogelijkheid om te denken en redeneren.

Samen met zijn evenknie de materie vormt de pneuma het hele universum. Het is materie, energie, tijd, ruimte kortom de volledige natuur en daarmee alles wat er bestaat. Hierdoor is volgens de stoïcijnen alles met alles verbonden. Dit universele netwerk van verbondenheid wordt door de stoïcijnen ‘sympathie’ genoemd. Sympathie vormt de samenhang van het universum. Hier komt ook het determinisme weer om de hoek kijken. Alles wat er gebeurt heeft een oorzaak. Er bestaat een netwerk van oorzaken en gevolgen die het hele universum onlosmakelijk met elkaar verbindt. Zoals we al eerder zagen meenden de stoïcijnen dat dit netwerk zo complex in elkaar steekt dat het niet anders kan dan dat het wel een eigen bewustzijn moet hebben. Voor een stoïcijn is het universum dus een levend en zelfbewust iets. Een iets dat zijn eigen koers vaart en zich daarbij niets aantrekt van zijn onderdelen. En natuurlijk al helemaal niet van wat de kleine bewustzijntjes van, bijvoorbeeld, mensen daarover denken. Het zijn onderdelen van dat bewustzijn die zonder pardon worden ingezet voor de doeleinden van het alomvattende geheel.

Posidonius denkt nu dat we in staat zijn om informatie van het doen en laten van dat wereldbewustzijn te ontvangen. Met onze zintuigen kunnen we ‘zien’ wat er gebeurt. We weten dat die zintuigen ons nog weleens willen bedriegen, maar met ons redeneervermogen zijn we heel goed in staat bedrieglijke informatie uit te filteren om zo ware informatie over het universum bijeen te brengen. Door waar te nemen en na te denken kunnen we een aardig kloppend beeld van de werkelijkheid verkrijgen. We zijn hierdoor verbonden met het netwerk van oorzaak en gevolg dat, zoals we zagen, het hele universum omvat. Niets komt zo maar uit de lucht vallen, alles heeft een oorzaak. Toeval bestaat niet.

Voor de stoïcijnen betekende dit dat we in een deterministische wereld leven. Alleen het bewuste universum zelf kent alle oorzaken, maar ook mensen zijn bewuste wezens die voorspellingen kunnen doen over wat er gaat gebeuren. Doordat alles met alles verbonden is, is het helemaal niet zo’n rare gedachte dat je uit gebeurtenissen in de natuur voorspellingen kunt doen over wat er in de toekomst gaat gebeuren. We hoeven het onderliggende mechanisme van oorzaak en gevolg niet helemaal te doorgronden om toch uit bepaalde gebeurtenissen voorspellingen te doen. Zo kun je zonder iets van meteorologie te weten toch voorspellen dat er als de lucht donker wordt en het begint te waaien een regenbui aankomt.

Volgens Posidonius werken ook toekomstvoorspellingen volgens dit principe. We kennen het mechanisme van alle oorzaken en gevolgen misschien niet, maar we kunnen wel bepaalde patronen ontdekken. Aan de hand van die patronen kan een waarzegger voorspellingen doen. Doordat alles met alles verbonden is, moet het immers mogelijk zijn om iets over de toekomst te zeggen. Eenvoudige voorspellingen zoals het voorbeeld over het weer kan iedereen maken, maar ook complexere voorspellingen zijn in theorie mogelijk. Posidonius dacht dat er mensen bestonden die op de één of andere manier een sterkere connectie met de pneuma hadden dan de gemiddelde mens. Ze beschikten misschien over een extra zintuig, of over een beter ontwikkelde of afwijkende ratio, die hen een bijzondere connectie met het universum gaven. Die connectie maakte het voor hen mogelijk om de toekomst beter te voorspellen dan een leek. De romeinse Augures waarzeggers konden zo aan de vlucht van vogels zien wat de toekomst bracht en andere waarzeggers gebruikten de ingewanden van een vis om het lot te voorspellen.

Het is natuurlijk onzin om uit de vliegrichting van vogels of de darmen van een vis een voorspelling over de toekomst te doen. Toch was het hele concept van Posidonius opmerkelijk modern en wetenschappelijk. Ook de hedendaagse wetenschap gaat er van uit dat elke gebeurtenis een oorzaak heeft. Niets gebeurt puur toevallig, alles wordt door iets veroorzaakt. Voor de stoïcijnen bestond toeval niet. Toeval was gewoon een gebeurtenis waarvan de oorzaak onbekend was. Aan de hand van steeds terugkerende patronen kunnen ook als de oorzaak onbekend is statistische voorspellingen worden gedaan. Dat Posidonius dacht dat uit de vlucht van vogels of uit de ingewanden van een vis bepaalde patronen konden worden afgeleid die iets over de toekomst zeggen is nogal vreemd. Uit de ingewanden van een vis kun je hooguit voorspellen dat je ziek wordt als je ervan eet, omdat de vis bedorven is. Toch is het hele concept dat toeval niet bestaat en dat alles een oorzaak heeft helemaal zo gek nog niet.


zondag 26 februari 2017

EEN STOÏCIJNS MEDICIJN TEGEN EEN ENGE ZIEKTE

De stoïcijnen kenden een medicijn tegen de hedonistische adaptatie, een medicijn dat nu nog steeds even effectief is als in de Oudheid. U zult wel denken wat heeft filosofie met een enge ziekte te maken? Sinds wanneer doen de stoïcijnen aan geneeskunde? Stoïcijnse leraren zagen zich zelf vaak als dokters die medicijnen zochten om het menselijk lijden te verlichten.

