maandag 17 augustus 2020

VERLANGENS CONTROLEREN

 

‘Stoïcijnen dat zijn toch die saaie grijze muizen die de hele dag bezig zijn hun emoties en verlangens te onderdrukken? Kijk maar naar wat Marcus Aurelius er over schrijft in zijn dagboeken:

Je moet er een gewoonte van maken om bij het zien van een mooi opgemaakte visschotel of andere lekkere dingen te denken: ‘Dit is een dode vis, dit is het kadaver van een kip en dit van een speenvarken. Falernische wijn is niets anders dan gegist druivensap en je purperen keizerstoga is niets anders dan haar van een schaap geverfd met het bloed van een weekdier. En seks dat is niets meer dan het langs elkaar heen wrijven van lichaamsdelen en het in een kramp uitscheiden van wat slijm. Dat soort gedachten raken de kern van de zaak en vertellen je precies wat iets werkelijk is. Dit moet je altijd en overal doen als je iets tegenkomt wat je begeerte opwekt. Doorzie wat het in werkelijkheid is en laat je niet verblinden door schone schijn. Het lijkt allemaal geweldig en ontzettend belangrijk, maar in werkelijkheid heeft het geen enkele echte  waarde. (Marcus Aurelius; Dagboeken; boek 6, hoofdstuk 13)

Zie je wel jullie keizer zegt het zelf, stoïcijnen vermoorden het plezier in het leven. Alles wat leuk en prettig is moet met naargeestige gedachtes om zeep worden geholpen’.

Als u denkt dat Marcus dat bedoelt dan heeft u hem totaal verkeerd begrepen. Dat is zeker niet zijn intentie. Stoïcijnen willen uw plezier in een heerlijke zalmschotel met een glaasje wijn niet bederven, en het zijn ook geen monniken die u uw erotische genoegens willen ontzeggen. Hij noemt lekker eten, Falernische wijn en seks juist omdat hij er zelf ontzettend gek op was. Falernische wijn was destijds trouwens de duurste en meest exquise wijn die te koop was en daarmee waarschijnlijk de dagelijkse tafelwijn van onze keizer. Ook van seks was Marcus niet vies. Het schijnt dat zijn tent tijdens de langdurige veldtochten die hij moest voeren om de rijksgrenzen te beschermen regelmatig bezoek van aantrekkelijke concubines ontving.

Nee de stoïcijnen willen u niets ontzeggen, wat ze wel willen is dat u zich realiseert dat al die genietingen ethisch neutraal zijn. U mag ze best met mate najagen, maar moet zich er van bewust zijn dat ze voor een gelukkig en virtuoos leven niet werkelijk van belang zijn. Ze zijn neutraal, leuk en de moeite waard om na te streven, maar niet echt belangrijk. Waarschijnlijk noemt Marcus lekker eten en drinken en seks juist omdat hij van zichzelf weet dat hij er eigenlijk een beetje te verzot op is. Verlangens naar allerlei genietingen zijn prima, maar het mogen geen obsessies worden. Als uw verlangens een te grote rol in uw leven gaan spelen en misschien zelfs uw leven gaan beheersen dan veranderen volstrekt normale neigingen in vervelende passies. Passies die uw leven er niet beter op maken, maar juist verstieren. Dat laat een beetje stoïcijn zich natuurlijk niet gebeuren. In het geciteerde stukje herinnert Marcus zichzelf dan ook aan een stoïcijnse techniek om met ontspoorde verlangens om te gaan.

Bij deze techniek is het de bedoeling dat u zichzelf aan een ‘reality check’ onderwerpt. Wat is het nu echt waar u zo enorm naar verlangt? Ontleed het onderwerp van uw verlangen tot op het bot, tot waar het echt om draait. Is het nu nog steeds zo begerenswaardig? We hechten vaak veel waarde aan dingen die objectief bekeken helemaal niet zo bijzonder zijn en misschien zelfs walgelijk. Denk bijvoorbeeld aan de uit weekdieren gemaakte purperen kleurstof uit het citaat. Wat we van iets vinden staat vaak ver af van wat het werkelijk is. Zeker als het gaat om iets waar we gevoelens bij hebben. Veel van onze waardeoordelen zijn het gevolg van onbewust ingesleten gedachtenketens. U loopt langs een mooi meisje of een mooie jongen. U schrikt op en er gaat onmiddellijk een oude ingesleten gedachtenketen bij u van start. Uw reptielenbrein vertelt u: ‘Wat een stuk, daar wil ik wel mee naar bed!’ Uw seksuele verlangens worden gewekt op een moment en een plek waar u daar waarschijnlijk helemaal niets mee kunt. Die aantrekkelijke dame of heer heeft u uw gemoedsrust doen verliezen. Maar is het wel die schoonheid die u van uw stuk heeft gebracht?

Iedere indruk uit de buitenwereld wordt automatisch van een emotioneel oordeel voorzien. Dit oordeel noemden de stoïcijnen een pre-emotie. Om die pre-emotie kan niemand heen, maar het moment van de instemming met die pre-emotie is cruciaal voor de vraag of u bij de feiten kunt blijven of dat u uw emoties met u op de loop laat gaan. Met het geven van een waardeoordeel verlaat u de feitelijke situatie. U plakt een etiket op de externe wereld. Een etiket dat echter niets over die wereld zegt. Het zegt alleen iets over u en uw karakter. Het vertelt wat u van de werkelijkheid vindt, niet wat die echt is. Een stoïcijn probeert met een objectieve onpartijdige blik naar de werkelijkheid te kijken. Hij probeert zijn waardeoordeel even uit te stellen om de gelegenheid te krijgen om eerst eens goed naar de situatie te kijken. Het is dan ook goed om bij alles wat uw gemoedsrust lijkt te gaan verstoren, eerst even tot tien te tellen en een ‘reality check’ uit te voeren.

