zondag 15 januari 2023

15.3 Stoïcijnse demonen en beschermengelen

 U zult wel denken wat hebben die malle stoïcijnen met spoken en geesten. Toch speelde (denkbeeldige) demonen een belangrijke rol in de klassieke filosofie. Het begrip ‘daimonion’ was een populaire manier om de innerlijke stem of het bewustzijn te beschrijven als datgene wat iemand zou kunnen ervaren als een soort van gids of raadgever. Socrates was een van de bekendste filosofen die gebruik maakte van het begrip ‘daimonion’ (demon). Hij beschreef het als een innerlijke stem die hem waarschuwde wanneer hij op het punt stond een verkeerde beslissing te nemen, of hem aanmoedigde om een bepaald pad te volgen. Hij beweerde dat deze innerlijke stem een soort van goddelijke geest of gids was die met hem communiceerde en hem hielp om de waarheid beter te begrijpen.

In de klassieke filosofie werd het begrip daimonion vaak geassocieerd met de zoektocht naar kennis en wijsheid, en werd het gezien als een hulpmiddel om een innerlijke leiding te volgen in plaats van te vertrouwen op externe autoriteiten of religieuze dogma's. Het begrip ‘daimonion’ was echter niet alleen beperkt tot de filosofie, het was ook een belangrijk onderdeel van de religieuze en culturele praktijken van de oudheid, waar het werd gezien als een soort van geestelijke gids of beschermengel.

Ook de stoïcijnen maakten gebruik van een ‘daimonion’. Ze waren zich er wel wat meer dan sommige van hun collega filosofen van bewust dat hun demonen op fantasie gebaseerd waren. Maar ze vonden het wel degelijk een nuttig concept om hen te helpen op hun levenspad. In het vorige blog hadden we het over rolmodellen en het ‘daimonion’ is eigenlijk zo’n rolmodel. En de stoïcijnen denken dat het u kan helpen om nog een stapje verder te gaan en voor uzelf een eigen fantasie wijze als rolmodel te creëren. U maakt dan uw eigen stoïcijnse superheld, die u kan helpen en bijstaan. 

Ook Socrates gebruikte, zoals we hierboven al zagen, een soort ingebeeld rolmodel. Hij zei vaak dat er een ‘daimonion’ tot hem sprak om hem te waarschuwen voor verkeerde beslissingen. In zijn ogen was het een soort spiritueel wezen dat hem constant in de gaten hield en van goede raad en adviezen voorzag. Hij luisterde altijd naar zijn ‘mentale radar’ en zei dat die hem nooit een verkeerd advies had gegeven. Later zouden de christenen zijn idee overnemen en er een beschermengel van maken. De stoïcijnen sloten het bestaan van dergelijke spirituele wezens trouwens niet per definitie uit, maar hun rolmodellen werden toch vooral als denkbeeldig beschouwd. Het is misschien helemaal niet zo’n gek idee om uzelf ook een ‘daimonion’ aan te meten. Het klopt tenslotte wel dat u zich als u zich bespied weet een stuk ‘netter’ gedraagt dan wanneer u denkt alleen te zijn. Daar komt nog bij dat het best een prettig gevoel is om te weten dat u nooit ergens helemaal alleen voor staat. Er is altijd iemand om u bij te staan, al was het maar een denkbeeldige ‘daimonion’. Hoog tijd dus om op zoek te gaan naar uw eigen ‘beschermengel’.


Oefening: Kies uw eigen ‘daimonion’

Veel kinderen hebben een onzichtbaar vriendje en ook de meeste stoïcijnse filosofen hebben het over een denkbeeldige levensgids. Als u wilt kunt ook u zich een onzichtbare gids en leraar aanschaffen. Het is helemaal niet zo raar om net als die kinderen een stukje van uw hersenen te reserveren voor een vriendelijke en wijze bondgenoot, die u kan troosten, opbeuren en op milde maar besliste wijze attent maakt op uw stoïcijnse beginselen. U zou bijvoorbeeld Epictetus, Seneca of één van de andere stoïcijnen als uw onzichtbare begeleider kunnen kiezen. Maar het kan ook heel goed een ingebeelde perfecte wijze zijn. Laat het geen boeman worden die niets anders doet dan u verwijten maken. Een stoïcijnse wijze is immers per definitie tolerant, vriendelijk en mild. Hij zal u uw fouten of vergissingen nooit kwalijk nemen.

U zou er mee kunnen beginnen om iedere keer als u een moeilijke situatie te wachten staat, bij uw privé wijze te rade te gaan. Wat zou hij gedaan hebben? Wat zou hij u adviseren? Maak in uw gedachten een zo’n duidelijk mogelijk beeld van uw ‘daimonion’. Beeldt u in dat hij of zij echt bij is en dat u echt met elkaar praat. U kunt uzelf zelfs een vaste plek inbeelden waar u elkaar spreekt. Maak er een mooie rustige plek van waar u zich altijd kunt terugtrekken om met uw ‘daimonion’ te overleggen. Maak er uw eigen innerlijke citadel van, een veilige rustige plek waar u zich volledig op uw gemak voelt.

U zou hem of haar natuurlijk ook kunnen vragen of hij de dingen net zo zou hebben aangepakt als u het gedaan hebt. U kunt er zelfs een gewoonte van maken om iedere avond voor het slapen gaan een kort gesprek met hem of haar aan te gaan, waarin u de dag bespreekt. Wat ging er vandaag goed en wat zou voor verbetering in aanmerking komen? Ook zou u iedere ochtend voor u opstaat kort met hem de komende dag kunnen doornemen. Wat staat u vandaag te wachten? Zijn er bijzondere uitdagingen die een beroep op uw stoïcijnse vaardigheden zullen doen? Deze gesprekjes kunnen dan de plaats gaan innemen van de oefening van de voor- en nabeschouwing.