Hedonistische adaptatie is geen enge ziekte het is de psychologische neiging dat ons geluksgevoel altijd probeert terug te keren naar een bepaald basisniveau. Een nieuwe televisie, een nieuwe iPod of een loonsverhoging kunnen u tijdelijk opbeuren, maar dan slaat de gewenning toe en keert u terug naar uw gebruikelijke geluksniveau. U raakt gewend aan het nieuwe en u past u eraan aan. Al gauw ontstaan er nieuwe wensen. We zitten eigenlijk bijna allemaal in een soort vicieuze cirkel. Er is iets wat we heel graag willen hebben: een droombaan, een prachtig huis of de ideale partner. Als we na heel wat inspanningen uiteindelijk datgene wat we zo graag wilden hebben gekregen hebben zijn we een tijdje zielsgelukkig. Maar we raken al gauw aan onze nieuwe situatie gewend en gaan op zoek naar een volgende uitdaging. Naar een volgend verlangen dat, denken we, zodra eenmaal vervuld ons leven perfect zal maken. Maar we zullen algauw ontdekken dat ook de vervulling van die volgende wens niet tot het o zo gehoopte geluk zal leiden. De hedonistische adaptatie slaat ook nu weer toe.

De stoïcijnen zochten naar een methode om die vicieuze cirkel van verveling en steeds maar weer nieuwe verlangens te doorbreken. Als het mogelijk is de hedonistische adaptatie te doorbreken zou je je veel langer tevreden en gelukkig kunnen voelen met de dingen die je hebt. Je zou de stress van het telkens maar weer nieuwe verlangens na te jagen kunnen voorkomen. Om hun geluksgevoel in stand te houden gebruikten de stoïcijnen een techniek om deze hedonistische adaptatie te dwarsbomen. Bij de oefening gaat het er om om de dingen die u heeft niet langer als vanzelfsprekend te beschouwen. 

Hoeveel spullen heeft u niet waar u ooit van droomde om ze te hebben en die nu de gewoonste zaak van de wereld zijn geworden. Zelfs degene die ooit de partner van uw dromen was is nu een vanzelfsprekendheid die naast u in bed ligt te snurken. Maak er dus een gewoonte van om u regelmatig voor te stellen dat u de spullen waar u aan gewend bent niet meer zou hebben. Stelt u eens voor hoe het zou zijn als er geen water meer uit de kraan zou komen of als u geen zacht matras meer zou hebben maar op de grond zou moeten slapen. Hoe zou het zijn zonder die goed gevulde bankrekening, zonder vervoer of zonder voedsel? Doe het zelfde met de mensen die u omringen. Hoe zou het zijn als uw partner u zou verlaten (okay voor sommige mensen zou dat een gevoel van opluchting kunnen opwekken), of als u geen familie of vrienden zou hebben. Door deze oefening regelmatig te doen zult u de dingen en mensen die u omringen beter gaan waarderen en kunt u de hedonistische adaptatie te slim af zijn. Misschien komt u zelfs zo ver dat u in plaats van steeds weer nieuwe dingen te willen hebben gaat leren te verlangen naar de dingen die u al heeft. Ik weet dat het makkelijker gezegd is dan gedaan, maar door deze oefening regelmatig te doen kunt u zich gelukkiger gaan voelen.

U zou nu kunnen opmerken dat dit nu niet bepaald een gezellige oefening is. Maakt zo’n oefening een stoïcijn in niet tot een chagrijn die ieder leuk moment voor zich zelf en zijn omgeving verpest door meteen aan iets vervelends te denken. Tijdens een gezellig dinertje in een romantisch restaurant denkt hij aan de mogelijkheid dat er brand in de keuken uitbreekt, of dat hij en zijn tafelgenoot een voedselvergiftiging oplopen. Het is zeker een risico dat de leerling van dit soort gedachten depressief zou kunnen worden. Dat is natuurlijk niet de bedoeling van deze techniek. Een stoïcijn zal tijdens een romantisch dinertje aan niets anders dan het eten op zijn bord en de persoon tegenover hem denken.

De negatieve visualisatie techniek zal niet vaker dan een paar keer per week of hooguit een paar keer per dag worden toegepast. Bovendien is het niet de bedoeling dat u gaat piekeren en zich zorgen gaat maken. Het is juist de bedoeling dat u door zo nu en dan te denken over een bepaald verlies, de dingen meer gaat waarderen. In plaats van een chagrijnig figuur te worden zult u daardoor juist vrolijker worden. Seneca zei het zo:


“Iemand die zich dit eigen heeft gemaakt wordt, of hij dat nu wil of niet, blij en doortrokken van een blijvend gevoel van levensvreugde. Hij verheugt zich over wat hem eigen is en verlangt niet meer naar wat zijn vermogens te boven gaat.” (Seneca: Over het gelukkige leven IV).

woensdag 8 februari 2017

DE INVLOED VAN DE STOÏCIJNEN

Marcus Aurelius wordt wel eens de laatste stoïcijn van enige betekenis genoemd. Maar het stoïcisme is met het einde van het Romeinse Rijk niet zomaar van de aardbodem verdwenen. Al dan niet in het verborgene bleef deze filosofie door de eeuwen heen zijn aanhangers houden. Vooral Seneca bleef populair. Alleen al omdat hij in het Latijn schreef terwijl de geschriften van Epictetus en Marcus Aurelius in het Grieks waren geschreven. Een taal die in de Middeleeuwen zo goed als vergeten was geraakt. De apostel Paulus (5-67) heeft in Athene stoïcijnse filosofen ontmoet en gesproken. Er bestaat zelfs een fictieve briefwisseling tussen Paulus en Seneca. Dit is een Middeleeuwse vervalsing gebleken, maar dat neemt niet weg dat hij wel een tijdgenoot van Seneca was en dat in de Middeleeuwen lange tijd niet aan de authenticiteit van die brieven werd getwijfeld. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat Dante (1265-1321) in zijn ‘Goddelijke Komedie’ stoïcijnse filosofen als Seneca en Cicero in het voorgeborchte van de hel plaatste. De plek waar zich de deugdzame heidenen bevonden.