 

dinsdag 11 augustus 2020

EEN STOÏCIJNS VIERSTAPPENPLAN TEGEN ANGST

 

Angst is misschien wel de vervelendste van alle negatieve emoties of passies zoals de stoïcijnen ze noemen. Het maakt dat je je rot voelt en zorgt er voor dat je niet meer goed kunt nadenken. Alles zie je negatief en door een donkere bril. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de stoïcijnen een heel arsenaal aan technieken tegen allerlei gradaties van bangheid hebben ontwikkeld. Technieken die zo succesvol bleken te zijn dat u ze tegenwoordig kunt terugvinden bij de mindfulness en cognitieve gedragstherapie. Wetenschappelijk onderzoek toont tegenwoordig aan dat de oude stoïcijnse methoden prima werken bij het tegengaan van zorgen en andere negatieve gedachten.

Angstgevoelens hebben betrekking op iets wat zich of in het heden, of in de toekomst of in zowel het heden als in de toekomst afspeelt. De stoïcijnen wijzen er op dat veel van onze angsten het gevolg zijn van onzorgvuldig denkwerk. Zeker als het om de dingen gaat waar we ons zorgen over maken hebben wij mensen de neiging om niet al te kritisch te zijn. We gaan maar al te makkelijk en snel uit van het slechtste scenario. En dat is uit evolutionair oogpunt helemaal niet zo verwonderlijk. De voorouders die onbezorgd en flierefluitend door het leven gingen liepen een aanzienlijke kans om in de maag van de lokale sabeltandtijger te eindigen. Zorgelijkheid en bangigheid geeft een evolutionair voordeel en is dus ingebakken geraakt in de menselijke aard. We zijn daardoor gek op slecht nieuws, hoe sensationeler en onwaarschijnlijker hoe beter.

Het is dan ook niet zo raar dat mensen verontrustend nieuws en zorgelijke gedachten doorgaans niet al te kritisch tegen het licht houden. Als we dat wel zouden doen zouden we er achter komen dat we helemaal niet zoveel weten over de toekomst. Al die vermeende aanwijzingen dat ons iets verschrikkelijks staat te wachten zijn bij nadere beschouwing heel wat minder realistisch dan we in eerste instantie dachten. Het is dus maar zeer de vraag of uw op de toekomst betrekking hebbende angsten wel reëel zijn. Het loont de moeite om voordat u zich weer eens overgeeft aan uw zorgen eerst even goed te kijken of u ook echt goede gronden hebt om bang te zijn. Als u eerlijk bent zult u moeten concluderen dat u regelmatig maar heel weinig gegronde redenen hebt om u ergens zorgen over te maken. Natuurlijk dingen gaan fout, maar nu u toch bezig bent eerlijk te zijn zult u moeten toegeven dat de werkelijkheid dikwijls beter uitpakt dan u verwacht had.

Deze rationele eerlijkheid betekent natuurlijk niet meteen dat u geen enkele reden tot ongerustheid meer hebt. Toch is het wel zo dat u zich op het moment dat u zich ongerust voelt doorgaans nog in redelijk comfortabele omstandigheden bevindt. U bent misschien wel bang om met Corona besmet te raken, maar op dit moment voelt u zich nog niet ziek. Of u bent bang om uw baan te verliezen, maar nu hebt u nog steeds werk. Of uw negatieve toekomstverwachtingen nu reëel zijn of niet in het heden hebt u waarschijnlijk geen reden om u rot te voelen. Op dit moment bent u gezond, hebt u geen pijn en wordt u geen onrecht aangedaan. Eigenlijk is er dus niets mis. Stoïcijnen raden u dan ook aan om zo veel mogelijk in het hier en nu te leven. Het heden is het enige moment in de enorme uitgestrektheid van de tijd waarin u werkelijk bestaat. Zonde van uw tijd om dat moment te verspillen aan allerlei angstgevoelens.

Om het makkelijker te maken hun angsten het hoofd te bieden ontwikkelden de stoïcijnen een stappenplan. Ze raden u aan om uw angstgevoelens in vier stappen aan te pakken.

Stap 1 Laat uw zorgen even voor wat ze zijn en richt u op het heden.

Stap 2 Bedenk hoe reëel uw zorgen werkelijk zijn.

Stap 3 Stel een plan de campagne op en kom in actie.

Stap 4 Stel de vraag wat uw angst u nu eigenlijk oplevert.

Bij de eerste stap moet u dus proberen te aarden, zoals dat tegenwoordig wordt gezegd. U moet zich bewust worden van het hier en nu. Daarvoor kunt u bijvoorbeeld de stoïcijnse ademmeditatie (pneuma meditatie) gebruiken, u richten op een voorwerp in de omgeving, op de geluiden die u hoort of één van de door de mindfulness aanbevolen technieken. Ook kunt u proberen uw angstgevoelens even uit te stellen tot een daar speciaal voor in het leven geroepen moment: het zorgenuurtje. Als u zichzelf met één van deze technieken terug hebt gebracht in het hier en nu bedenk dan of er op dit moment al iets mis is. Meestal is dat niet het geval, maar als u op dit moment al wel ziek bent, pijn hebt of op een andere manier wordt belemmerd kunt u gebruik maken van uw stoïcijnse beginselen en de daar aan verbonden technieken om met de vervelende situatie om te gaan. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de ‘premeditatio malorum’, de tegengiftechniek of de verdeel en heers methode. Als er in het heden niets vervelends aan de hand is, wordt het tijd voor de volgende stap.

Bij stap twee gaat u uw angsten concreet maken. Veel angstgevoelens zijn diffuus en niet helemaal duidelijk. Kijk daarom naar wat het echt is waar u bang voor bent. Maak het zo concreet en helder als u maar kunt. U bent bijvoorbeeld bang om ontslagen te worden en door geldgebrek uit uw huis gezet te worden, of u bent bang dat bij een bloedonderzoek een akelige ziekte bij u wordt geconstateerd. U hebt een heldere en duidelijk omschreven angst nodig om beter te kunnen onderzoeken of die angst terecht is of niet. Onderzoek of er serieuze aanwijzingen zijn dat uw negatieve toekomstverwachtingen ook echt zullen uitkomen. Wees daarbij zo eerlijk mogelijk en zoek ook naar aanwijzingen en bewijzen dat uw verwachtingen niet zullen uitkomen. Kijk naar uw ervaringen in vergelijkbare situaties. Ging het toen fout of viel het achteraf toch nog mee? De kans is groot dat u er zo achter komt dat uw angsten minder realistisch zijn dan u denkt.