Na een tijdje zult u merken dat uw wijze een, licht schizofreen, plekje in uw hersenen heeft ingenomen. De persoon zal u op een gegeven moment zelfs geheel ongevraagd van stoïcijnse op- en aanmerkingen gaan voorzien. U staat nooit meer ergens alleen voor, maar hebt altijd een vriendelijk en milde helper en adviseur aan uw zijnde. U zult u hoe langer hoe meer bewust worden van zijn of haar aanwezigheid. Op dat moment is het u gelukt, u heeft officieel uw eigen stoïcijnse ‘daimonion’, die u als u dat wilt de rest van uw leven loyaal zal blijven bijstaan.


zaterdag 14 januari 2023

15.2 Superhelden en andere rolmodellen

U hebt in de afgelopen lessen kennis gemaakt met een heel set aan stoïcijnse gedragsregels en technieken om een virtuozer en gelukkiger leven te kunnen leiden. Ondertussen zult u ook wel begrepen hebben dat het ze daarbij niet ging om de theorie, om wat u ergens over denkt of zegt, maar om wat u in het echt doet. Het gaat de stoïcijnen om de dagelijkse werkelijkheid om echte mensen en de dingen die ze doen. Daarom spelen rolmodellen een belangrijke rol in hun onderwijs. U kunt dan mensen van vlees en bloed met bepaalde voor een stoïcijn belangrijke deugden in het wild observeren en navolgen.

De moderne helden zoals managers van grote bedrijven, acteurs, zangers, sporters, vloggers en andere ‘celebrities’ zullen als stoïcijns rolmodel vrij snel door de mand vallen. Dergelijke publieke figuren blinken doorgaans niet uit in eigenschappen die een stoïcijn wenselijk acht. Een stoïcijns rolmodel hoeft echter niet volmaakt te zijn. Niet iedereen is natuurlijk even ver gevorderd op de weg naar virtuositeit en niet iedereen heeft op dezelfde gebieden vooruitgang geboekt. Sommige mensen komen hun leven lang niet veel verder dan een heel basaal kinderlijk of zelfs dierlijk ontwikkelingsniveau. Dat neemt echter niet weg dat ook deze mensen wel degelijk de potentie hebben om vooruitgang te boeken. Een verandering in hun omstandigheden, of het ontmoeten van de voor hun persoon en situatie juiste leraar kan een wereld van verschil voor ze betekenen. Deze potentie tot zelfverbetering, dit vermogen om door zich te ontwikkelen en door na te denken een beter inzicht in de werkelijkheid te verwerven ligt aan de basis van het stoïcijnse gelijkheidsbeginsel. Een stoïcijn vindt dat iedereen ongeacht zijn omstandigheden de kans geboden moet worden om zich te ontwikkelen. Stoïcijnen denken ook dat er maar weinig mensen door en door dom of slecht zijn. Iedereen heeft potentie en in iedereen zit wel iets goeds. Dat betekent dat van iedereen hoe nederig ook wel iets te leren valt. Iedereen heeft wel een eigenschap die de moeite waard is.

Het waren dus niet alleen bekende helden die als voorbeeld werden gesteld. Het was heel goed mogelijk om te verwijzen naar bepaalde goede eigenschappen van mensen in de directe omgeving. In zijn dagboek noemt Marcus Aurelius een hele rij van familieleden en leraren die hij bedankt voor de goede invloed die ze op hem hebben gehad. Hij vond bij iedereen wel een eigenschap die hij bewonderde en die hij de moeite van het navolgen waard vond. In de ogen van een stoïcijn valt er dus al gauw iets van iemand anders te leren. De anderen zijn ongetwijfeld ook alles behalve perfect, maar ze hebben vast wel een goede eigenschap die jezelf niet hebt en die het navolgen waard is.

Ook van ‘gewone’ mensen die gemiddeld genomen misschien wel helemaal niet zo wijs en bewonderenswaardig zijn kunt u dus nog bepaalde dingen leren. Als u van hen al van alles kunt opsteken, hoe moet het dan wel niet zijn met stoïcijnse filosofen die, naar u mag aannemen, een stuk verder op de weg naar wijsheid gevorderd zijn. Een brutale leerling durfde Epictetus ooit eens te vragen of hij dacht dat hij zelf een wijze was. Epictetus gaf hem geen draai om zijn oren, dat doen stoïcijnen toch al niet zo snel, maar antwoordde:

“Bij de goden, ik wou dat ik dat was, maar ik kan zelfs mijn eigen leermeesters nog niet in de ogen kijken. Ik hecht nog te veel waarde aan mijn lichaam, Ik vind het belangrijk het gaaf te houden, hoewel het dat nu niet eens is. [Epictetus was kreupel] Maar ik kan je wel iemand aanwijzen die in elk geval vrij was, dan hoef je niet meer naar een rolmodel te zoeken. Diogenes die was vrij.” (Epictetus, Colleges, Boek 4, hoofdstuk 1).

Het ideaal van de verlichte wijze was soms ook in de ogen van de stoïcijnen wat te abstract. Bij gebrek aan een wijze van vlees en bloed werd in de stoïcijnse lessen regelmatig gewezen op historische en mythische personen die in hun gedrag bepaalde stoïcijnse deugden hadden laten zien. Zo was de hierboven door Epictetus genoemde cynische filosoof Diogenes, ja die van de ton, een belangrijke stoïcijnse held. Dat hij van een concurrerende filosofieschool was, maakte dat niet anders. Ook de wat mystieke natuurfilosoof Heraclitus was één van hun grootste helden en natuurlijk Zeno, de oprichter van de school. Voor de Romeinse stoïcijnen was ook de stugge en sobere staatsman Cato, die het als één van de laatste democratische tegenstanders tegen de dictator Julius Caesar durfde op te nemen, een belangrijk rolmodel. Daarnaast werd er ook veel naar de mythologische superheld Heracles verwezen. Maar het belangrijkste rolmodel bleef zonder enige twijfel Socrates.

Een rolmodel hoefde niet persé van vlees en bloed te zijn. Net als kinderen hielden veel stoïcijnen er een denkbeeldig vriendje op na. Het was geen speelkameraadje voor eenzame uurtjes, maar een steun en toeverlaat om ze te helpen met hun stoïcijnse praktijk. Ze maakten zich een voorstelling van een stoïcijnse wijze die hen bij alles wat ze deden ondersteunde. Bij alles wat op hun pad kwam, bij ieder obstakel en probleem haalden ze zich deze imaginaire wijze voor de geest om hem te vragen wat hij gedaan zou hebben. Tijdens de ‘ochtendmeditatie’ beelden ze zich in dat ze met hem de uitdagingen van de komende dag bespraken, en bij de ‘avondmeditatie’ keken ze samen met hun imaginaire vriend terug op de belevenissen van die dag. Wat was er goed gegaan en wat zou een volgende keer anders aangepakt moeten worden. Ze noemden hem of haar in navolging van Socrates hun ‘daimonion’. Deze ‘daimonion’ was steeds op de achtergrond aanwezig om hen als imaginaire vriend of vriendin te helpen een betere stoïcijn te worden.