Toch werd er pas aan het eind van de Middeleeuwen weer openlijk over de stoïcijnse filosofie gesproken en vooral geschreven. Erasmus (1466-1536) zag Seneca als een belangrijk filosoof en zorgde voor de heruitgave van zijn werk. Montaigne (1533-1592) gebruikte Seneca als voornaamste inspiratiebron voor zijn ‘Essais’. Zelfs Calvijn (1509-1564) schreef over Seneca. Ook al vond hij het maar niets dat de stoïcijnen ‘medelijden’ niet als een deugd aanmerkten en zelfmoord niet als iets slechts zagen. Ook in de toneelstukken van Shakespeare (1564-1616) vallen duidelijke stoïcijnse invloeden te ontdekken.

In de renaissance ontstond er in de Lage Landen zelfs een filosofische stroming die het neo-stoïcisme werd genoemd. Het neo-stoïcisme van met name de Nederlandse filosoof Justus Lipsius (1547-1606) probeerde de stoa met het christendom te combineren. Hij dacht dat er veel overeenstemming tussen het stoïcisme en het christendom bestond. Een verzoeningspoging die tot interessante ideeën heeft geleid, maar uiteindelijk toch tot mislukken gedoemd was. De Franse filosoof Descartes (1596-1650), die bijna zijn gehele productieve leven in de Nederlanden woonde, werd sterk beïnvloed door de stoïcijnen. Een andere Franse filosoof Blaise Pascal (1623-1662) vond de stoïcijnen te trots en arrogant, maar dat weerhield hem er niet van om in zijn beroemde ‘Pensées’ uitgebreid uit de stoïcijnse boeken te citeren. Zonder bronvermelding dat dan weer niet. De Nederlandse rechtsgeleerde Grotius (1554-1640) was een welhaast onverbloemd stoïcijn. Iets wat in die dagen levensgevaarlijk kon zijn. Ook de beroemdste Nederlandse filosoof Spinoza (1632-1677) heeft elementen van het stoïcisme in zijn filosofie opgenomen.


Aan het eind van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw is er een groeiende belangstelling voor de stoïcijnse filosofische traditie ontstaan. Vreemd genoeg kwam die hernieuwde belangstelling niet uit de filosofie maar uit de psychologie. De zogenoemde cognitieve gedragstherapie van Aaron Beck en Albert Ellis is voor een belangrijk deel gebaseerd op stoïcijnse inzichten. Nu nieuwe psychologische bevindingen de doeltreffendheid van de stoïcijnse methode ‘bewijzen’ ontstaat er ook steeds meer interesse voor de achterliggende wereldbeschouwing. Het stoïcisme is dus een levende filosofie die zich steeds verder ontwikkelt heeft en die zich aan de omstandigheden van zijn tijd heeft weten aan te passen. Kortom het is een tegelijkertijd eeuwen oude als moderne, levende en nog steeds in beweging zijnde filosofie.

maandag 23 januari 2017

DE SPIEGEL EN DE PEN VAN MARCUS AURELIUS

Na Seneca, een eerste minister, tweede man onder de keizer, en Epictetus een slaaf, is het nu tijd voor een stoïcijnse keizer. Marcus Aurelius werd geboren in Rome in het jaar 121, in een tijd dat het Romeinse Rijk op het hoogtepunt van zijn macht was. Hij was de zoon van de vooraanstaande edelen Annius Verus en Domitia Lucilla. De toenmalige keizer Hadrianus was zeer gesteld op de jonge Marcus, en op zijn aandringen werd Marcus geadopteerd als zoon van de door Hadrianus als zijn opvolger benoemde Antonius Pius. In 161 besteeg Marcus, na jarenlang tweede man van keizer Antonius Pius te zijn geweest, de troon. Na een lange periode van vrede kreeg de nieuwe keizer al snel te maken met Germaanse invasies in onder meer Italië en Griekenland. Tegelijkertijd werd het rijk in het Oosten aangevallen door zijn Parthische buren. Cassius, een generaal waar Marcus veel vertrouwen in stelde, versloeg hen en veroverde het Parthische rijk, maar kwam, na geruchten over de dood van Marcus, in opstand. Een opstand die in de kiem gesmoord werd omdat de soldaten van Cassius in overgrote meerderheid trouw aan Marcus bleven.

Marcus had les gehad van stoïcijnse leraren en beschouwde zich zelf als een stoïcijn. Hij was de laatste keizer uit de periode die bekend staat als de tijd van de vijf goede keizers. De regeerperiode van de keizers Nerva, Trajanus, Hadrianus, Antonius Pius en Marcus Aurelius wordt beschouwd als de gouden eeuw van Rome. Opvallend, en misschien niet helemaal toevallig, is het dat al deze keizers in meer of mindere mate door het stoïcisme geïnspireerd waren.

Het was tijdens zijn veldtochten tegen de verenigde Germaanse stammen rond het jaar 170 dat Marcus een dagboek begon bij te houden. Hij noemde ze in het Grieks ‘Ta eis heauton’, geschriften aan zich zelf gericht. Deze beroemde ‘Meditaties’ of ‘Overpeinzingen’ van Marcus Aurelius waren helemaal niet voor publicatie bedoeld. ‘De Overpeinzingen’ zijn in het Grieks geschreven en zijn echt niet meer dan de gedachten van Marcus voor eigen gebruik. De stoïcijnse leraren gaven hun leerlingen vaak de opdracht om een dagboek bij te houden, waarin ze alle gebeurtenissen waardoor ze uit hun evenwicht raakten moesten noteren. Niet zomaar een feitelijke weergave, maar vooral een filosofische analyse waarin Marcus zich zelf toespreekt en aanmoedigt om zich voortaan beter aan de adviezen van zijn stoïcijnse leraren te houden.