Bij de derde stap gaat u vervolgens op zoek naar alternatieve uitkomsten van uw negatieve toekomstverwachtingen. U zoekt naar oplossingen en gedragsstrategieën om een meer gewenste uitkomst mogelijk te maken. Stel een ‘plan de campagne’ op en neem u voor om in actie te komen. Een actieplan biedt natuurlijk geen enkele garantie voor een gunstige uitkomst, maar alleen al het besef dat u een plan achter de hand hebt kan u helpen uw zorgen het hoofd te bieden. Stoïcijnen zijn nu eenmaal actief en niet passief. Ook als uw angst geen duidelijke handelingen mogelijk lijkt te maken, kunt u toch nog in actie komen. U kunt bij uzelf nagaan over welke eigenschappen u beschikt of zou moeten beschikken om de situatie te accepteren en op een waardige manier te doorstaan wat doorstaan moet worden.

Bedenk bij de vierde stap tenslotte bij uzelf wat het u oplevert om nu bang te zijn. Angst is een emotie die bedoeld is om u tot actie op te roepen. Als dat éénmaal bij stap drie gelukt is vervalt daarmee de reden om bang te zijn. U kunt uw angst bedanken en een begin maken met de uitvoering van uw actieplan. Mochten de zorgelijke gevoelens toch nog de kop op steken dan kunt u zichzelf verwijzen naar uw actieplan, of uw zorgen even uitstellen tot uw zorgenuurtje. Tijdens dit uurtje kunt u zo nodig uw problemen nog eens opnieuw doordenken en uw plan van aanpak aanpassen. Los van de vraag wat er uiteindelijk echt gaat gebeuren en wat u uiteindelijk gaat doen leveren uw angstgevoelens u waarschijnlijk helemaal niets op. U kunt uw zorgen beter laten voor wat ze zijn en overgaan tot de orde van de dag.

 

woensdag 5 augustus 2020

GELOOF DE OUDE STOÏCIJNEN NIET OP HUN BLAUWE OGEN

We leven in vreemde en verwarrende tijden. Tijden die veel van u en uw medemensen vragen. De drukte en stress van het moderne bestaan maakt dat veel mensen op zoek zijn naar bruikbare regels voor een prettiger en beter leven. De mensheid heeft nog nooit zoveel kennis gehad, toch is ons zicht op wat nodig is voor een goed en gelukkig leven gebrekkig. Op zoek naar bruikbare levenslessen grijpen we steeds meer terug op antieke wijsheid. Boeddha, Confucius, Lao-zi, Socrates, Augustinus en ook de oude stoïcijnen. Het stoïcisme is weer hot. Moderne boeken over de stoïcijnen gaan tegenwoordig als warme broodjes over de toonbank. Zo proberen we de uitdagingen die het moderne leven ons stelt het hoofd te bieden met ideeën uit oude teksten. Het is natuurlijk prachtig om in de geest te kunnen kijken van oude filosofen, of om te kunnen leren van de ervaringen van een Romeinse keizer als Marcus Aurelius. Hun woorden voelen, zelfs in de zoveelste moderne vertaling, waardevol. Ze lijken een diepe kwaliteit te bezitten. Zoals goede wijn of gerijpte kaas.

Eigenlijk is dit vreemd, want al hebben die antieke denkers ons best zinnige zaken te vertellen, al zijn hun introspectieve vermogens ontegenzeggelijk groot en al is het altijd een goed idee de geschiedenis van het denken te bestuderen, toch is het wonderlijk dat we fundamenteel richtinggevende suggesties aannemen van mannen, het zijn bijna nooit vrouwen, die leefden in volstrekt onvergelijkbare tijden, culturen en maatschappelijke verhoudingen. Van mannen die, als het gaat om de fundering van hun mens en wereldbeeld, een kennisniveau hadden dat slechts een fractie is van de kennis die vandaag de dag een middelbare scholier heeft. Evolutietheorie? Astronomie? Relativiteitstheorie? Kwantumfysica? Elektronica? Psychologie? Genetica? Neurologie? Die oude denkers hadden werkelijk geen idee waar dat allemaal over ging. Hun wereldbeeld was zeer onvolkomen en ook hun mensbeeld was alles behalve perfect.

Net als ik hebt u misschien toch de neiging om alles wat die oude stoïcijnse filosofen beweren voor zoete koek aan te nemen. Dat is niet verstandig en eigenlijk ook in strijd met het stoïcisme zelf. Sinds de oudheid heeft noch de wetenschap, noch de filosofie stilgezeten. Er zijn heel veel nieuwe inzichten die de moeite waard zijn om in de moderne stoïcijnse levenskunst opgenomen te worden. En dat moet ook. Stoïcisme is immers een levende filosofie die zelf de mogelijkheid van rationele aanpassingen en veranderingen open laat. Ook in de Oudheid was het al geen starre maar juist een heel bewegelijke traditie. Er is zelfs een oud stoïcijns gezegde over Zeno, de oprichter van de stoïcijnse school, dat zegt: ‘Zeno is onze vriend, maar de waarheid is een grotere vriend’.

In onze zoektocht naar wijsheid kunnen we dan ook niet domweg blijven leunen op de levenslessen van dode filosofen. Het stoïcisme verlangt dan ook van u dat u oude stoïcijnse ideeën kritisch toetst en dat u op eigen kracht probeert nieuwe, moderne wijsheden te formuleren. Moderne kennis en ervaring zouden daar dan dus de basis van moeten zijn.

Waarom zijn we dan toch nog zo gecharmeerd van die oude wijsgeren? Hoe kan het dat we zo veel waarde hechten aan hun inzichten bij onze pogingen om invulling te geven aan ons moderne leven? Hiervoor zijn vele redenen aan te wijzen. In de eerste plaats omdat die oude stoïcijnen de menselijke conditie op een aantal punten gewoon goed door hadden. Maar ook omdat we in onze nog maar zo kort geleden geseculariseerde samenleving op zoek zijn naar alternatieven voor predikant, preekstoel en Bijbel. Maar er speelt meer dan goede ideeën en religieuze verweesdheid. Dat we zo openstaan voor oude wijsheden heeft ook te maken met een aantal al te menselijke denkfouten. Denkfouten die u zoveel mogelijk zou moeten proberen te vermijden.