Aan leerling stoïcijnen werd dus vaak aangeraden om een ‘held’ uit te kiezen als rolmodel. Het ging zelfs zo ver dat die held in gedachten steeds bij de leerling aanwezig moest zijn. Het hoefde dus niet persé een bestaande of historisch figuur te zijn, het mocht ook een denkbeeldig schoolvoorbeeld van de wijze zijn. De leerling moest zich voorstellen dat die persoon hem overal en bij alles begeleidde en als het ware steeds over zijn schouder meekeek. Het waren trouwens niet alleen de stoïcijnen die deze techniek toepasten, ook de epicuristen gebruikten een denkbeeldige wijze om hen op het rechte pad te houden. In een brief aan zijn leerling en vriend Lucilius omschrijft Seneca het zo:

“Dit is, beste Lucilius, een leefregel van Epicurus. Hij geeft ons een bewaker en opvoeder mee en terecht: een groot deel van onze fouten kan voorkomen worden als er een getuige over onze schouder meekijkt. Het ‘hegemonikon’ moet iemand hebben voor wie hij respect heeft, op grond van wiens overwicht hij ook de geheimste krochten van zijn innerlijk verheft. […] Kies dus Cato uit of als die je te star lijkt kies dan Laelius, een man met een wat soepelere instelling. Kies iemand van wie de levenswijze je aanspreekt, de manier van praten, maar ook het uiterlijk. Houd hem altijd voor ogen als bewaker en als voorbeeld. Wij hebben, volgens mij, allemaal iemand nodig om ons aan te spiegelen.” (Seneca, brieven 11-9-10).


Oefening: Word een fan

In de oudheid werden er speciaal biografieën van bekende helden geschreven. Zo kan bijvoorbeeld Plutarchus’ ‘parallelle levens’ als een lijstje met potentiële rolmodellen worden gezien. Stoïcijnen in opleiding worden door hun leraar dus gestimuleerd om mensen die ergens in uitblinken te bestuderen. Wat zijn de belangrijkste eigenschappen die er voor zorgen dat ze zo goed zijn in wat ze doen. Zou u door hun manier van doen te bestuderen misschien iets van ze kunnen leren? Van een succesvol sporter zou u bijvoorbeeld volharding kunnen leren en van een bevlogen leraar geduld en liefde voor zijn leerlingen. Misschien is die fantastische leraar verder wel een enorme vrek en is die topsporter wel heel onsportief, maar ze hebben in elk geval een paar deelgebieden waar ze heel virtuoos in zijn. En van juist die gebieden kunt u als leerling iets opsteken. Net als alle andere mensen bent u gewoon nog een dwaas, maar dan wel een dwaas die op de goede weg is en stap voor stap een beetje virtuozer wordt.

Zoek daarom mensen met eigenschappen die u bewondert en probeer uit te zoeken hoe het komt dat ze zo goed zijn in wat ze doen. Het kunnen net zo goed bestaande nog levende personen zijn als historische figuren. Maak in uw dagboek een fan-lijstje met mensen die eigenschappen laten zien die u graag zelf ook zou willen hebben. Beschrijf daarin de dingen die u het meest bewonderenswaardig aan hen vindt. Wat doen uw helden om zo te worden als ze zijn? Zitten daar dingen tussen die u zou kunnen gebruiken? Misschien kunt u ze wel kopiëren en zo weer een stapje verder komen op uw tocht naar een steeds toenemende virtuositeit.


We gaan meteen verder met nog een oefening. Dit is een variant op de vorige oefening die kan helpen om de dagelijkse uitdagingen van uw leven beter aan te kunnen. Hij helpt als u met een lastige of soms zelfs ronduit dramatische gebeurtenis wordt geconfronteerd, maar ook bij kleine ongemakken kan hij goede diensten verlenen. De oefening kan ook gebruikt worden als aanvulling op de, nog te behandelen, ‘premeditatio malorum’ door te bedenken wat uw ‘held’ zou doen als hem of haar een bepaalde akelige gebeurtenis zou overkomen.


Oefening: Wat zou uw ‘held’ doen?

Er staat u een moeilijke situatie te wachten of er is net iets heel vervelends met u of met iemand uit uw omgeving gebeurd. U bent bedrijfsleider en moet een medewerker ontslaan, u moet een zware medische operatie doorstaan, uw land is getroffen door een zware aardbeving en uw huis is ingestort. Of iets met een wat minder dramatische inslag; u heeft een lekke band. Neem iemand in gedachten die onder soortgelijke omstandigheden heeft verkeerd en waarvan u vindt dat hij of zij daar op een bewonderenswaardige manier mee is omgegaan. Het hoeft niet een bestaand persoon te zijn, het kan zelfs een fantasiefiguur uit een boek of film zijn. Het hoeft niet persé een stoïcijns filosoof te zijn, zelfs niet iemand die u bewondert. Het kan heel goed iemand zijn die op een bepaald terrein uitblinkt, maar wiens karakter verder van alles te wensen over laat. U zou het zo kunnen aanpakken:

  • Verzamel zo veel mogelijk relevante informatie over de desbetreffende persoon.

  • Wat was het precies wat die persoon deed waardoor hij zich goed uit de situatie wist te redden? Wat maakte hem op dat moment virtuoos? Welke karaktereigenschappen of vaardigheden maakten dat hij kon doen wat hij deed?

  • Heeft u een aantal van die vaardigheden en karaktereigenschappen of zou u die op de één of andere manier kunnen aanleren?

  • Stel uzelf voor alsof u die vaardigheden en eigenschappen al bezat. Hoe zou u dan reageren op de situatie?

