Welkom op deze blog over moderne stoïcijnse filosofie als praktische levenskunst. Hier ontdekt u toegankelijke inzichten en mindfulness oefeningen, geïnspireerd op deze tweeduizend jaar oude wijsheid, maar vertaald naar hedendaagse uitdagingen. Ik bied een actuele en op nieuwe inzichten gebaseerde interpretatie van het stoïcisme, die u helpt meer richting, innerlijke rust en persoonlijke groei in uw leven te vinden. Leer hoe u zelf stoïcijnse principes kunt toepassen om een beter mens te worden.
donderdag 27 april 2017
HOE KUNT U UW BOOSHEID IN TOOM HOUDEN?
Zoals we zagen deelden de stoïcijnen de negatieve emoties of ‘patheiai’, zoals zij ze noemden, in vier hoofdgroepen in. Je had de pijn, angst, verlangen en genot. Pijn is het irrationele gevoel dat ontstaat als u er niet in slaagt om iets onaangenaams te vermijden of als het niet lukt om iets aangenaams te verwerven. Hieronder vallen emoties als geestelijke en emotionele pijn, verdriet, medelijden, jaloezie en spijt. Angst is de irrationele verwachting dat er iets onaangenaams gaat gebeuren of dat iets aangenaams niet verkregen kan worden. Hieronder vallen emoties als bangheid, paniek, bezorgdheid, nervositeit en schaamte. Genot is het irrationele gevoel dat ontstaat als u er in slaagt iets dat ten onrechte als goed wordt beschouwd te verkrijgen. Hieronder vallen dingen als genot, uitbundigheid, decadentie, hoogmoed, verwaandheid, gevleid zijn en leedvermaak. Lust is de irrationele verwachting dat er iets aangenaams staat te gebeuren. Hieronder vallen gevoelens als seksueel verlangen, gulzigheid, woede, haat en zucht naar roem en eer.
Boosheid is voor de stoïcijnen dus een ondersoort van de grotere emotie van het verlangen. Het is het verlangen dat iemand anders iets vervelends overkomt. Het is één van de primaire emoties die ons reptielenbrein ons voorschotelt, een soort reflex die ontstaat bij bepaalde gebeurtenissen waarvan het primitiefste deel van onze hersenen meent dat het slecht voor onze overlevingskansen is. Het is bij uitstek een ‘patheia’ die u het leven een stuk moeilijker kan maken. Het verstoort niet alleen uw eigen gemoedsrust, maar kan ook uw omgeving behoorlijk van slagen maken. Het verduistert het verstand en kan bovendien tot impulsieve handelingen leiden die veel leed en schade kunnen berokkenen. Voor de stoïcijnen was woede dan ook één van de voornaamste ‘patheiai’ die bestreden moesten worden. Veel andere emoties hebben nog wel ergens iets goeds in zich, maar woede heeft dat niet en is in de ogen van de stoïcijnen dan ook één van de gevaarlijkste ‘patheiai’. Seneca heeft er zelfs een hele serie boeken aan geweid. In boek I van de serie ‘De Ira’, Over de Woede, schrijft hij dit:
“Novatus, je hebt me gevraagd om een boek te schrijven over de vraag hoe je woede kunt bedwingen. Je hebt gelijk dat je vooral voor deze emotie bang bent. Meer dan welke andere emotie ook is ze afschuwelijk en razend. In andere emoties schuilt nog wel wat rust en kalmte, maar deze is niets anders dan opgewondenheid en haat. Ze gaat als een krankzinnige tekeer met haar onmenselijk verlangen naar wapens, bloed en moord. Ze schenkt nergens aandacht aan zolang ze een ander maar kan schaden. Op zoek naar wraak werpt ze zich in het heetst van de strijd, zelfs als die ook de wreker zelf mee sleurt in het verderf.” (Seneca; Over de Woede, Boek III-1)
Bij zijn Romeinse tijdgenoten werd woede juist als een eervolle en prijzenswaardige emotie beschouwd. Het was volgens hen juist goed om door woede gedreven wraak te nemen op je tegenstanders. Seneca’s standpunt was dan ook allesbehalve normaal. Het werd als vreemd en zelfs als choquerend beschouwd. Ook Aristoteles vond dat woede onder bepaalde omstandigheden een goed wapen was voor een verstandig en deugdzaam mens.