Marcus stierf in het jaar 180 tijdens een veldtocht in de buurt van het Romeinse Wenen. Hij had opdracht gegeven om zijn dagboeken na zijn dood te verbranden. Gelukkig voor ons heeft iemand zich niet aan zijn bevelen gehouden. De tekst zoals we die nu kennen, is ingedeeld in twaalf kleine boeken en is één van de bekendste authentieke stoïcijnse teksten. Ook in historisch opzicht zijn ‘De Overpeinzingen’ waardevol, omdat ze ons kennis laten maken met de diepste overtuigingen en twijfels van de heerser van een wereldrijk die een eigen plaats inneemt binnen de grotere traditie van het stoïcisme. Het werk was bovendien favoriet bij onder anderen de Pruisische koning Frederik de Grote en schijnt zelfs op het nachtkastje van de Amerikaanse president Bill Clinton gelegen te hebben. Een groot deel van de inhoud is tijdloos en heeft na tweeduizend jaar nog niets aan overtuigingskracht ingeboet.

'Zelfonderzoek' is dus een belangrijk oefening in het stoïcijnse programma. Alleen al het nadenken over onszelf en ons leven, zoals we gaan doen in deze cursus, draagt bij aan zo'n zelfonderzoek. Maar het schrijven van dagelijkse dagboekberichten is ook een uiterst effectieve methode voor het richten van de geest. Het helpt om je bewust te worden van verbindingen en inzichten die anders niet opgemerkt zouden worden. Seneca merkt op:

‘Een persoon die zich er niet bewust van is dat hij iets verkeerd doet, heeft ook geen enkele behoefte om dat recht te zetten. Je moet je zelf erop betrappen voordat je er iets aan kan gaan doen.' (Seneca, Brief 28-10).

We moeten afstand nemen van onszelf, om een goed beeld te kunnen krijgen van wat voor soort persoon we zijn, hoe we ons gedragen en hoe we omgaan met onze zaken en andere mensen. We moeten zo nu en dan naast onszelf gaan staan om te zien wie we daadwerkelijk zijn en hoe we ons leven leiden, zo kunnen we onszelf begeleiden, zoals een vriend ons zou helpen om verbeteringen aan te brengen. Zo zegt Seneca tegen Lucilius, 'ik begin mijn eigen vriend te worden' (Brief 6.4), hij merkt verder op dat alleen iemand die een vriend voor zichzelf kan zijn ook echt een vriend voor een ander kan zijn. Je moet jezelf kennen voordat je iets voor anderen kunt gaan betekenen.

Voor deze oefening moet u dus een stoïcijns dagboek gaan bijhouden. Voorlopig volstaat het om alleen een feitelijke omschrijving te geven van gebeurtenissen waardoor u van slag raakt. Dat kunnen hele kleine dingen zijn zoals het missen van de trein, of het morsen van koffie over dit boek. U hoeft er nog niets mee te doen, dat komt in de volgende lessen wel aan bod. Het gaat er nu om dat u door gaat krijgen wat voor persoon u bent. Van wat voor dingen raakt u overstuur? Wat maakt u kwaad, verdrietig en waar wordt u angstig van. Maar u hoeft zich te beperken tot gebeurtenissen die negatieve emoties bij u losmaken. U moet ook gaan onderzoeken van welke dingen u blij en vrolijk wordt. Wat geeft u energie? Welke dingen maken u gelukkig? Door dit een paar maanden vol te houden leert u zich zelf langzaam maar zeker steeds beter kennen. Een grondige zelfkennis is de eerste stap naar een gelukkiger leven als stoïcijns filosoof.

maandag 9 januari 2017

IK WENS AL MIJN LEZERS EEN GELUKKIG 2017

Maar wat bedoel ik daar nu eigenlijk mee, wat is dat voor iets wat we elkaar in deze periode van het jaar steeds toewenzen? Volgens de definitie die sociologen hanteren is geluk ‘de mate waarin een individu een positieve waardering geeft van de kwaliteit van zijn leven als geheel’. Met andere woorden de geluksbeleving drukt de mate uit waarin een persoon van zijn eigen leven houdt. Maar wat is dat ‘van het leven houden’? Volgens Kant hoort geluk rationeel te zijn, ontdaan van elke persoonlijke neiging. Marx ziet geluk in de ontplooiing door arbeid. Augustinus beschrijft geluk als ‘de vreugde die geboren wordt uit waarheid’. En hoe zit het met het geluksgevoel van een boswandeling of een kop warme chocolade melk op een koude dag? Er bestaan dus ontzettend veel verschillende meningen over wat geluk nu echt inhoudt.

Het is verleidelijk om geluk te beschouwen als de materiële uitdrukkingsvorm van alle verlangens en hartstochten die we koesteren. Hierin zie je het blinde verlangen dat de wereld zich schikt naar je wensen. Maar zelfs als het mogelijk zou zijn om al je verlangens te bevredigen dan zou dat toch nog niet leiden tot het ultieme geluk, maar alleen maar tot het ontstaan van weer nieuwe verlangens. Als je er na heel veel inspanningen achter komt dat je zelfs wanneer er aan al je behoeften wordt voldaan nog niet gelukkig bent, hoe moet je je dan wel niet voelen? Als je alle reden hebt om gelukkig te zijn en je bent het niet dan is geluk blijkbaar onbereikbaar.