Kijk of u in uw eigen situatie iets kunt met de manier waarop uw ‘held’ een soortgelijk probleem heeft aangepakt. Zou u uw probleem op dezelfde manier kunnen oplossen?


zondag 8 januari 2023

15.1b Vergaar kennis

In de vorige blog werd duidelijk dat er van stoïcijnen verwacht wordt dat ze zich een onhaalbaar ideaal stellen. De verlichte stoïcijnse wijze heeft nooit bestaan, bestaat niet en zal waarschijnlijk ook nooit bestaan.  Het lijkt somberheid troef. Waarom zou u zich uitsloven voor iets wat u toch nooit zal kunnen bereiken? Net als bij de taoïsten gaat het de stoïcijnen niet om het einddoel maar om de weg er naar toe. Het streven naar virtuositeit alleen is al voldoende om uw leven er een stuk aangenamer op te maken. Een onderdeel van dat streven is het verwerven van kennis.

En over het vergaren van kennis waren de stoïcijnen gelukkig een stuk optimistischer. Volgens de stoïcijnen steekt de wereld zoals we zagen fundamenteel logisch in elkaar. Omdat de mens een deel van de wereld is, zo redeneerden deze stoïcijnen, moet ook de mens fundamenteel doordrongen zijn met dezelfde logica. Dit gelukkige verschijnsel betekent dat hij met behulp van zijn rede in staat is kloppende kennis over de wereld te vergaren. De vroege stoïcijnen richtten zich daarom sterk op de bestudering van wetenschap, en logica. Ze waren daarbij niet dogmatisch en beperkten zich zeker niet alleen tot hun eigen interpretatie van de werkelijkheid. Het werd als nuttig en zelfs noodzakelijk beschouwd dat ook de theorieën van de concurrerende filosofiescholen werden bestudeerd.

En daar bleef het niet bij, de stoïcijnen dachten dat ook in literatuur en andere kunstuitingen belangrijke kennis over de aard van de werkelijkheid verborgen lag. In beelden, schilderingen, muziek en drama kon een facet van de werkelijkheid aan het licht worden gebracht dat in de ‘normale’ wereld verborgen bleef. Een leerling werd dan ook aangemoedigd veel te lezen, theaters te bezoeken en lezingen van concurrerende filosofiescholen bij te wonen. Kunst en cultuur belichten een deel van de werkelijkheid die niet in gewone woorden kan worden gevangen. Ook dat deel van de werkelijkheid dient een stoïcijn zich eigen te maken.

Ook eigen onderzoek en het ontwikkelen van nieuwe ideeën werd aangemoedigd. Het stoïcisme was nooit bedoeld als een vaste onveranderlijke doctrine. De stoïcijnse filosofen gaven een richting aan die door hun leerlingen verder moest worden uitgewerkt. Er wordt niet voor niets onderscheid gemaakt tussen de oude, de midden en de jonge stoa. Er bestonden echte en fundamentele verschillen tussen de stoïcijnse filosofie in die periodes. Een veel gehoord stoïcijns gezegde was: ‘Zeno is mijn vriend, maar de waarheid is mij liever’. Zelfs van de eigen stoïcijnse leraren mocht niet alles zomaar voor zoete koek geslikt worden. Van een leerling werd en wordt verwacht dat hij of zij kritisch nadenkt, zelfstandig tot een oordeel komt en niet zomaar alles aanneemt wat hem wordt voorgeschoteld. Seneca zei het zo:

“Ik heb mezelf aan niemand verbonden, ik ben niemands volgeling. Ik bewonder de gedachten van de grote namen, maar uiteindelijk behoud ik me het recht voor om zelf mijn oordeel te vormen. Want ook zij hebben ons niet alleen antwoorden, maar juist ook nieuwe vragen nagelaten en ook zij hebben de waarheid niet in pacht en zijn dwaalwegen ingeslagen.” (Seneca Brieven aan Lucilius; 45)

Een stoïcijnse leraar schotelt zijn leerlingen dan ook niet een pakket hapklare kennisbrokken voor. Hij wil ze zelfstandig leren denken en probeert samen met zijn leerlingen uit te vinden hoe de stoïcijnse leerstellingen het best in praktijk kunnen worden gebracht. En als het meezit kunnen ze zelfs nog tot nieuwe inzichten komen die vervolgens in de zich alsmaar ontwikkelende doctrine kunnen worden opgenomen. De filosofieleraar is niet iemand die boven zijn leerlingen staat, maar hij staat tussen ze in en probeert samen met hen als een groep gelijke rationele wezens tot nieuwe en betere inzichten over de werkelijkheid te komen.

zaterdag 7 januari 2023

15.1a Alle stoïcijnen zijn gek

HOOFDSTUK 15
STOÏCIJNSE SUPERHELDEN EN DEMONEN

U zult zich zo langzamerhand wel zijn gaan afvragen waar al die ingewikkelde theorie en lastige oefeningen op gericht zijn. Moeten al die technieken me tot een wijze maken? Vormen die moeilijke gedragsregeltjes de weg naar wijsheid. 'Ik heb geprobeerd om "onder voorbehoud" te handelen. Ik begrijp dat alles buiten mijn eigen wil "niet in mijn macht ligt", maar als ik problemen tegenkom, of wanneer mijn projecten misgaan, raak ik nog steeds van slag en als ik denk dat dat iemands schuld is, word ik nog steeds kwaad op hem. Ik begrijp waarom de stoïcijnen de conventionele dingen onbelangrijk noemen, maar ik besteed nog steeds al mijn tijd aan het nastreven ervan, net zoals ik dat altijd heb gedaan. Ik beschouw ze nog steeds niet minder waardevol, niet minder goed, dan voordat ik met deze cursus begon. Waar is de gemoedsrust, het geluk en de rust die de filosofie belooft? Het ideaal van de stoïcijnse wijze wordt zelfs door de stoïcijnen zelf als onhaalbaar beschouwd. Waarom zou ik dan proberen om wijs en virtuoos te worden? Als ik probeer om mijn karakter te perfectioneren, als ik ernaar streef om deugdzaam te leven, zoals de stoïcijnen dat van me vragen, wat heb ik daar dan zelf aan?' Ook één van Epictetus’ leerlingen begon na een paar maanden scholing een beetje wanhopig te worden en stelde hem de volgende vraag:

Leerling: ‘Waarom zou ik proberen virtuoos te leven? Wat win ik ermee door dat te doen?
Epictetus: Wat heb je er aan om te leren hoe je je naam moet schrijven?
Leerling: Dat ik goed kan spellen.
Epictetus: Denk je dat dat alles is? Als je de schrijfkunst beheerst kun je zelf dingen opschrijven. Als je een virtuoos mens bent dan doe je wat edel en rechtvaardig is. (Epictetus, Colleges 3.24.51)