“Aristoteles zegt dat woede een wapen is dat mits goed gebruikt heel nuttig kan zijn. Dat zou alleen maar waar zijn als degene die zich van een dergelijk wapen bedient het naar believen kon oppakken en weer wegleggen. Maar deze wapens, die Aristoteles de virtuoze mens aanbeveelt, vechten uit eigen beweging en wachten niet af tot iemand ze opneemt. Ze zijn geen bezit maar nemen bezit van je.” (Seneca; Over de Woede; Boek I-18)
Sommige mensen vinden ook nu nog dat woede zijn nut kan hebben. Het zet mensen aan om actie te ondernemen tegen een onrechtvaardige situatie. Zonder woede, zeggen die mensen, zouden we veel te veel onrecht over onze kant laten gaan. We zouden veel minder gemotiveerd zijn om ons zelf en anderen te helpen. Seneca ontkent niet dat woede ons in beweging brengt, het heeft echter het enorme nadeel dat het ons verblindt. We denken niet meer na en jagen als een doofstomme onze wraakgevoelens achterna. Bovendien kan een eenmaal ontketende woede niet zo één twee drie weer worden stopgezet. Een verstandig en virtuoos mens zal nooit de hulp in roepen van zo’n blinde, heftige impuls als de woede. Een impuls waar ze zelf geen enkele macht over heeft. Een tegenstander van Seneca kon zich dit niet voorstellen en zei:
“Wat zeg je nu, wordt een goed mens niet woedend als hij ziet dat zijn vader vermoord wordt en zijn moeder verkracht? Nee, antwoordde Seneca, hij zal zijn ouders proberen te beschermen en de daders bestraffen. Waarom ben je trouwens zo bang dat zijn kinderliefde als hij niet woedend wordt geen voldoende stimulans zal zijn om op te treden?” (Seneca; Over de Woede; Boek I-12).
Stoïcijnen laten niet over zich heenlopen en mensen die hen kwaad doen zullen zeker terecht gewezen worden. Desnoods zelfs met geweld, stoïcijnen zijn vredelievend maar geen pacifisten. Ze zullen hierbij echter alles in het werk stellen om te voorkomen dat ze dat uit woede doen. Ze zullen hun reactie eerder uitstellen tot ze weer wat rustiger zijn dan dat ze kwaad zullen reageren. Naar alle waarschijnlijkheid zal een rustig beredeneerde reactie een stuk effectiever uitpakken dan een onbezonnen, woedende en impulsieve daad. Een straf is voor de stoïcijnen dan ook niet bedoeld als een wraakneming. Het moet erger voorkomen en de slachtoffers beschermen, maar tegelijkertijd moet het helpen de dader tot inkeer te brengen.
“Wie fouten maakt moet dus gecorrigeerd en terechtgewezen worden. Al naar gelang de omstandigheden met zachte hand of met een harde ijzeren vuist. Er moet van hem een beter mens gemaakt worden, zowel voor zijn eigen bestwil als in het belang van de samenleving. Niet zonder hem te straffen, maar wel zonder woede. Want wie is er nou kwaad op een patiënt?” (Seneca; Over de Woede; Boek I-15)
De stoïcijnen kennen een aantal technieken waarmee u kunt voorkomen dat u boos wordt. Om te beginnen raden ze u aan om niet meteen van het slechtste uit te gaan. Dat de dingen niet lopen zoals u dat graag gewild zou hebben betekent niet meteen dat u ook een onrecht is aangedaan. Dingen lopen nu eenmaal niet altijd zoals u dat het liefst zou zien. De wereld heeft er geen boodschap aan dat u hem graag anders had gezien.
Soms is het een voorwerp of een gebeurtenis, maar meestal is het één van uw medemens die de aanleiding voor het opwekken van uw woede is. Wees echter niet te snel met het concluderen dat iemand u bewust tegenwerkt. Lang niet iedereen die iets doet waardoor uw plannen worden gedwarsboomd doet dat ook echt met de bedoeling om u te treiteren. Vaak beseffen ze helemaal niet dat ze u dwarszitten, soms proberen ze u zelfs te helpen, maar doen ze dat gewoon een beetje onhandig. Misschien is het verstandiger om mensen voortaan het voordeel van de twijfel te geven.