Als je aan mensen vraagt een moment te beschrijven waarop ze zich volmaakt gelukkig voelden zullen sommigen het hebben over een gevoel van diepe vrede tijdens een wandeling door de natuur, bijvoorbeeld tijdens het uitzicht vanaf een bergtop of een zonsondergang aan zee. Anderen zullen je vertellen over het halen van een examen, de geboorte van een kind of het winnen van een sportwedstrijd. Weer anderen zullen het hebben over de intieme sfeer tijdens een avondje bij kaarslicht.

De gemeenschappelijke factor lijkt het plotselinge ontbreken van innerlijke strijd. Normale referentiepunten vervagen en de desbetreffende persoon voelt zich in harmonie met zijn omgeving en met zich zelf. Gedurende een kort moment zijn er geen gedachten uit het verleden, geen toekomstplannen. Er is alleen het huidige moment zonder gedachten. Het is een heerlijk gevoel, maar er bestaat nog een ander geluksgevoel. Het verschil tussen deze kortstondige geluksmomenten en de blijvende gelijkmoedigheid van een ‘wijze’ (later meer over het begrip wijze bij de stoïcijnen) is even groot als het stukje hemel dat je door de oog van een naald kan zien en de weidse hemel zelf.

Een dergelijk geluksgevoel gaat gepaard met een geringere kwetsbaarheid voor uiterlijke omstandigheden, goede of slechte. Volgens de meeste mensen kun je je echter onmogelijk gelukkig voelen als je berooid over straat zwerft of als jij of je geliefde ernstig ziek zijn. Als je het in je hoofd haalt om je onder dergelijke moeilijke omstandigheden toch gelukkig te voelen ben je niet goed snik. Het wordt hoog tijd dat je eens bij de psychiater langs gaat. Volgens deze mensen is geluk afhankelijk van de externe omstandigheden.

Volgens de stoïcijnen is ons geluk echter afhankelijk van onze innerlijke staat van zijn, van wat zij virtuositeit noemen. Ze zien die virtuositeit als een verworven staat van volkomenheid die onafgebroken als draagvlak fungeert en die bestand is tegen de onvermijdelijke ups en downs van het leven. Het is een hoedanigheid die iedere houding of handeling ondersteunt overal in doorklinkt en die alle vreugde en pijn omvat. Een diepgaand geluk dat door niets valt te verstoren. Het is ook een staat van wijsheid, onaangetast door mentale verstoringen, en van inzicht dat vrij is van onwetendheid ten aanzien van de ware aard van de wereld.

Dit geluksgevoel valt te bereiken door een leven te leiden in overeenstemming met zowel de menselijke als de universele natuur. Het is dus nauw verbonden met inzicht in de manier waarop ons denken functioneert en de manier waarop we de wereld interpreteren. De wereld zelf laat zich nauwelijks veranderen maar onze perceptie van de wereld kunnen we weldegelijk beïnvloeden. Iemand die een dergelijk geluksgevoel weet te verwerven laat zich niet meer door tegenspoed onderuit halen, evenmin laat hij zich benevelen door succes. Alles wat hem of haar overkomt wordt vanuit een diepgaande gelijkmoedigheid ervaren, gevoed door het inzicht dat iedere ervaring voorbijgaand is en dat er geen enkele reden bestaat om je eraan te hechten.

Hoe de situatie in de buitenwereld ook mag zijn je geluksgevoel komt voort uit je innerlijke zijnstoestand. Als je dat begrijpt heb je de eerste stap gezet op een weg naar een leven dat werkelijk de moeite waard is. Het veranderen van je visie op de wereld betekent niet dat je vervalt tot een naïef soort optimisme. Je hoeft tegenslagen niet op te vangen met een opgeklopte vrolijkheid. Zolang de verwarring in je geest niet is overwonnen en je in het dagelijkse leven nog steeds belaagd wordt door gevoelens van onvrede en frustratie is het onzinnig om te roepen dat je zo gelukkig bent. We zullen eerst inzicht moeten zien te krijgen in de manier waarop de geest (de menselijke natuur) functioneert en we zullen tot een juiste opvatting van de werkelijkheid (de universele natuur) moeten zien te komen.

zondag 11 december 2016

EEN NIEUWE VORM VAN LOGICA



In dit blog wordt weinig aandacht besteed aan logica. Dat is jammer en eigenlijk ook wel een beetje onterecht, een leerling stoïcijn kreeg tijdens zijn opleiding heel wat logica te verstouwen. De stoïcijnen waren in hun tijd ware meesters in de logica en hebben zelfs een heel nieuwe vorm van logica uitgevonden: de zogenaamde propositielogica of zinslogica. Ik zou u dan ook zeker aanraden om u te verdiepen in de geheimen van deze wetenschap. Al was het alleen maar om te voorkomen dat u het slachtoffer wordt van allerlei drogredeneringen.

Om u alvast een beetje in de stemming te brengen hierbij een kleine geschiedenis van de logica in de Oudheid. De Babyloniërs en de Egyptenaren waren heel bedreven in de praktische meetkunde. Voor hen was meetkunde echter vooral een empirische wetenschap. Ze ontdekten hun formules en technieken door zelf te observeren en te meten. Het waren de Grieken die de theoretische wiskunde en logica ontdekten. Pythagoras (ja die van de stelling), Thales, Heraclitus en anderen ontdekte als eersten de zogenaamde deductieve methode. Met een deductieve redenering kan vanuit algemene regels een logisch onontkoombare conclusie worden getrokken. De waarheid van die conclusie zit daarbij als het ware al ingebed in de algemene regel. Dit is een fantastische methode om de wereld te onderzoeken. Je hebt een techniek in handen waarmee je volledig zeker weet dat als je uitgangspunten waar zijn ook de daaruit afgeleide conclusies waar zijn.