Ook Seneca werd met dezelfde vraag geconfronteerd. Toen hem werd gevraagd waarom je er naar zou moeten streven een virtuoos en wijs mens te worden, antwoordde hij:

“Wat zal ik krijgen, vraagt u, 'als ik iets virtuoos doe?' De winst van het gedaan te hebben. Dat is je beloning, er wordt je niets anders beloofd. Beschouw het als een extraatje, als er toevallig een ander voordeel op je weg komt. De vergoeding voor virtuoos handelen ligt in de daden zelf”. (Seneca, Over Gunsten 4.1.3)

De vroege stoïcijnen waren zeer streng in hun waardering van de menselijke conditie. Zij stelden dat er eigenlijk maar twee soorten mensen bestaan: de wijzen en de dwazen. Dit is een absoluut zwart-wit onderscheid: er is geen verschil tussen een beetje de weg kwijt zijn en volkomen idioot zijn. Iedereen die dwaalt is even slecht af. Ze maakten het zelfs nog bonter, in hun ogen waren zelfs Socrates en Zeno geen wijzen. De stoïcijnen zeggen dat een echte wijze net zo zeldzaam is als een Ethiopische Phoenix, en zelfs in de oudheid waren er maar weinig mensen die geloofden dat zo’n bijzondere vuurvogel ook echt bestond. In hun ogen is iedereen, zij zelf niet in het minst, volkomen krankjorum. Alsof dat nog niet erg genoeg is vinden ze ook nog eens dat alleen een wijze echt gelukkig kan zijn. Betekent dat dat iedereen in wezen doodongelukkig is? Betekent het dat ik, hoe ik ook mijn best doe, eigenlijk gewoon geestesziek ben?

Omdat zelfs de stoïcijnen zelf dachten dat er eigenlijk geen wijze kon bestaan betekent dat dat in hun ogen iedereen een totaal gestoorde dwaas is. Dus ook van zichzelf meenden de stoïcijnen dat ze totaal geschift waren. Zelfs een vergevorderd filosoof die zijn kennis in de praktijk weet te brengen is in hun ogen in wezen nog steeds niet meer dan een bazelende beginneling. De stoïcijnen zeggen dat het geen verschil maakt of je nu verdrinkt op de bodem van een twintig meter diep meer of in een plasje water van maar een paar centimeter diep, verdrinken doe je net zo goed. Ook als je vlak onder de oppervlakte zit.Geen optimistisch beeld. Een wereld vol bazelende idioten. Toch is er hoop. Doordat ieder mens van nature het vermogen tot redelijk nadenken bezit kan hij vorderingen maken op zijn weg naar wijsheid. Iedereen ongeacht opleiding, afkomst of geslacht bezit de potentie tot zelfverbetering. Of ze van hun potentieel gebruik maken en hoe ze daar gebruik van maken bepaalt de mate waarin ze gevorderd zijn op hun tocht naar wijsheid. Het maakt dus toch verschil dat je je bewust bent van je eigen dwaasheid en probeert daar iets aan te doen. Een paar centimeter onder het wateroppervlak verdrink je nog steeds, maar je kunt je zo nu en dan wel even naar boven worstelen om een teug lucht te happen en je bent al aardig op weg om helemaal boven water te komen.

De stoïcijnse weg naar wijsheid moet uiteindelijk tot een totale transformatie leiden. Dat bijna niemand het ideaalbeeld van de wijze zal weten te verwezenlijken betekent gelukkig niet dat verbetering en vooruitgang onmogelijk zijn. Ook Seneca is zich ervan bewust dat de taak om jezelf te transformeren in een wijze een lange termijn project is. Een doel dat niet snel of gemakkelijk wordt bereikt, en dat waarschijnlijk een heel mensenleven zal kosten als het al bereikbaar is. Seneca begint zijn zesde brief aan zijn vriend Lucilius, zo:

“Ik zie in mezelf, Lucilius, niet alleen verbetering, maar zelfs een transformatie, maar ik zou nog niet durven zeggen, of zelfs hopen, dat er niets meer in mij is dat aanpassing behoeft. Natuurlijk zijn er een heleboel dingen die nog moeten worden opgebouwd of bijgesteld, of zelfs helemaal worden geëlimineerd.” (Seneca, Brieven aan Lucilius 6.1)

Ook in de oudheid wanhoopten de stoïcijnse leerlingen soms of al hun inspanningen wel tot resultaat zouden leiden. Het duurde lang, het werk was zwaar en de opbrengst was nog steeds mager. Misschien moeten we in dit vroege stadium van onze praktijk, gewoon vertrouwen hebben in de oude filosofen. Seneca zegt:

“De perfectie van wijsheid is wat het leven gelukkig maakt. Maar zelfs het begin van wijsheid maakt het leven al dragelijk”. (Seneca; Brieven aan Lucilius; 16.1)

De eerste stoïcijnen waren erg streng in de leer en verkondigden dat alleen een perfecte wijze gelukkig kon zijn. Latere stoïcijnen waren wat optimistischer over de menselijke staat dan de grondleggers van de school. Ze waren nog steeds van mening dat wijzen niet echt bestonden en dat het bereiken van de staat van wijsheid ook eigenlijk onmogelijk was. Maar in hun ogen betekende dat niet dat iedereen als even dwaas moest worden aangemerkt. Het was ook mogelijk om als stoïcijn in opleiding (‘prokopton’ in het Grieks) als niet helemaal snugger, maar ook niet helemaal gek en op weg naar een beetje meer wijsheid te worden aangemerkt. Als leerling stoïcijn bent u dus niet meer stapelgek, maar ook nog niet helemaal wijs. En een klein beetje wijsheid kan al een groot verschil maken voor uw gemoedstoestand. U zult merken dat ‘kleine’ dingen u steeds minder snel van slag brengen en dat u steeds meer kan genieten van gewone alledaagse gebeurtenissen.