Sommige mensen kunnen een karakter hebben dat met het uwe botst, ze kunnen u al met een blik en de kleinste dingen kwaad krijgen. Er bestaan nu eenmaal mensen met een moeilijk of zelfs onuitstaanbaar karakter. U kunt proberen dit soort mensen zoveel mogelijk te vermijden, maar als dat niet lukt of niet kan moet u maar denken dat hun karakter vooral hun eigen probleem is. U weet wie u voor zich heeft en kunt zijn vervelende opmerkingen gewoon van uw rug af laten glijden. Bedenk daarbij dat niet alleen u boos wordt van de dingen die anderen doen, maar dat ongetwijfeld ook uw eigen doen en laten anderen kwaad maakt. De gedachte dat ook u een bron van ergernis bent voor uw medemens kan helpen uw eigen boosheid wat te relativeren. De meeste dingen en mensen zijn sowieso niet de moeite waard om u druk om te maken.
Een enkeling is misschien echt kwaadaardig en wil u serieus schade berokkenen. Als iemand u bewust kwaad wil doen zult u dat snel genoeg merken. Maar zelfs dan is er nog geen reden om kwaad te worden. De persoon die u dwars zit denkt ongetwijfeld een heel goede reden te hebben om dat te doen. Vermoedelijk heeft u er veel meer aan als u achter zijn beweegredenen probeert te komen. Als dat lukt kunt u proberen hem duidelijk te maken dat hij het helemaal mis heeft.
Een andere techniek tegen kwaadheid is een variant op de ‘oefening in armoede en ontberingen’ van les 10. Als u snel boos wordt zou het zo maar kunnen dat u een beetje te gevoelig bent. U kunt zich er dood aan ergeren dat uw buurman met een luidruchtige bladblazer zijn gazon aan het schoon wegen is, u wordt razend als iemand vergeet de deur achter zich dicht te doen of iemand zegt iets onhandigs wat u meteen als een kwaadaardige belediging opvat en in woede doet ontsteken. Bedenk dan dat niet iedereen zich door dergelijke kleinigheden aangesproken voelt. Sommige mensen ergeren zich aan het geluid van een vliegtuig, anderen aan een piano en weer anderen kunnen niet tegen de geur van gebakken vis. Ieder mens heeft zijn eigen particuliere ergernisjes. Betekent dat misschien niet dat u in dergelijke situaties niet al te rationeel reageert. Misschien bent u op deze gebieden iets te gevoelig of hebt u wat te lange tenen. Door u zelf zo nu en dan vrijwillig aan wat milde ontberingen bloot te stellen gaat u misschien de relatieve onschuld van zulke kleine ongemakken in zien en wordt u niet zo snel boos om onbelangrijke zaken. Als u een tijdje op een drukke jongeren camping gekampeerd hebt maakt u zich niet zo snel meer druk over het luidruchtige jaarlijkse familiefeestje van uw buren.
Humor is een vaak door de stoïcijnen toegepaste techniek om vervelende gevoelens te relativeren. Stoïcijnen worden vaak gezien als behoorlijk serieuze en ietwat saaie personen. Maar ook dat klopt weer niet. Stoïcijnen nemen zich zelf en de wereld om hen heen een stuk minder serieus dan de meeste mensen. Probeer de tegenslagen die u overkomen eens als iets grappigs te zien. Niet iedere vervelende gebeurtenis is meteen een drama. Zijn de dingen waar u zich gewoonlijk zo boos over maakt nu echt zo belangrijk? Probeer u zelf en uw reacties iets minder serieus te nemen. Relativeren van uzelf en de dingen die u overkomen kan enorm helpen om niet zo snel kwaad te worden. Lach uw eigen boze reactie weg. Het leven is te kort om u over alles druk te maken.