Allereerst natuurlijk de diepgevoelde romantische drogreden ‘argumentum ad antiquitatem’. Dit ‘beroep op de traditie’ stelt dat we oude wijsheden voor zoete koek moeten aannemen. Wat de oude filosofen beweren is per definitie goed. Ongeacht de vraag of ze inhoudelijk nog up to date zijn. Deze denkfout kan tot rare conclusies leiden. Zo was Zeno, de Griekse grondlegger van de stoïcijnse filosofie, er bijvoorbeeld van overtuigd dat de mens wordt geboren als een ‘tabula rasa’, een onbeschreven blad. Hij dacht destijds dat ieder mens volledig kneedbaar was en tot alles gevormd kon worden We weten inmiddels dat dit onzin is: uw persoonlijkheid en talent liggen voor een belangrijk deel al vast bij uw geboorte. Maar Zeno kon dat nog niet weten. En al zijn Zeno’s adviezen dan ruim tweeduizend jaar oud, ze worden daar niet kloppend van, zeker niet als ze gebaseerd zijn op onjuiste ideeën over hoe mens en samenleving in elkaar steken. U moet de oude filosofen dus altijd met een korreltje zout nemen en hun adviezen kritisch tegen het licht houden.

Dat betekent niet dat de oude teksten hun waarde verloren hebben. Er staat genoeg in dat zeer de moeite waard is. Maar niet alles wat de stoïcijnen schrijven is even waar. Sommige dingen zijn zelfs ronduit verwerpelijk. Zo stond de lhbt-gemeenschap in de Romeinse tijd niet al te hoog aangeschreven. De oudere Griekse stoa was op dat punt trouwens een stuk moderner dan de latere Romeinen. Dat neemt niet weg dat u, als de door ons zo bewonderde stoïcijnse keizer Marcus Aurelius trots schrijft dat hij toch maar mooi paal en perk heeft weten te stellen aan de homoseksuele activiteiten van Romeinse jongelingen, waarschijnlijk de neiging hebt om daar snel overheen te lezen. Een prachtig voorbeeld van wat de ‘confirmation bias’ wordt genoemd. De denkfout waarbij u bij de oude wijsgeren gezaghebbende formuleringen zoekt en ook vindt die passen bij inzichten die u al had. Pure zelfbevestiging waar u eigenlijk niet zo heel veel mee opschiet.

Een andere denkfout die samenhangt met onze waardering van oude wijsheden is de ‘human nature bias’. Dit is het populaire idee dat er zoiets als een ‘onveranderlijke menselijke natuur’ bestaat. Wie de leefregels van Boeddha, van de cynici of de stoïcijnen op zichzelf van toepassing acht, gaat er stilzwijgend vanuit dat de mens de afgelopen eeuwen niet echt veranderd is. En dat de psyche van de Nepalezen, Grieken en Romeinen die ruim tweeduizend jaar geleden leefden, gelijk is aan de psyche van een moderne mens. Dat is tot op zekere hoogte natuurlijk waar, want ja, mensen waren destijds biologisch niet anders dan tegenwoordig en hadden toen ook te maken met liefde, macht, tegenslag en dood. Maar de maatschappij en de manier van leven van de moderne mens is volstrekt onvergelijkbaar. Onze ideeën over de wereld zijn totaal anders. We leven anders, denken anders, voelen ons anders.

Dit alles maakt de oude stoïcijnse filosofen niet minder waardevol, maar u moet wel zien te voorkomen dat u zich kritiekloos door de klassieken laat meeslepen. Wijsheid zou dan een grabbelton worden waaruit je onmogelijk een samenhangend, betekenisvol verhaal over het goede leven kunt samenstellen. Het hedendaagse stoïcisme is anders dan het antieke stoïcisme. We hebben levenslessen nodig die passen bij onze eigen tijd. We hebben wijsheid nodig die gebaseerd is op kloppende, wetenschappelijke kennis over de wereld en de mens, in plaats van op achterhaalde mythische beelden. We leven in een tijdperk van ongekende economische, wetenschappelijke en culturele vooruitgang. Het moderne stoïcisme verwacht daarom van u dat u zelf nadenkt en op eigen kracht naar wijsheid op zoek gaat. Hoog tijd om het stoïcisme in een moderner en passender jasje te steken.

 


woensdag 29 juli 2020

TREK U TERUG IN UW INNERLIJK KASTEEL

U zult het zo nu en dan wel eens allemaal zat zijn. Veel mensen voelen zich wel eens moe, wat zeg ik uitgeput en verlangen er dan naar om zich terug te trekken uit de hectiek van het dagelijkse bestaan. De jaarlijkse vakanties en tripjes bieden niet langer de beloofde rust en ontspanning. We hebben er gewoon even helemaal genoeg van. Onze stoïcijnse keizer Marcus Aurelius kende dat gevoel en hij zou geen stoïcijn zijn geweest als hij niet naar een oplossing had gezocht. In zijn dagboek sprak hij zichzelf toe:

Veel mensen willen zich terugtrekken op het platteland, aan zee of in de bergen. En je weet maar al te goed dat je dat zelf ook graag zou willen. Maar dan snap je je eigen filosofie niet. Je kunt je immers waar en wanneer je maar wilt terugtrekken in jezelf. Nergens kun je je beter terugtrekken dan in je eigen geest. Als je je er op toelegt kun je je daar volkomen rustig en ontspannen voelen. Gun jezelf die afzondering en je zult je krachten weer hervinden. Spreek jezelf dan toe met een aantal bondige en krachtige waarheden waarmee je al je zorgen en ergernissen van je af kunt zetten voor je weer terugkeert naar je dagelijkse hectiek.
Waar zou je je eigenlijk aan moeten ergeren? Aan de slechtheid van de mensen? Bedenk dat we allemaal sociale en redelijke wezens zijn. Tolerantie is een onderdeel van de deugd van rechtvaardigheid. Niemand doet kwaad uit vrije wil. Denk aan al die mensen die elkaar gehaat, verafschuwd en bestreden hebben, en die nu tot stof vergaan in hun graf liggen. Zet die zinloze ergernissen nu eindelijk eens van je af.
Ben je dan misschien ontevreden over het lot dat je treft? Bedenk dan dat het universum of een chaotische dans van atomen is, of onderworpen is aan de voorzienigheid van deterministische natuurwetten. Herinner je er dan aan hoeveel er op wijst dat het universum een onontkomelijk en geordend geheel lijkt.
Heb je last van lichamelijke aandoeningen? Bedenk dan dat het zelfbewustzijn als het zich eenmaal heeft losgemaakt en zijn eigen macht heeft ontdekt niets meer te maken heeft met je lichamelijke conditie. Bedenk dat genot en pijn dan niet langer belangrijk zijn.
Brengt het verlangen naar populariteit je uit balans? Kijk dan eens hoe snel alles vergeten wordt en kijk naar de peilloze afgrond van de tijd voor en na je korte bestaan. Bedenk hoe leeg roem is. Hoe veranderlijk en stompzinnig het oordeel van je bewonderaars. Hoe beperkt in ruimte en tijd jouw roem is. De hele aarde is immers niet meer dan een stipje in het heelal en hoe klein moet jouw woonplaats dan wel niet zijn? Hoeveel mensen zullen je daar dan bewonderen en wat voor soort mensen zullen dat dan wel niet zijn?
Denk daarom aan de mogelijkheid om je terug te trekken in je kleine privédomein. Forceer jezelf niet en laat je niet uit je evenwicht brengen, maar wees een mens, een wereldburger een sterfelijke. Daarbij moet je je van deze twee dingen steeds bewust zijn:
De buitenwereld heeft geen greep op je innerlijk. De hinder die je er van ondervindt is het gevolg van je eigen waardeoordeel.
Alles wat je ervaart zal direct weer veranderen en verdwijnen. Besef hoeveel veranderingen alleen jij al niet hebt meegemaakt. Het universum is verandering, het leven is hoe je dat beoordeelt. (Marcus Aurelius; Dagboeken; boek 4, hoofdstuk 3)

Een lang citaat, maar ik vond het de moeite waard om u het hele stuk voor te leggen. Marcus wijst hier op onze behoefte om rust te zoeken en ons terug te trekken in een hutje op de hei. Hij bekent dat hij geen onbekende is met deze neiging, maar hij weet dat dat hutje uiteindelijk niet de oplossing biedt. Je kunt nog zo hard proberen de wereld te ontvluchten die wereld weet je uiteindelijk toch wel te vinden. Marcus vertelt zichzelf dat hij zich waar en wanneer hij maar wil kan terugtrekken in zichzelf. In zijn eigen innerlijk kasteel. Daar kan hij de wereld buitensluiten en even helemaal alleen zijn met zichzelf. Hij kan een dialoog met zichzelf voeren en zichzelf toespreken om zo zijn verloren krachten weer te herwinnen.

In zijn innerlijk kasteel herinnert hij zich aan zijn stoïcijnse leerstellingen. Als hij wanhopig verzucht dat de mensen slecht zijn en dat altijd zullen blijven brengt hij zich in herinnering dat niemand moedwillig slechte dingen doet. Mensen doen de dingen waarvan ze beter denken te worden. Als ze daarbij slechte dingen doen maken ze een denkfout. De gemiddelde mens is geen psychopaat en probeert gewoon te doen wat goed voor hem en zijn naasten is. Je kunt maar beter accepteren dat ze daarbij inschattingsfouten maken. Het is niet nodig om je daar kwaad over te maken of je er wanhopig over te voelen. Dat betekent niet dat je bij de pakken neer moet gaan zitten. Onrecht moet bestreden worden. Blijf ‘slechte’ mensen vriendelijk en barmhartig op hun fouten wijzen. Zelf zal je er ongetwijfeld ook een heleboel maken.

Marcus was liever geen keizer geworden. Als het aan hem lag had hij zich teruggetrokken op een landgoed om zich in alle rust aan zijn filosofie te wijden. Het noodlot had het anders beschikt en hij moest keizer worden. Als het dan toch moest dan zorgde hij er wel voor dat hij een verdomd goede keizer werd ook. Toch werd het ook hem wel eens te veel en vervloekte hij het lot dat hem tot keizer had gekroond. Weggekropen in zijn innerlijk kasteel wijst hij zich er dan op dat het universum of onderworpen is aan deterministische natuurwetten of een totale chaos van willekeurige gebeurtenissen is. Als stoïcijn geeft hij de voorkeur aan de eerste gedachte. Dat geeft hem een gevoel van verbondenheid dat troost biedt. Noodlottige gebeurtenissen die zijn naasten of hemzelf treffen zijn allemaal het gevolg van natuurwetten. Natuurwetten waar je als eenvoudig mens geen invloed op hebt. Alles gebeurt zoals het moet gebeuren binnen een web van oorzaak en gevolg. Dat kan hard zijn maar het kan ook troosten.

Tijdens zijn regeringsperiode heerste er een afschuwelijk pestepidemie die aan miljoenen mensen het leven kostte. Waarschijnlijk was Marcus zelf ook één van de slachtoffers. Maar ook andere ziektes en verwondingen gingen niet aan hem voorbij. Hij had een niet al te robuuste gezondheid. Naast allerlei ziektes en pijntjes was hij natuurlijk ook onderworpen aan de standaard biologische verlangens en angsten. Ook daar kon hij aan ontkomen door zich terug te trekken in zijn innerlijk kasteel. Hij wijst zich er in zijn dagboek op dat hij zijn zelfbewustzijn zo kan trainen dat hij als een soort stoïcijnse fakir alle gevoelens van pijn en genot onder controle kan houden.