U zult pas echt ‘genezen’ zijn als u wijs geworden bent en alles kunt accepteren zoals het is. Het hele wereldgebeuren, en niet slechts een deel ervan. Dit klinkt natuurlijk als iets dat bijna onmogelijk is, en geen van de vroege stoïcijnen heeft dan ook van zichzelf gezegd dat hij de staat van de absolute wijsheid en daarmee het geluk bereikt had. Maar toch was dit voor de stoïcijnen geen reden om bij de pakken neer te zitten. Vooruitgang en verbetering is gewoon mogelijk. Als negatieve emoties berusten op een gebrek aan inzicht en kennis dan is, zo stelden zij, de beste strategie om gelukkig te worden: het vergaren van kennis.

donderdag 5 januari 2023

Horror vacui of de zin van het leven

Veel mensen krijgen ergens na hun veertigste te maken met wat wel eens een ‘midlife crisis’ wordt genoemd. Misschien bent u er wel één van. U lijkt alles te hebben, een liefdevol gezin, een huis, een leuke baan en een rijk sociaal leven, maar opeens slaat het toe. Het besef van uw onvermijdelijke sterfelijkheid. De dood, uw dood, het letterlijk wegvagen van alles wat u bent is volledig onontkoombaar en was dat al vanaf het moment van uw conceptie. Niets wat u nu, in het verleden of in uw toekomst doet, deed of zou kunnen doen kan daar iets aan veranderen. Of u nu bang in een hoekje wegkruipt of dapper uw dood het hoofd biedt, het maakt geen enkel verschil.

Vanuit een dergelijk perspectief lijkt alles wat de mensheid ooit heeft ondernomen futiel en onbelangrijk. Tegenover de eeuwigheid is een mensenleven niet meer dan een korte flits. We worden al door de dood weggerukt voor we weten wie of wat we zijn. Hoe kan ook maar iets van wat we doen betekenis hebben zodra we voor de rest van de eeuwigheid in het volkomen niets verdwenen zijn. En wat kan ons leven voor anderen betekenen als ook zij een oogwenk later voor eeuwig in dat niets verdwijnen.

Het besef van uw sterfelijkheid roept de dringende vraag op wat de zin van uw leven is. In het aangezicht van de dood verlangt u wanhopig naar enige vorm van zingeving. De gedachte dat uw leven misschien totaal zinloos is en beschouwd vanuit een ruimer perspectief mogelijk zelfs bijna non-existent, lijkt afschuwelijk. Toch zult u onder ogen moeten zien dat het niet onwaarschijnlijk is dat het leven geen enkele zin heeft. Alles is misschien toevallig, incidenteel, willekeurig en zinloos. De zinloosheid van alles is nu eenmaal een reële mogelijkheid. Dit gevoel confronteert u met een welhaast onvermijdelijke existentiële angst een horror vacui.

Als de leegte onze bestemming is dan worden al onze waarden en al onze handelingen slechts een voorwendsel om ons nietige menselijke spel voort te zetten. We kunnen niet accepteren dat het eeuwige niets ons voorland is en zijn druk bezig met onze nietige bezigheden. We creëren instellingen als staten, maatschappijen en religies waarvan we denken dat ze belangrijk zijn. Maar uiteindelijk zijn ze niets anders dan hulpmiddelen om de eindeloze zwarte nacht buiten te sluiten. We zijn biologisch geprogrammeerd om de soort voort te zetten en door te gaan met leven en dus eten en drinken we, paren we en proberen we aan gevaren te ontsnappen. Maar de gedachte dat dit iets te betekenen zou hebben is een jammerlijk brokje zelfbedrog.

Voor iemand die zo denkt wordt de zoektocht naar zingeving in zijn of haar leven de enige menselijke bezigheid die nog zin zou kunnen hebben. Als u zich daaraan wilt wagen zult u moeten onderzoeken of er wel zoiets als een zin van het leven kan bestaan. En als dat al zo is, zult u moeten bekijken of wij mensen beschikken over het instrumentarium om die zin te achterhalen. En pas als u ook daar bevestigend op kunt antwoorden komt de hamvraag aan bod: hoe pak je zoiets aan en wat is die zin dan?

De enige kans die u hebt om antwoorden te vinden ligt in de bestudering van de filosofie. Alleen de filosofie heeft serieuze pogingen ondernomen om een blik over de rand van de afgrond te werpen. Wilt u oprecht een zoektocht naar de zin van het leven aangaan, dan zult u het moeten wagen een blik in de donkere kloof te werpen en het risico willen nemen dat die kloof terugkijkt. Zoals we in de vorige blogs al zagen durft Kant dat aan. Hij leerde dat ruimte en tijd onlosmakelijk met de ervaring en de mogelijkheid van die ervaring verbonden zijn. Hieruit volgt dat de metafysische dingen op zichzelf los van de waarneming (het ‘Ding an sich’ zoals Kant het noemde) zich niet in de tijd en ruimte kunnen bevinden. Zonder ervaring kan er geen empirische wereld bestaan. Als alle bewuste wezens zouden verdwijnen zou ook de empirische wereld ophouden te bestaan. Dat betekent niet dat de wereld zelf zou verdwijnen. Het zou betekenen dat de wereld zoals wij die in ruimte en tijd ervaren er niet langer zou zijn. Wat die metafysische wereld los van ons zintuiglijk apparaat zou kunnen zijn blijft voor ons een raadsel.

De kernvraag wordt nu: wat kan de aard van materie, ruimte, tijd en causale relaties zijn als ze alleen opgaan voor de empirische wereld van bewuste wezens? Is het werkelijk zo dat ze niets anders zijn dan kenmerken of voorwaarden voor de ervaring en niets anders? Kunnen we werkelijk aannemen dat er buiten het domein van ruimte en tijd een tijdloze zelfstandige vorm van ‘zijn’ bestaat die zich niet als stoffelijk object manifesteert? Zoals we in de vorige blog zagen bevinden onze lichamen zich volgens Kant in het empirische domein, maar komen onze wilsbesluiten voort uit het metafysische domein. Dat zou betekenen dat we op z’n minst een heel klein beetje deel uitmaken van dat metafysische domein. Een domein waar de zin van ons leven zou kunnen liggen. Zou dit een uitweg kunnen vormen voor het ‘horror vacui’?