In de Academie van Plato gingen de studie van filosofie en wiskunde hand in hand. Boven de ingang van de Academie hing zelfs een bord met daarop de tekst: ‘Verboden toegang voor iedereen die geen meetkunde kent’. De verzamelde meetkundige kennis werd door een leerling van de Academie Euclides samengevat in zijn beroemde boek ‘de elementen van Euclides’. Op basis van een paar axioma’s en definities was hij in staat met de deductieve methode zo’n vijfhonderd stellingen af te leiden. Uitgaande van bepaalde intuïtief direct inzichtelijke uitgangspunten kon Euclides zo door zuiver logisch redeneren zijn hele meetkundige systeem afleiden. De uitgangspunten worden zelf niet bewezen, maar vormen wel de basis voor alle redeneringen. De waarheid van de soms behoorlijk onverwachte conclusies van die redeneringen ligt al besloten in de axioma’s.

Aristoteles (384-322 v.Chr.) is de eerste filosoof die met deze methode in zijn ‘Organon’ een systematische logische theorie ontworpen heeft. Zijn systeem wordt tegenwoordig de termenlogica of predicatenlogica genoemd. Aristoteles gaat uit van wat hij een syllogisme noemt. Een syllogisme definieert hij als een redenering waaruit vanuit bepaalde beweringen een andere bewering met noodzakelijkheid volgt. Volgens hem kon hij met zijn systeem alle mogelijke redeneringen vangen. Zijn invloed op de westerse filosofie en wetenschap was immens. Zeker toen zijn theorie door het christendom tot onaantastbare leerstellingen werden gebombardeerd. Volgens Aristoteles bestaan er vier typen zinnen waarmee syllogismen kunnen worden gemaakt:

Universeel bevestigende zinnen. Alle mensen zijn sterfelijk.

Universeel ontkennende zinnen. Geen mens heeft het eeuwige leven.

Particulier bevestigende zinnen. Sommige mensen worden honderd.

Particulier ontkennende zinnen. Sommige mensen worden niet honderd.

Deze zinnen kunnen worden samengevoegd tot deductieve redeneringen die dan de syllogismen vormen. Bijvoorbeeld:

Alle mensen zijn zoogdieren.
Alle zoogdieren zijn levendbarend.
______________________________
Dus alle mensen zijn levendbarend.

Schematisch wordt dat:

Alle A zijn B
Alle B zijn C
____________
Dus alle A zijn C

Welke termen of predicaten je ook invult voor de letters het resultaat is altijd een kloppende redenering. De logische geldigheid van de redeneringen is zo afhankelijk van de gebruikte formele structuur. Dit betekent dat het als je premissen (de bovenste twee zinnetjes) waar zijn onmogelijk wordt dat je conclusie onwaar zou zijn.

Aristoteles was met deze predicatenlogica tweeduizend jaar lang dé autoriteit op het gebied van wetenschapsfilosofie en logica. Hij was in zijn logica geïnspireerd door zijn voorganger Parmenides. Parmenides zocht in zijn filosofie vooral naar de essentie der dingen, naar een onveranderlijke waarheid achter de veranderlijke verschijnselen. Plato deed dat ook en vertrouwde daarbij vooral op de ratio. Aristoteles vertrouwde meer op de waarneming. Daarin zit tussen die twee filosofen trouwens het grote verschil. Maar beiden waren zij typische dualisten: er staat volgens hen een onveranderlijke geestelijke wereld achter de wereld van de materiële verschijnselen. En die onveranderlijke wereld van essenties proberen zij met hun filosofie te ontmaskeren.

Het klassieke en overbekende voorbeeld van de Aristotelische predicaten- of termenlogica:

Mensen zijn sterfelijk.
Socrates is een mens.
___________________
Dus Socrates is sterfelijk

Met dit voorbeeld zien we perfect hoe Aristoteles probeert door middel van logica de essentie van zaken te begrijpen. Deze logica is gericht op classificeren: ze richt zich op de relatie tussen het algemene (de mens) en het bijzondere (Socrates). Daarmee beschrijft zij het wezen der dingen, de essentie van de verschijnselen.

De stoïcijnen hadden echter hele andere uitgangspunten. Zij waren niet zozeer geïnspireerd door Parmenides, maar door diens tijdgenoot Heraclitus. En volgens Heraclitus is het kenmerk van de verschijnselen juist dat ze veranderlijk zijn. De stoïcijnen richtten zich daarom niet op de essentie van het zijn van de dingen, maar op het veranderen het worden van de dingen. Zij zochten niet naar de onveranderlijke kenmerken van de dingen, maar naar de logica achter de samenhang van gebeurtenissen. En daarom ontwikkelden de stoïcijnen, naast de predicatenlogica of termenlogica van Aristoteles, een eigen vorm van logica: de propositielogica of zinslogica.

Tot halverwege de vorige eeuw werd de termenlogica van Aristoteles als de enige juiste en kloppende vorm van logica aanvaard. Meer dan tweeduizend jaar geleden hadden de stoïcijnen echter al een heel eigen logisch systeem ontwikkeld: de zinslogica of propositielogica. Een systeem dat veel geavanceerder en veel uitgebreider was dan de termenlogica.