Als Romeins keizer was Marcus zonder enige twijfel de bekendste persoon van het hele rijk. Hij werd omringd door vleiers en mensen die hem geweldig vonden. Waar hij ook verscheen, hij werd vol enthousiasme toegejuicht. Uit het citaat blijkt dat hij het maar niks vond. In zijn innerlijk kasteel wees hij zichzelf erop dat populariteit iets relatiefs is. Het is enorm tijd en plaats gebonden en wat zijn het eigenlijk voor mensen die je langs de kant staan toe te juichen? Zijn ze je achting wel waard? Waarschijnlijk niet. Wat kan het je dan schelen wat ze van je denken?

Tot slot van het citaat noemt onze filosofische keizer twee stoïcijnse waarheden die als spreuk boven de poort van zijn innerlijk kasteel hadden kunnen hangen. Het zijn je eigen waardeoordelen over de buitenwereld die bepalen hoe je je voelt en alles stroomt. Alles is in beweging niets blijft zoals het is. Wat je vandaag dwars zit is morgen al weer verdwenen.


zondag 26 juli 2020

BIJ HET OVERLIJDEN VAN EEN VRIEND(IN) (Seneca brief 63)



Beste Lucilius,

Je tobt over de dood van je vriend Flaccus. Toch wil ik niet dat je daarover meer treurt dan redelijk is. Ik durf amper van je te vragen dat je niet treurt. Toch ben ik er zeker van dat dat beter is. Maar wie is zo sterk die niet ver boven het lot staat? Ook zo'n wijze zal deze gebeurtenis raken, maar meer ook niet. Je mag het jezelf dan ook vergeven dat je je aan tranen overgeveft, als zij maar niet al te overvloedig stromen en je ze zelf onderdrukt. Bij het verlies van een vriend hoeven onze ogen niet droog te blijven maar ook weer niet over te stromen; we mogen wenen maar niet jammeren.

Lijkt het je of ik je een harde wet opleg? Toch heeft de grootste Griekse dichter verlof gegeven om slechts één dag te huilen, toch heeft hij gezegd dat zelfs Niobe er aan dacht te eten. Je vraagt waar die jammerklachten vandaan komen en die mateloze huilpartijen? Door middel van tranen zoeken wij bewijzen voor ons gemis en wij geven niet toe aan onze smart maar tonen die. Niemand zou bedroefd zijn voor zichzelf? Wat een onzin: zelfs in smart steekt nog eerzucht!

'Wat dan?', zeg je, 'moet ik mijn vriend dan maar vergeten?' Je belooft hem maar een korte herinnering, als die even lang zal duren als je verdriet. Al gauw zal een of ander voorval je gezicht uit de plooi halen. Ik wil dat niet opschorten tot het tijdstip waarop elk gemis slijt, waarop zelfs de hevigste rouw tot rust komt. Zodra je ophoudt jezelf te controleren, zal dat uiterlijk van droefheid wijken. Nu bewaak je je verdriet; maar ook aan je bewaking ontsnapt het, en het houdt des te sneller op, naarmate het heviger is.

Laten we ervoor zorgen dat de herinnering aan hen die wij verloren hebben prettig is. Niemand keert graag terug naar datgene waaraan hij slechts gekweld kan terugdenken, het kan dan ook niet anders dan  dat de naam van overleden dierbaren ons regelmatig met enige pijn te binnen schiet. Maar ook de melancholie kent toch zijn genoegens.

Want, zoals onze Attalus placht te zeggen: 'De herinnering aan overleden vrienden is net zo aangenaam zoals sommige vruchten lekker pittig zijn, zoals bij een iets te oude wijn juist de bittere smaak ons zo aanstaat. Maar wanneer er enige tijd verstrijkt, verdwijnt alles wat ons benauwde en breekt het zuivere genot door'.

Als we hem moeten geloven is: 'Denken aan vrienden tijdens hun leven zoveel als genieten van honingkoek en het ophalen van herinneringen aan hen die er niet meer zijn is prettig maar niet zonder iets bitters. Wie zal echter ontkennen dat ook dit bittere en wat straffe voedsel de maag prikkelt?'

Ik deel zijn mening niet: voor mij is de gedachte aan overleden vrienden prettig en aangenaam: ik had hen immers met de gedachte dat ik hen zou verliezen, nu heb ik hen verloren met de gedachte dat ik hen nog heb. Doe dus, mijn beste Lucilius, wat past bij je virtuositeit; houd ermee op het lot verkeerd te duiden: zij heeft je niet alleen iets afgenomen maar ook iets gegeven.

Laten we daarom gretig genieten van onze vrienden omdat het onzeker is hoe lang dat nog kan. Laten wij bedenken hoe vaak wij hen hebben achtergelaten bij het ondernemen van een verre reis, hoe dikwijls wij hen niet echt gezien hebben, terwijl we wel op dezelfde plaats verbleven: dan zullen wij begrijpen hoeveel tijd we verkwist hebben bij hun leven.

Moet je hen dan serieus nemen, die heel nonchalant met hun vrienden omspringen, maar uitzinnig rouwen en slechts genegenheid opbrengen voor wie zij verloren hebben? En dan daarom al te omstandig treuren omdat zij vrezen dat mensen zouden twijfelen aan hun genegenheid? Te laat zoeken zij naar bewijzen voor hun liefde.

Als wij nog andere vrienden hebben, bewijzen we hen een slechte dienst en onderschatten we hen als zouden zij ons niet kunnen troosten over de ene die ons ontnomen is. Als wij geen andere vrienden hebben, hebben wij onszelf een groter onrecht aangedaan dan we door het lot te incasseren kregen: dat heeft ons er één ontstolen, wij echter iedereen die we niet tot vriend gemaakt hebben.

Voorts heeft hij zelfs niet al te veel die ene bemind, die niet meer dan één vriend heeft kunnen maken. Als iemand beroofd is en wil blijven jammeren om het verlies van zijn enige hemd, liever dan te bekijken hoe hij aan de kou kan ontsnappen en iets kan vinden om zijn schouders mee te bedekken, zal die je niet allerdwaast toeschijnen? Je hebt iemand uitgeleide gedaan op wie je gesteld was: zoek nu dan iemand om op gesteld te zijn. Het is beter een nieuwe vriend te vinden dan te treuren.