Een logisch uitvloeisel van de humoristische aanpak is de oefening van de panoramablik uit les 9. Van boven bekeken wordt alles kleiner en lijken dingen minder groot en belangrijk. Probeer voor u echt kwaad wordt eerst eens te bedenken of het wel om iets gaat wat de moeite waard is. Is het eigenlijk niet gewoon een kleinigheid, is het niet een beetje kinderachtig om je hier nu echt zo druk om te maken? Kijk dan ook eens naar de misschien wat minder vrolijke maar wel heel effectieve ‘memento mori’ techniek van les 13. Als u merkt dat u boos begint te worden probeer één en ander dan eens vanuit een kosmische perspectief onafhankelijk van ruimte en tijd te bekijken. Hoe ziet het er dan uit? De filosoofkeizer Marcus Aurelius schreef zijn boosheid met dit soort passages van zich af:
“Denk, bijvoorbeeld, aan de tijd van Vespasianus. Er is niets veranderd: de mensen trouwden, kregen kinderen, werden ziek, gingen dood, voerden oorlog, vierden feest, dreven handel, bewerkten het land, waren kruiperig en arrogant, klaagden, werden verliefd, waren gierig, wilden consul of keizer worden. Wat is er nu van hen over? Doe hetzelfde voor de tijd van Trajanus. Ook daar gebeurden dezelfde dingen en ook die mensen zijn allemaal dood. Bestudeer de geschiedenis, hele eens machtige en welvarende volkeren zijn verdwenen. Maar denk vooral aan de mensen die jezelf hebt gekend, ze waren ambitieus en jaagden onhaalbare dromen na terwijl ze hun echte talenten verwaarloosden. In plaats van er mee tevreden te zijn zich toe te leggen op het ontplooien van hun echte talenten volgden ze een onbereikbare hersenschim.” (Marcus Aurelius; Boek IV-32)
Seneca wist van zichzelf dat hij een nogal opvliegend karakter had. Om dat onder controle te krijgen gebruikte hij een techniek die ook in het Boeddhisme populair is. Misschien heeft hij hem wel tijdens zijn studies in de Bibliotheek van Alexandrië opgedaan. Het schijnt dat daar ook geschriften over Hindoeïsme en Boeddhisme te vinden waren. Bij deze zogenoemde ‘tegengif techniek’ moet u zodra u merkt dat u kwaad begint te worden direct aan een tegenovergestelde emotie denken. Bijvoorbeeld aan vriendelijkheid of blijheid. Hoe moeilijk dat ook lijkt te zijn, trek daarbij een vrolijk en vriendelijk gezicht. Ga rustiger ademhalen en probeer daarmee uw hartslag wat omlaag te brengen. Ga zachter praten en langzamer bewegen. Uit recent psychologisch onderzoek blijkt dat uw opgewonden en boze reptielenbrein er danig van in de war raakt als u een vriendelijk gezicht trekt terwijl u zich eigenlijk kwaad voelt. De productie van adrenaline wordt daardoor afgeremd en mogelijk zelfs helemaal stopgezet. Uw woede komt niet echt van de grond. Bovendien reageren ook andere mensen rustiger op iemand die zich, al is het maar uiterlijk, kalm en rustig gedraagt. Het aanpassen van uw gezichtsuitdrukking en uw gedrag werkt de-escalerend zowel voor u zelf als voor uw omgeving. Met deze simpele ‘tegengif’ techniek slaagt u erin uw woede in de knop te smoren.
Als u een opvliegende aard hebt zult u natuurlijk niet van de ene op de andere dag de rust zelve worden door het toepassen van een paar stoïcijnen technieken. Dat vergt jaren van stoïcijnse praktijk en zelfs dan zal het nog steeds zo nu en dan mis gaan. Probeer als beginnend stoïcijn uw woede voorlopig alleen te reserveren voor de echt belangrijke dingen. Als u er goed over nadenkt zult u algauw merken dat veel van de dingen die u nu boos maken u objectief bekeken eigenlijk helemaal niet zo veel kwaad doen. Door een soort winst en verlies rekening te maken merkt u misschien wel dat de hinder die u ondervindt van een niet afgesloten deur of de herrie van tien minuten bladblazen niet opweegt tegen de hinder die het vervelende gevoel van uw woede oplevert. Door uw boosheid voelt u zich misschien wel slechter dan de echte hinder die u door de ergerlijke gebeurtenis moet ondergaan. Soms bederft een kleinigheid zelfs uw humeur voor de hele dag. Dat is toch dood zonde. U kunt dit soort ergerlijkheden veel beter incasseren en weer zo snel mogelijk vergeten. U loopt zelfs het risico dat u door een impulsieve reactie om een relatief onbetekenende ergerlijkheid een jarenlange ruzie weet te veroorzaken. In een dergelijke situatie weegt het leed van de kleine ergernis absoluut niet op tegen de gevolgen van uw woede. Denk dus goed na of een bepaalde gebeurtenis uw woede wel waard is. Uiteindelijk zult u er achter komen dat er geen enkele situatie bestaat die de moeite waard is om kwaad over te worden.