De propositielogica vertaalt oorzaak-gevolg relaties naar, bijvoorbeeld, als-dan relaties tussen simpele uitspraken: Als dit wel of niet gebeurt, dan gebeurt dat wel… of juist niet. Alles valt volgens de stoïcijnen terug te voeren op dergelijke oorzakelijke relaties. Door de keten van oorzakelijke relaties in kaart te brengen probeert de propositielogica van de stoïcijnen de natuurlijke gang van zaken te begrijpen. Want begrip van de samenhang der dingen leidt volgens de vroege stoïcijnen vanzelf tot acceptatie van het zijnde. Wie alles weet, kan vrede vinden met het bestaan. Geschiedkundigen en filologen wisten weliswaar wel van het bestaan van deze stoïcijnse logica, maar ze begrepen die niet en beschouwden het als niets meer dan een verzameling pedante spitsvondigheden zonder enig nut.

Pas de Duitse wiskundige Gottlob Frege ontdekte dat de stoïcijnse logica veel fundamenteler en verfijnder was dan de termenlogica van Aristoteles. Volgens de stoïcijnse zinslogica klopt de stelling van Aristoteles dat iedere geldige redenering als een syllogisme weergegeven kan worden niet. Dat toonden ze, onder andere, aan met redeneringen als de onderstaande:

Als Socrates een mens is, dan is hij sterfelijk.
Socrates is een mens.
_______________________________________
Dus Socrates is sterfelijk.

Of de butler of de tuinman heeft de moord gepleegd.
De tuinman heeft de moord niet gepleegd.
____________________________________________
Dus de butler heeft de moord gepleegd.

Schematisch wordt dat:

Als A dan B
A
___________
Dus B

Of A of B
Niet B
___________
Dus A

Bij dit soort redeneringen is de geldigheid niet afhankelijk van de interne structuur van de zinnen, maar van de manier waarop de zinnen worden verbonden met woorden als: ‘als … dan’, ‘niet’, ‘of’ en ‘en’. Het cruciale verschil tussen de stoïcijnse logica en de logica van Aristoteles is dat de variabelen bij de stoïcijnen voor zinnen (proposities) staan en bij Aristoteles voor enkele woorden (termen). Met de stoïcijnse logica kon een veel groter stramien aan redeneringen worden gevoerd. Het duurde echter tot de twintigste eeuw voor dat tot de moderne logici begon door te dringen.

maandag 5 december 2016

SENECA OP PAKJESAVOND

U zult wel denken, waarde lezer, die stoïcijnen moeten zich ook overal mee bemoeien. Nu hebben ze zelfs iets te zeggen over een traditioneel Nederlands kinderfeest. Waar bemoeien ze zich mee. Niet te snel, misschien heeft de oude Seneca toch nog wat zinnigs te vertellen over deze avond van surprises en gedichten. In de tijd van Seneca bestond er natuurlijk nog helemaal niet zoiets als Nederland, en Sinterklaas moest nog geboren worden. Maar over het geven van cadeautjes had deze oude Romein toch een paar interessante dingen te zeggen. Seneca’s belangstelling was heel breed. Hij was een echte ‘homo universalis’ die zijn lezers telkens weer voor verrassingen wist te stellen. Dat is ook het geval in een vergeten boek, waarvoor ik op deze pakjesavond de aandacht wil vragen. Het betreft Seneca’s boek ‘De Beneficiis’ (oftewel ‘over cadeautjes’).

U denkt misschien dat het een beetje kinderachtig is om als gerenommeerd filosoof een boek over cadeautjes te schrijven, maar toch is het één van Seneca’s dikste boeken. In dit omvangrijke boek (zeven ‘delen’ in totaal ruim 250 pagina’s) behandelt Seneca in feite maar één onderwerp: het geven en aanvaarden van cadeaus, in materiële en niet-materiële zin. Hoe en wanneer moet je cadeaus geven? En aan wie? Wat mag je redelijkerwijze terug verwachten? En als je een cadeautje krijgt, wat staat je dan te doen? Achteloos incasseren? Of meteen iets terug schenken? Past de ontvanger blijvende dank, of verdwijnt het debet zodra er een tegengunst is verleend?

Het zijn vragen die ook in onze tijd relevant zijn, maar geen al te gedetailleerde behandeling lijken te vragen. In een paar bladzijden moet daarover toch iets verstandigs te zeggen zijn, zeker voor een filosoof als Seneca, die de grote vragen niet schuwt en graag snel tot de kern van de dingen komt. Waarom pakt hij hier dan uit met een compleet boek? Dat suggereert minstens dat het voor hem om iets belangrijks gaat, dat veel extra aandacht behoeft. Als we Seneca als auteur en denker ook maar enigszins serieus nemen, is het de moeite waard om uw aanvankelijke aarzelingen ten aanzien van ‘Over cadeautjes’ (De beneficiis) even opzij te zetten en een frisse blik op het werk te werpen. Er valt zeker iets uit te leren over het denken in het antieke Rome, en misschien ook wel over onze eigen tijd.

Heel het systeem van weldaden verlenen, ontvangen en beantwoorden blijkt een fundamenteel principe dat als een soort onderliggend patroon de Romeinse samenleving bepaalt. We weten ook uit andere bronnen hoezeer het sociale leven in Rome aan elkaar hing van ‘diensten en wederdiensten’. Men kan hier denken aan het Romeinse systeem van patronage: patroons die afhankelijke gunstelingen beschermden en van voedsel en banen voorzagen in ruil voor tegenprestaties, zoals het bekende ‘begroetingsritueel’ (salutatio) in de ochtend, of steun bij verkiezingen. Zo riep de ene dienst de andere op. Het fundamenteel belang van dit soort cadeautjes in Rome blijkt uit de welbekende, kernachtige verwoording van het principe: ‘do ut des’, ik geef opdat jij geeft’.