Ik weet dat dit, wat ik eraan toe ga voegen, een uitgesleten pad is maar toch zal ik het niet hierom verzwijgen omdat het al door allen gezegd is: mettertijd bereikt zelfs het einde van de smart degene die daar niet op uit was. Maar het schandelijkste geneesmiddel bij een verstandig mens is toch wel de vermoeidheid om nog verder te treuren: ik wil liever dat jij je smart loslaat dan dat je door hem losgelaten wordt; en houd zo snel mogelijk op dat te doen wat je niet lang zult volhouden, zelfs als je het zou willen.

Onze voorouders hebben voor vrouwen een periode van een jaar vastgesteld om te rouwen, niet om dat zo lang te doen, maar om het niet langer te doen. Voor mannen is bij wet geen periode vastgelegd, omdat geen enkele passend is. Maar kun je van hen die met moeite werden weggetrokken van de brandstapel, met moeite werden weggehaald van het stoffelijk overschot, er één noemen, bij wie de tranen een volle maand hebben geduurd? Niets gaat ons sneller tegenstaan dan verdriet, dat nog wel een trooster vindt en mensen tot zich trekt als het pas ontstaan is, maar waar men om lacht als het eenmaal verouderd is, niet ten onrechte: het is dan immers ofwel geveinsd ofwel dwaas.

Dit schrijf ik jou, ik die over Anneus Serenus, die mij zo dierbaar was, zo mateloos getreurd heb dat ik, tegen mijn zin, onder de voorbeelden terechtgekomen ben van diegenen op wie de smart een overwinning behaald heeft. Maar nu veroordeel ik mijn gedrag en begrijp ik dat de voornaamste oorzaak om zo te rouwen geweest is dat ik me nooit gerealiseerd had dat hij vóór mij kon sterven. Dit ene had ik voor ogen, dat hij jonger was en wel veel jonger alsof de lotsbeschikkingen een volgorde in acht zouden nemen!

Laten wij derhalve voortdurend evenzeer bedacht zijn op onze eigen sterfelijkheid als op die van allen voor wie wij genegenheid koesteren. Toen had ik moeten zeggen: 'Mijn dierbare Serenus is jonger: wat doet dat ertoe? Hij moet eigenlijk na mij sterven, maar vóór mij kan ook'. Omdat ik dat niet gedaan heb, heeft het lot mij plotseling onvoorbereid getroffen. Nu ben ik er zowel op bedacht dat alles sterfelijk is alsook sterfelijk volgens een onzekere wetmatigheid; vandaag kan gebeuren wat ooit kan gebeuren.
Laten wij dus bedenken, mijn allerdierbaarste Lucilius, dat wij al spoedig daarheen zullen gaan, waar hij tot ons verdriet al aangekomen is. En misschien, als tenminste waar is wat de wijzen zeggen en een of andere plaats ons opneemt, is hij, van wie wij menen dat hij verloren is gegaan, ons daarheen voorgegaan.


Het ga je goed.

woensdag 15 juli 2020

OVER PIJNLIJKE TENEN EN ANDER LIJDEN


De stoïcijnen zeggen dat ons lijden volledig wordt bepaald door wat we denken. Als u pijn hebt of zich ongelukkig voelt is dat voor de volle honderd procent het gevolg van wat u denkt. Dat betekent niet dat de stoïcijnen van mening zijn dat u ziekte, pijn en psychisch lijden aan uzelf te wijten hebt. Dat is niet zo. Het mogen dan wel mentale processen zijn, maar dat betekent nog niet dat u het zelf in uw macht hebt of u een ziekte krijgt of niet. Het gaat om objectieve feiten waar u geen directe invloed op kunt uitoefenen. Waar u wel invloed op hebt zijn uw oordelen over die feiten. Het stoïcisme kan niet voorkomen dat u lichamelijke of psychische pijn voelt, het kan er wel voor zorgen dat u uw negatieve waardeoordelen over die pijn bijstelt.

Stoïcijnen zijn geen koele kikkers die door niets geraakt kunnen worden en als een standbeeld onaangedaan door het leven gaan. Een dergelijk leven is alleen weggelegd voor psychopaten. Ze doen wel hun best om door hun mentale instelling aan te passen hun incasseringsvermogen en draagkracht te vergroten. Ze beschikken over allerlei technieken en meditatie om dat mogelijk te maken. In pijnklinieken wordt dankbaar gebruikt gemaakt van op het stoïcisme gebaseerde cognitieve pijnmanagementtechnieken om mensen met chronische pijnen te leren met hun lijden om te gaan. Uit onderzoek blijkt dat die technieken er daadwerkelijk voor kunnen zorgen dat de pijn als minder ernstig wordt ervaren. Maar niet alleen pijn ook andere vormen van lichamelijk en psychisch lijden kunnen aantoonbaar dragelijker worden gemaakt door de toepassing van op het stoïcisme gebaseerde technieken.

Alles wat u voelt, voelt u met uw brein. De pijn die u voelt in uw grote teen voelt u niet met die teen, maar met uw brein. Het zenuwsignaal opgewekt door het stoten van uw teen komt aan in u brein en wordt daar omgezet in het gevoel pijn. Hetzelfde geldt voor psychisch lijden. Uw brein is de plek waar u zich ellendig voelt. Wat u voelt wordt dus eigenlijk bepaald door wat u van de situatie vindt. Het is het waardeoordeel dat u met uw denken velt dat uiteindelijk bepaalt hoe u zich voelt. Dat oordeel maakt geen einde aan de pijn zelf, maar het verandert wel de manier waarop u er mee omgaat. De bron van uw pijn zit niet tussen uw oren, maar uw houding tegenover die pijn kan uw pijnbeleving weldegelijk verhevigen of verzachten. Als u uw teen stoot blijft de pijnprikkel gewoon komen, maar wat u met die pijnprikkel doet is uw eigen keuze. U kunt op één been hinkend ach en wee roepen, of u kunt besluiten dat de pijn u niet wezenlijk hindert in uw bestaan als mens. Dit geldt, metaforisch, voor alle vormen van lijden. Natuurlijk als u pijn in uw teen hebt zult u beperkt worden in uw lopen. Dat is een objectief feit uit de werkelijkheid. Maar een pijnlijke teen belemmert u niet in het zijn van een virtuoos mens. Klagen maakt dat u zich alleen maar slechter gaat voelen, uzelf er van overtuigen dat u de pijn aankunt maakt u juist sterker.