Ik weet het niet. Het is echter wel opmerkelijk dat ook de moderne fysica zich in de door Kant aangegeven richting lijkt te bewegen. Zo blijkt het beeld dat ons gezond verstand ons voorschotelt van materie in de verste verte niet op wat de realiteit blijkt te zijn. Alsof het idee van een atoom als een minuscule kern met daar op grote afstand omheen draaiende elektronen al niet gek genoeg is, blijkt uit het dubbele spleet experiment dat materiedeeltjes zich afhankelijk van de vraag of we ‘kijken’ nu eens als een klein bolletjes en dan weer als een golf gedragen. Maar de absurditeit gaat nog verder ons intuïtieve besef van ruimte en tijd als iets dat oneindig doorloopt blijkt sinds Einstein op losse schroeven te staan. De ruimte is gekromd en de tijd is afhankelijk van de snelheid waarmee je beweegt. Sterker nog ruimte en tijd zijn niet twee afzonderlijke dingen maar zoiets als een vierdimensionaal ruimtetijdcontinuüm. Ook de heilige causaliteit is niet wat hij lijkt. De quantumverstrengeling verbindt ruimtelijk gescheiden deeltjes zonder een aantoonbare causale relatie. Volgens Kant zijn materie, ruimte, tijd en causaliteit eigenschappen van ons waarnemingsvermogen, van onze ervaring en niet van de werkelijkheid. De moderne wetenschap lijkt hem gelijk te geven. Betekent dit dat de conclusies die hij hieruit trekt kloppen? De door Kant gevolgde redeneringen zijn diepzinnig en vlekkeloos, maar een geldige redenering is niet hetzelfde als een ware redenering. Hij heeft de problemen van onze ervaring scherper dan wie dan ook weten te analyseren, maar gaat hij bij zijn gevolgtrekkingen uit van ware vooronderstellingen? De wetenschap lijkt er naar te neigen om hem gelijk te geven.

dinsdag 3 januari 2023

Determinisme of vrije wil

 De wereld van onze ervaringen, de empirische wereld, is niet chaotisch maar geordend. Elke gebeurtenis die er in plaatsvindt is het causale gevolg van andere gebeurtenissen die eraan vooraf gingen. Deze onderlinge verhoudingen zijn voorspelbaar, ze volgen natuurwetten en kunnen meestal in wiskundige vergelijkingen worden uitgedrukt. Op welke manier we het universum ook onderzoeken overal merken we dat alles geordend is volgens bepaalde regels en structuren. Zelfs voor we iets nieuws onderzoeken weten we eigenlijk al dat we één of andere structuur zullen aantreffen. Het universum is gestructureerd en regelmatig. Dit levert echter een groot probleem op met enorme implicaties voor ons als mensen.

Als het universum gestructureerd is en alle objecten in het universum in ruimte en tijd onderling causaal met elkaar verbonden zijn en door bepaalde natuurwetten worden beheerst dan zijn ook wij mensen als net zulke stoffelijke objecten aan dit proces onderworpen. Dit zou betekenen dat wij geen vrijheid van handelen hebben. Alles en dus ook wij zouden dan gedetermineerd worden door vaste causale natuurwetten. Zoiets als de vrije wil zou dan niet meer bestaan. Dat is zacht gezegd wel een probleem. Wie wil er nou achter komen dat hij eigenlijk een soort van biologische robot is?

Kant dacht hier een antwoord op gevonden te hebben. Een nogal verrassend antwoord. Hij denkt de vrije wil terug te vinden in het menselijke morele besef. Zijn redenering gaat zo ongeveer als volgt. Het is onloochenbaar dat alle mensen er bepaalde morele voorstellingen op na houden. Wat uw persoonlijke of cultureel bepaalde regels van goed en kwaad ook zijn, u heeft ze. Ook kan niet ontkend worden dat de meeste mensen zich zo nu en dan aan die regels onttrekken. Dit wil zelfs nog wel eens tot innerlijke conflicten aanleiding geven. Als het menselijk gedrag gedetermineerd zou zijn en we geen enkele vrijheid hadden om onze handelswijze aan te passen dan zouden al onze morele voorstellingen volstrekt zinloos zijn. Niet dat Kant dit argument gebruikte, Darwin moest in zijn tijd nog geboren worden, maar de evolutie zou er al snel voor gezorgd hebben dat zoiets zinloos als morele voorstellingen zou zijn verdwenen. Als we niets anders kunnen dan ons volgens bepaalde regels gedragen dan worden dingen als moreel besef en schuldgevoel iets overbodigs en zelfs iets nadeligs, en de evolutie heeft de neiging overbodige zaken te elimineren. Als ik geen enkele keus heb dan is de bewering dat ik iets behoor te doen volstrekt zinloos. Het feit dat wij over morele begrippen als eerlijkheid, rechtvaardigheid, goed en kwaad beschikken betekent dat wij soms echt voor een keuze staan, wat betekent dat we soms anders zouden kunnen handelen dan we doen. Dit betekent ook dat onze stoffelijke lichamen in ruimte en tijd soms vrijelijke bewegingen maken in overeenstemming met onze wil. ‘Vrijelijk’ betekent in dit verband dat ze niet uitsluitend door de natuurwetten worden bepaald.

Als dit klopt en we echt over een vrije wil beschikken dan ontstaat er onmiddellijk weer een nieuw probleem. Eerder hadden we geconstateerd dat alles wat in de empirische wereld van onze ervaringen plaatsvindt aan causale natuurwetten onderhevig is. Maar als mensen een vrije wil hebben dan kunnen de door die wil bepaalde keuzes niet in de empirische ervaringswereld plaatsvinden. Dit betekent dat het deel van ons wezen dat kiest en beslist en de aanzet geeft tot lichamelijke bewegingen geen deel kan uitmaken van de empirische wereld.