Maar het is veelzeggend dat Seneca dit gewone Romeinse ‘do ut des’ helemaal niet onderschrijft, en het zelfs nadrukkelijk verwerpt. Je moet geen cadeaus geven omdat je daar zelf beter van hoopt te worden. Nee, een gunst geef je zonder bijgedachten, enkel en alleen omdat het een mooie, plezierige handeling is. In zijn visie moet het geven en ontvangen dus vrij zijn van direct nut en eigenbelang. De banden die door gunsten ontstaan gaan dieper en zijn hechter: in feite brengen de continue ketens van weldaden een nauwe sociale cohesie tot stand, waardoor de mensheid een geheel blijft. Seneca tilt hiermee het denken over cadeaus, dankbaarheid en gunsten naar een hoger, geestelijk verheffender niveau. Zijn concrete Romeinse invulling is uiteraard tijdgebonden, maar wij kunnen ons minstens de vraag stellen in hoeverre dit alles ook op de Westerse samenleving van de 21e eeuw van toepassing is.

Wat krijg je eigenlijk, wat ben je verschuldigd wanneer jou een weldaad wordt bewezen? Seneca’s antwoord is paradoxaal maar helder: de goede intentie van de ander. Of je nu geld of goederen krijgt of gered wordt in de nood, er komt niet iets materieels of een bepaalde handeling op je debet, de eigenlijke weldaad die je krijgt bestaat in de positieve gezindheid van waaruit de ander jou de goede gunst bewees. En wat is een weldaad dus? Het is ‘een handeling van welwillendheid, waarin men vreugde schenkt en door het geven ook ervaart, een handeling die van harte en spontaan is.’. Wie iets groots of kostbaars geeft om andere redenen, bijvoorbeeld om zichzelf geweldig te voelen, is dus geen echte gever en gaat misschien zelfs in de fout.

Als je geeft, wat moet je dan geven? Ook hier heeft Seneca een mooie formule. ‘Allereerst moeten we essentiële dingen geven, vervolgens nuttige zaken, en dan aangename dingen, vooral als ze blijvend zijn.’ Nadere onderverdelingen en fijnere gradaties zijn uiteraard mogelijk: iemand het leven redden is volgens Seneca’s filosofie iets groters dan hem de vrijheid schenken, wat op zichzelf dan weer hoger staat dan diens vrouw of kinderen beschermen. Verder speelt bij het geven de sociale tact een rol: een alcoholist geef je geen mooie fles sterke drank, een gokverslaafde geen ticket voor het casino, en je moet natuurlijk ook geen gaven in het wilde weg rondstrooien maar gericht geven. Niet verkwisten, maar ook niet onnodig schriel zijn. Kortom, je moet rekening houden met tijd, plaats, persoon en omstandigheden.

Het zijn voor ons gevoel nogal open deuren, maar in het Rome van Seneca waren ze dat klaarblijkelijk nog lang niet. Achter Seneca’s tirades tegen verkeerde vormen van geven zien we een beeld oprijzen van puissant rijke dikdoeners en patsers, maar ook van miljonairs die voor hun sociale plichten weglopen en geen cent weggeven. Het is sowieso opvallend dat Seneca vooral de kant van de gever belicht. De stap naar zijn eigen biografie is ook hier niet moeilijk te maken. Seneca was namelijk zelf zo’n schatrijke Romein: hij staat te boek als een van de meest vermogende en vrijgevende mannen van zijn tijd. De problemen van geven (inclusief ondankbare reacties) zal hij dus in sterke mate persoonlijk ervaren hebben. We kunnen uit zijn opmerkingen minstens opmaken dat hij zelf in het gebruik van zijn rijkdommen een goede, verantwoorde middenkoers wilde varen.

Irrelevant lijken mij Seneca’s gedachten zeker niet. Wij spreken misschien heel eigentijds in termen van ‘netwerken’ en ‘relatiebeheer’, maar liggen hier niet dezelfde valkuilen op de loer die Seneca signaleert? Als ik een kennis een dienst bewijs, wil ik dan meteen iets terugkrijgen? Kan ik nooit eens zomaar iets voor een ander doen? Als mijn hartelijkheid berekenend is, kan ik het dan wel iets moois en goeds noemen? En omgekeerd, als iemand iets bijzonders voor mij gedaan krijgt, schept dat dan andere directe verplichtingen dan mijn ruiterlijke erkentelijkheid? Is het vreemd als ik het gebaar gewoon enthousiast aanvaard? Wat verwacht de ander eigenlijk terug?


Zo bezien lijken de vragen van ’De Beneficiis’ nog onverminderd actueel. Seneca is er niet op uit een catalogus te geven van juiste giften en passende dankbewijzen, op lijsten of tabellen waaruit we ons debet en credit af kunnen lezen, al zouden veel lezers dat misschien best willen. Nee, hij wil algemene raad geven voor werkelijk goed, moreel hoogstaand omgaan met weldaden, zowel door de gever als de ontvanger. Hij wil achterhalen hoe de samenleving in elkaar zit. Of idealiter zou moeten zitten. Achter deze nobele filosofische houding zien we steeds ook weer de concrete Romeinse mens Seneca. We hebben geen complete biografie van hem, maar juist uit zijn abstracte, universeel geldige teksten rijst ook een steeds duidelijker beeld van zijn persoon. Hij is een machtige Romein, een multimiljonair, een drammerige betweter en verheerlijker van de goede oude tijd, zeker, maar ook een fijnzinnig denker, een voorzichtig taster naar de waarheid, en een gedreven leraar die zijn lezers serieus iets goeds wil bijbrengen waar zij in hun eigen leven iets mee kunnen. Een idealist, eigenlijk. Je kunt het in de oudheid slechter treffen.