Dat betekent niet dat u uw pijn en de daarmee gepaard gaande gedachten moet gaan onderdrukken. Dat werkt niet. De pijn en de sombere gedachten (ik kan misschien wel nooit meer normaal lopen) laten zich niet zomaar onderdrukken en zullen zich zonder enige twijfel op een bijzonder ongelegen moment en ongelegen wijze opnieuw weten te manifesteren. Piekeren over wat er is gebeurt of over wat de toekomst u misschien aan ellende zal brengen heeft echter geen zin. Klagen en catastrofale gedachten over verleden of toekomst maken de pijn alleen maar erger. Verleden en toekomst liggen niet in uw macht. Het enige waar u invloed op kunt uitoefenen is het hier en nu, de rest ligt buiten uw sfeer van invloed. Het stoïcisme wil dan ook dat u de aanwezigheid van uw pijn accepteert en dat u er niet zo heel veel waarde aan hecht. Het is voor het zijn van een virtuoos mens helemaal niet zo belangrijk of u wel geen pijnlijke teen hebt.


zaterdag 11 juli 2020

LICHAAM EN GEEST

De Nederlandse Fransman René Descartes (1596-1650) wordt vaak aangewezen als de vader van het filosofisch dualisme. Hij wordt als een aanhanger van het stoïcisme gezien omdat hij her en der lovend over het stoïcisme schrijft. Zijn beroemde dualisme heeft hij echter zeker niet van de stoïcijnen afgekeken. In het dualisme wordt er van uitgegaan dat lichaam en geest twee gescheiden entiteiten zijn. Het lichaam maakt deel uit van de materiële wereld en is daarbij onderworpen aan de natuurwetten, terwijl de geest deel uit maakt van een spirituele wereld los van de materie. De stoïcijnen zijn geen dualisten maar monisten. Zij geloven dat zowel het lichaam als de geest volstrekt materialistisch van aard zijn. Als je de stoïcijnen leest zou je de indruk kunnen krijgen dat het dualisten zijn. Kijk bijvoorbeeld naar wat Epictetus in zijn Handboekje zegt:

Als je dat echt wilt vormt ziekte alleen een belemmering voor je lichaam en niet voor je karakter. Zo is kreupelheid een belemmering voor je been, maar niet voor je karakter. Dit moet je bij alles wat je overkomt tegen jezelf zeggen. Dan zal je er echt van doordrongen raken dat alles wat je overkomt een belemmering is van iets anders, maar niet van jou. (Epictetus; Handboekje; hoofdstuk 9)

Op het eerste gezicht lijkt het alsof Epictetus hier een strikt onderscheid maakt tussen lichaam en karakter (geest). Toch is dat niet wat hij hier zegt. Hij zegt alleen dat een ziekte of handicap een belemmering kan vormen voor je fysieke mogelijkheden, maar niet voor je karakter. Mensen reageren verschillend op dezelfde ervaring. Sommige mensen die aan een ernstige ziekte lijden kruipen in hun schulp en stellen hun leven volledig in het teken van hun ziekte. Andere mensen proberen er het beste van te maken binnen de grenzen van de door hun ziekte gestelde beperkingen. Door je manier van denken over je ziekte te veranderen, verander je ook de manier waarop je die ziekte ervaart. Dit geldt zelfs voor extreme pijn. Je kunt de pijn nooit helemaal wegdenken, maar je kunt wel je ervaring van die pijn veranderen en de pijn daardoor dragelijker maken. Dit is wat Epictetus bedoelt te zeggen. Een ziekte of handicap beperkt je mogelijkheden maar staat er niet aan in de weg om aan je virtuositeit te werken.

Epictetus spreekt hier uit eigen ervaring. Hij was zelf slecht ter been en liep met krukken. Volgens sommigen was dit het gevolg van een bestraffing door zijn meester in de tijd dat hij nog slaaf was. Deze handicap weerhield hem er niet van om toch een gelukkig en goed gevuld leven te leiden. Hij stelt in dit hoofdstukje dat ziektes en aandoeningen niets te maken hebben met je karakter. Ze hebben niets te maken met wat je in wezen bent en zijn daarom onbelangrijk voor een gelukkig en virtuoos leven. Natuurlijk kun je ziek worden of een ongeluk krijgen, maar dat belemmert je vermogen om te denken en te oordelen niet. Het kan je plannen en projecten in de war sturen, maar daar draait het niet om. Bij Epictetus gaat het om wie je bent en niet om wat je doet.

Hij maakt een strikt onderscheid tussen de dingen waar je een volledige controle over hebt, de dingen waar je een beperkte controle over hebt en de dingen die volledig buiten je controle liggen. Alleen de dingen waar je een volledige controle over hebt kunnen je gelukkig en virtuoos maken. Al het andere is in wezen onbelangrijk. Je lichaam is één van de dingen waar je maar een heel gedeeltelijke controle over kunt uitoefenen. Natuurlijk het is verstandig om gezond te leven en goed voor jezelf te zorgen, maar wie je bent: je karakter en oordeelsvermogen, zijn het enige wat echt telt voor een gelukkig leven. En dat oordeelsvermogen is nu net het enige waar je wel een volledige controle over hebt.

Voor de stoïcijnen ligt het wezen van een mens dus in zijn rationele vermogens. Die rationele vermogens zijn net zo materieel als je lichaam, maar ze vormen wel je ‘ware ik’. Het enige aspect van je bestaan waar je echt grip op hebt. Epictetus wil dus dat zijn leerlingen bij alles wat hen overkomt goed nagaan of het om iets gaat waar ze de volledige controle over hebben of niet. Als ze daarbij tot de conclusie komen dat ze er geen of slechts een heel beperkte controle over hebben dan moeten ze het bijna automatische naast zich neerleggen als iets wat hen niet aangaat. Ziektes en handicaps, maar ook allerlei andere tegenslagen spelen geen rol bij het leiden van een gelukkig leven.