Zodra de aanzet tot een fysieke beweging in de empirische wereld is gegeven, zullen de gevolgen daarvan zich onvermijdelijk in overeenstemming met de natuurwetten voltrekken. Als ik een biljartbal een stoot geef dan zal die bal zich volgens de natuurwetten over het biljartlaken verplaatsen. Daar heb ik geen enkele invloed op, maar de keuze of ik wel of niet een stoot geef ligt wel volledig binnen mijn macht. De hier gevolgde redenering houdt in dat niet alles van een mens zich in de empirische wereld van mogelijke ervaringen bevindt. Het gedeelte dat de vrije keuze inhoudt bevindt zich buiten die wereld. Een deel van de menselijke werkelijkheid bevindt zich dus niet in de empirische wereld. We hebben zelfs een vage voorstelling van wat voor dingen dat dan zouden kunnen zijn. Het gaat om beslissingen en keuzes, kortom wat over het algemeen wilsuitingen worden genoemd. Volgens Kant bewijst dit dat er een transcendentaal domein bestaat als onderdeel van de totale werkelijkheid dat geen deel uitmaakt van de empirische werkelijkheid. Wat dat domein ook moge zijn, ons instrumentarium maakt het ons onmogelijk om de objecten van dat domein te kennen anders dan door onze wilsuitingen. Hoewel we weten dat er een gedeelte van de totale werkelijkheid is dat niet door de empirische wereld wordt omvat, betekent het feit dat het niet in de empirische wereld voorkomt dat we altijd en eeuwig onmogelijk rechtstreekse kennis van de inhoud ervan kunnen krijgen. Dit is een inherent aspect van ons mens zijn. Zolang we mensen zijn zal hier niets aan veranderen. Toch hebben wij via onze wilsbesluiten op de één of andere manier toegang tot het transcendentale domein dat achter de door ons ervaren wereld ligt.



maandag 2 januari 2023

Nog dieper het konijnenhol in

 In de vorige blog hebben we vastgesteld dat onze ervaring van de werkelijkheid op zijn best vergeleken kan worden met een schaalmodel van die werkelijkheid. Maar welke rechtvaardiging hebben we om te geloven dat er buiten onze ervaring echt zo’n metafysische werkelijkheid bestaat? Ruimte en tijd bestaan alleen voor zover er ruimtelijke en temporele betrekkingen bestaan. Zoals we zagen zijn het vormen van ons waarnemingsvermogen. Ze zijn een onderdeel van ons instrumentarium om ervaringen te hebben. Onze ervaring bestaat niet onafhankelijk van deze entiteiten, maar dat betekent omgekeerd ook dat ruimte en tijd niet onafhankelijk van onze ervaring kunnen bestaan. Het zijn kaders waarbinnen het onverwerkte ruwe materiaal van onze ervaring tot een voor ons geordende en samenhangende wereld wordt gemaakt. Onafhankelijk van dat proces hebben ze geen bestaan.

De objecten van onze kennis zijn representaties van een metafysische werkelijkheid die uitsluitend kunnen worden uitgedrukt in het instrumentarium van onze zintuigen en begrippen. En omdat deze objecten van onze kennis volledig afhankelijk zijn van het van ons als subject afhankelijke instrumentarium zou elk onafhankelijk metafysisch bestaan dat ze hebben geheel en al niet in zulke termen gesteld mogen worden. Wat betekent dat we ons onmogelijk een voorstelling van van dit metafysische object kunnen maken.

U zult nu ongetwijfeld tegenwerpen dat het helemaal niet zeker is dat zaken als ruimte, tijd en causaliteit niet ook eigenschappen van metafysische objecten zouden kunnen zijn. Dat zou mooi zijn, het zou ons weer wat houvast kunnen geven. Maar helaas de moderne fysica gooit hier roet in het eten. Het golf/deeltje karakter van materie, entanglement, superpositie, de gekromde ruimtetijd, een snelheidsafhankelijke klok en wat al niet meer, maken duidelijk dat de werkelijkheid zelfs niet in de buurt komt van wat ons gezond verstand ons ingeeft. Kant had het bij het rechte eind, ruimte, tijd en causaliteit bestaan in de metafysische werkelijkheid helemaal niet of zien er op z’n minst heel anders uit dan de vorm waarin we ze beleven. De werkelijkheid is echt totaal anders dan onze ervaring daarvan.

Onze intuïtie en gezonde verstand heeft ons altijd verteld dat stoffelijke objecten een onafhankelijk bestaan hadden in een eveneens onafhankelijk bestaande ruimte en tijd. Kant heeft ons geleerd dat we in plaats van aan te nemen dat kennis overeen moet komen met de objecten we moeten denken aan objecten die overeenstemmen met onze kennis. De hierboven beschreven onmogelijkheden en tegenstrijdigheden van het empirisme en rationalisme verdwijnen dan als sneeuw voor de zon. Alle stukjes vallen op hun plaats ondanks dat het zal blijven indruisen tegen onze intuïtie.

Kennis begint als iets dat feitelijk wordt beleefd en ervaren door het subject dat iets ervaart. Het begint onherroepelijk als een ervaring in een subject. Er blijft ons dus geen enkele andere keuze dan te beginnen op het punt waar we zijn. We beginnen met een ervaring en zoeken daar dan vervolgens een verklaring voor. We kunnen de werkelijkheid alleen ervaren door middel van het mentale, zintuiglijke en overige instrumentarium waarover we beschikken, en in de termen van de vormen, modaliteiten en categorieën die ons door dat instrumentarium worden doorgegeven kennen. Daaruit volgt dat wat we ervaren ons uitsluitend in zulke termen kan bereiken.

Je zou het kunnen vergelijken met een foto. Op een foto kun je een situatie alleen afbeelden voor zover het fototoestel daartoe in staat is. Een foto van uw gezicht geeft een aardige indruk van uw uiterlijk, maar u bent natuurlijk niet een plat stukje glimmend papier met een randje er om heen. Toch is dat het enige beeld dat een fototoestel u kan geven. Een fototoestel zal u onmogelijk een andere weergave van uw persoon kunnen bieden. Er zijn echter ontelbaar veel andere mogelijkheden waarop u als persoon weergegeven zou kunnen worden. Hetzelfde geldt voor de ervaring die u van de werkelijkheid hebt. Uw zintuigen en zenuwstelsel geven de werkelijkheid weer in termen die door hun eigen karakter worden bepaald. De ervaring die u dat oplevert wordt beperkt door de mogelijkheden van uw instrumentarium en geeft geen ‘werkelijk’ beeld van de realiteit.

Alles wat wij ervaren moet noodzakelijkerwijs overgeleverd worden door een instrumentarium dat zelf niet het object van ervaring kan zijn en het moet de vormen aannemen die door de aard van dat instrumentarium worden bepaald. Wat betekent dat de weergave die we ervaren categorisch van de werkelijke objecten verschilt. Net als het voorbeeld met de foto kan ervaring dus nooit de onafhankelijke werkelijkheid zijn! Maar let wel dat betekent dus niet dat die werkelijkheid niet bestaat.