zaterdag 22 april 2017
EMOTIES ALS 'RATIONEEL' OORDEEL
Stoïcijnen en andere filosofen hebben het vaak over de
ratio, de rede of gewoon over het verstand. Maar wat wordt daar nu eigenlijk
mee bedoeld? Het gaat om het analyseren van iets, een situatie of een
gebeurtenis, dat zich uit de buitenwereld aan het bewustzijn van een persoon
opdringt. Er moet een oordeel geveld worden en een redenatie worden opgezet
over dat iets, voordat er iets met dat iets gedaan kan worden. Meningen en
oordelen over bepaalde situaties zijn redelijk als ze gebaseerd zijn op, op feiten
gebaseerde redeneringen. In tegenstelling tot oordelen die op niets anders dan
een gevoel zijn gebaseerd worden op de rede gestoelde meningen ondersteund door
goede gronden. Dergelijke oordelen vallen te verdedigen. Je kunt uitleggen
waarom je ze aanhangt. Dat betekent niet dat ze ook correct zijn. Het kan heel
goed zijn dat de feiten achteraf niet blijken te kloppen of dat er iets mis is
met de redenering, maar dat neemt niet weg dat een op de rede gebaseerde mening
veel beter te verdedigen valt dan een simpel: ‘Zo voel ik dat nu eenmaal’.
De rede is het
vermogen van logische voortgang, van het doorzien van logische en causale
verbanden en van het trekken van conclusies uit de gegevens uit de buiten
wereld. Logica lijkt nou niet direct het belangrijkste vak voor
iemand die vooral wil leren om gelukkiger te worden. Epictetus dacht daar
echter heel anders over. In één van zijn lessen zei hij het volgende:
“De meeste mensen realiseren zich niet
dat redeneringen met dubbelzinnige premissen, hypothetische redeneringen,
redeneringen in vraag-en-antwoord vorm, en al dat soort redeneringen relevant
zijn voor de discussie over een virtuoos leven. Bij elke gelegenheid
onderzoeken we immers hoe een virtuoos mens op een manier van doen en een soort
gedrag kan uitkomen dat bij die gelegenheid noodzakelijk is.” (Epictetus, Colleges
I, hoofdstuk 7)
Voor Epictetus was het vermogen om een juist oordeel te
geven essentieel om een virtuoos mens te kunnen worden. In een moderne filosofieklas zou dit onderwerp de vakken
logica en epistemologie omvatten. In de epistemologie of kenleer gaat het om de
vraag hoe je kennis kunt verkrijgen en wat kennis eigenlijk is. De stoïcijnen
worden als empiristen beschouwd, omdat ze van mening zijn dat alle kennis
afkomstig is van ervaring. Uw centrum van zelfbewustzijn (hegemonikon in het
Grieks) ervaart dingen uit de werkelijkheid en die ervaring is de basis van alle
kennis die een mens kan verkrijgen.
Het blijft echter niet bij het ervaren van dingen. Alle
informatie die via de zintuigen binnen komt moet eerst nog het filter van uw
hersenen passeren. Uw hersenen schotelen u onbewust en volautomatisch een beeld
van de werkelijkheid voor dat niet persé waarheidsgetrouw hoeft te zijn. Neem
bijvoorbeeld uw zichtvermogen. Uw ogen kunnen maar een heel klein stukje van
het elektromagnetisch spectrum zien. Radiogolven en röntgenstralen zijn er wel,
maar zijn onzichtbaar voor het blote oog. Het kleine stukje van het spectrum dat
we wel kunnen zien wordt dan ook nog eens vervormd door de hersenen. Zo
komen de zichtsignalen van uw ogen op zijn kop in uw hersenen binnen. Die zetten
dat vervolgens weer netjes rechtop, maar deinzen er vervolgens helemaal niet voor
terug om u alleen maar een beeld van de dingen waar u toevallig uw aandacht op
richt aan te bieden. Van al de andere dingen nemen uw hersenen gemakshalve maar aan dat ze niet veranderen. Neem bijvoorbeeld het beroemde experiment van de
onzichtbare gorilla (http://www.theinvisiblegorilla.com/videos.html)
waarbij mensen die bij een basketbalwedstrijd gevraagd zijn om het aantal keren
dat de bal de grond raakt te tellen, niet merken dat er ondertussen een gorilla
tussen de spelers door wandelt.
En dat is nog niet eens alles. Aan wat wij zien wordt ook
nog eens onmiddellijk een emotionele lading meegegeven. De informatie van uw
zintuigen komt eerst bij uw hersenstam binnen. Dit deel van uw hersenen wordt
ook wel het reptielenbrein genoemd, omdat het evolutionair het oudste deel van
de hersenen is. Dit reptielenbrein weegt de binnenkomende gegevens en geeft er
in de vorm van een emotie een waardeoordeel aan. Als u, bijvoorbeeld, per
ongeluk een stuk touw aanziet voor een gifslang, ziet u niet alleen iets wat er
niet is, maar krijgt u op de koop toe ook nog eens de emotie angst te
verwerken. Als u in een reclameboodschap een mooie slanke dame (of heer, sorry
dames) smakelijk een nieuw soort koek ziet verorberen, krijgt u er gratis en
voor niks de emotie honger en seksuele begeerte bij cadeau. Kortom wat wij
ervaren met onze zintuigen kan ons behoorlijk op het verkeerde been zetten.
De stoïcijnen waren zich hier min of meer van bewust. Ze
waren zich er echter ook van bewust dat deze door zowel onze zintuigen als
hersenen gemanipuleerde ervaringen de enige manier zijn waarop het ‘hegemonikon’
(zelfbewustzijn) zich bewust kan zijn van de werkelijkheid. Ze gaan er dan ook
vanuit dat een mens zich door een goed gebruik van zijn denkvermogen een realistisch
beeld van de werkelijkheid kan vormen. Dat beeld zal niet altijd kloppen en
nieuwe gebeurtenissen zullen regelmatig een ander licht op de situatie werpen,
maar dat neemt niet weg dat een goed werkend ‘hegemonikon’ tot een aannemelijk
en werkbaar beeld van de werkelijkheid kan komen. Het is helemaal niet zo gek
om er vanuit te gaan dat we een adequaat idee hebben van de wereld buiten ons.
Wij zijn tenslotte aan de zelfde natuurwetten onderworpen als die wereld. Als
ons beeld niet redelijk zou kloppen zouden we allang zijn uitgestorven.
zaterdag 8 april 2017
MEDELIJDEN EEN SLECHTE EMOTIE?
Menslievendheid en altruïsme wordt doorgaans beschouwd als
een uitvloeisel van een gevoel van mededogen. Door zich in te leven in de
positie van andere mensen die getroffen zijn door een ramp of andere vervelende
gebeurtenis krijgen mensen een gevoel van medelijden. Uit neurologisch
onderzoek blijkt dat dezelfde hersengebieden actief worden als u iemand anders
ziet lijden als wanneer u zelf dit leed zou ondergaan. Medelijden is een emotie
die wordt opgeroepen als u wordt geconfronteerd met iemand die onverdiend op de
één of andere manier kwaad wordt aangedaan. Het wordt vaak gezien als de emotie
bij uitstek die mensen aanzet tot menslievende en altruïstische handelingen. De
beelden van zielige, uitgehongerde kinderen zetten u aan tot een gulle gift aan
een liefdadigheidsinstelling. Zelfs de beelden van mishandelde hondjes weten
waarschijnlijk uw medelijden op te wekken. Kortom medelijden is voor veel
mensen een goede emotie die aanzet tot goede handelingen.
De stoïcijnen dachten daar heel anders over. Net als alle
andere emoties is medelijden het gevolg van een waardeoordeel. Het gevoel van medelijden
is echter altijd gebaseerd op een irrationeel en verkeerd waardeoordeel. Volgens
de stoïcijnen kan een goed virtuoos mens immers geen kwaad worden aangedaan.
Externe dingen spelen voor hem geen rol. Zoals we eerder al zagen zijn gebeurtenissen
die door de meeste mensen als een aanleiding voor medelijden worden beschouwd,
ziekte, dood van geliefden, honger en armoede, onbelangrijk voor een goed en virtuoos
leven. Medelijden wordt daarmee een sentiment dat afbreuk doet aan de
waardigheid van zowel de ‘lijdende’ als de ‘helpende’ persoon. Virtuositeit is
het enige in het leven dat echt telt. Wat er in de wereld ook gebeurt iedereen
heeft altijd de mogelijkheid tot het maken van virtuoze keuzes.
Het vermogen tot virtuositeit geldt voor alle mensen,
mannen, vrouwen, slaven en vrijen, en maakt al het andere onbelangrijk. De
waardigheid van de virtuositeit overstijgt alle toevallige verschillen in
levensomstandigheden, het is voldoende voor een goed leven. Al het andere is
van ondergeschikt belang. De enige manier waarop iemands welzijn geschaad kan
worden is door het maken van verkeerde, niet virtuoze, oordelen. Als iemand
‘lijdt’ is dat onvermijdelijk het gevolg van zijn verkeerde oordelen. Voor een
stoïcijn is een verkeerd oordeel iets slechts en de enige juiste reactie op het
‘lijden’ van een ander is dus afkeuring en niet medelijden.
Dat klinkt hard en zelfs meedogenloos, maar het getuigt
juist van respect voor de ‘lijdende’ medemens. Een stoïcijn behandelt iemand dan
ook nooit als een slachtoffer, maar altijd, ongeacht zijn omstandigheden, als
een waardig, handelingsbekwaam persoon. Iemand die zijn eigen keuzes en
oordelen kan maken en die zijn eigen virtuositeit volledig zelf in de hand
heeft. Dat hij toevallig op de één of andere manier pech heeft gehad doet hier
niets aan af. Het sentiment medelijden maakt dingen belangrijk die niet echt
belangrijk zijn. Voor een stoïcijn is het dus een slechte en verwerpelijke
emotie. Als u de virtuositeit van mensen echt respecteert zult u geen
medelijden met ze hebben, want medelijden impliceert dat die personen allerlei
door rampspoed ontbrekende zaken echt nodig hebben, terwijl een virtuoos mens
die helemaal niet nodig heeft.
De emotie medelijden suggereert dat er mensen zijn die iets
missen, die op de één of andere manier minderwaardig zijn aan andere mensen die
die dingen wel hebben. Als er echt nog iets zou kunnen worden toegevoegd aan de
vermogens van een mens waardoor hun waarde wordt verhoogd of verlaagd zijn
mensen niet langer gelijkwaardig. Voor stoïcijnen zijn mensen echter altijd en
onder alle omstandigheden gelijkwaardig. De stoïcijnse consequentie van het
afwijzen van medelijden komt misschien als hardvochtig over, maar is het
onvermijdelijke gevolg van hun opvattingen over de menselijke waardigheid.
Medelijden is niet alleen strijdig met het stoïcijnse
egalitarisme en kosmopolitisme, maar is ook nog eens vaak gebaseerd op een
foute voorstelling van zaken. Medelijden voel je altijd bij dingen die je
hebben geraakt, bij dingen waar je je een voorstelling van kan maken. Het menselijke
voorstellingsvermogen is echter onbetrouwbaar. Medelijden leidt dan ook al gauw
tot een onevenwichtig wereldbeeld. Een beeld waarbij de waardigheid en
gelijkwaardigheid van alle mensen en hun gelijke rechten op hulp en
bestaansmiddelen uit het oog worden verloren. Het is niet erg waarschijnlijk
dat u van een hongersnood in Afrika of een aardbeving in China, hoe verschrikkelijk
ook, nachtenlang wakker zal liggen. Als u echter weet dat u of één van uw
geliefden volgende week een betrekkelijke kleine en onschuldige operatie moet
ondergaan is de kans behoorlijk groot dat u daar weldegelijk wakker van zult
liggen. Kortom medelijden is een beperkte en onbetrouwbare emotie die vooral
gericht is op wat u in uw directe omgeving kunt zien of op wat u zich goed kunt
voorstellen. U kunt zich nu eenmaal beter inleven in personen uit uw directe
omgeving. Dit betekent echter wel dat medelijden als een sociale en morele
drijfveer tekortschiet en zelfs gevaarlijk kan zijn.
Medelijden kan inderdaad gevaarlijk zijn. Het leidt al gauw
tot andere misschien nog wel vervelendere emoties. Iemand die medelijden voelt
accepteert daarmee bepaalde ‘foute’ waardeoordelen over het belang van ‘externe’
dingen voor het menselijke welzijn. Als u eenmaal accepteert dat die dingen
belangrijk zijn legt u uw welzijn in handen van het noodlot. En daarmee haalt u
andere negatieve emoties als angst, verdriet, woede en zelfs wraakzucht uit de
kast. Het o zo zachtmoedige en vriendelijke medelijden kan zomaar tot gevoelens
van wrok en haat leiden. Ook volgens Seneca is medelijden niet het
tegenovergestelde van wreedheid, maar juist een overdreven vorm van
wraakzuchtige woede. Het
afwijzen van medelijden heeft dan ook niets te maken met harteloosheid of
wreedheid. Het is juist het medelijden zelf die tot wreedheid en wraakzucht
leidt. Als u medelijden voelt met iemand hebt, bent u van oordeel dat bepaalde
dingen of personen uit de externe wereld belangrijk zijn. Als die dingen of
personen door iets worden aangetast reageert u met een gevoel van medelijden. Als
het om een opzettelijke aantasting gaat is de kans groot dat u daarop niet
alleen reageert met medelijden, maar ook met woede en zelfs wraakzucht. Die woede
en wraakzucht zijn het directe gevolg van hetzelfde waardeoordeel dat in eerste
instantie tot medelijden aanleiding gaf. Medelijden en wreedheid verschillen
nauwelijks van elkaar. Volgens de stoïcijnen is het niet meer dan een verschil
in intensiteit.
vrijdag 17 maart 2017
KUNNEN STOÏCIJNEN UIT DE INGEWANDEN VAN EEN VIS DE TOEKOMST VOORSPELLEN?
Stoïcijnen
geloofden in waarzeggerij. Bij moderne stoïcijnen hoor je daar tegenwoordig
niet veel meer over. Het wordt gezien als bijgeloof en daarom één van de dingen
in de stoïcijnse filosofie die niet al te serieus moeten worden genomen. Het
past in het rijtje van de zich steeds herhalende wereldbrand, vrije seks,
absoluut determinisme en het ideaal van een soort kosmopolitische wereldstaat.
Allemaal onderdelen van de stoïcijnse filosofie die zelfs in de Oudheid al
controversieel waren en die tegenwoordig als irrelevant bijgeloof onder het
tapijt worden geschoven. Toch zit er meer in die stoïcijnse waarzeggerij dan u
misschien denkt.
Van
Cicero weten we dat de stoïcijnse leraar Posidonius maar liefst vijf boeken
over waarzeggerij geschreven heeft en ook Chryssipus schijnt er het één en
ander over op papier gezet te hebben. In zijn dialoog over de waarzeggerij ‘De Devinatione’
laat Cicero bij monde van zijn broer Quintus de mening van Posidonius over
waarzeggerij horen. Net als alle andere stoïcijnen gaat Posidonius er van uit
dat de wereld materieel is. Het universum of, zoals de stoïcijnen het noemen,
de logos bestaat uit materie die helemaal doordrenkt is met pneuma of energie. Eigenlijk
zijn die materie en pneuma twee kanten van dezelfde werkelijkheid. De materie
is de passieve kant van de werkelijkheid en de pneuma de actieve kant. Het is
de pneuma die er voor zorgt dat het universum zich ontwikkelt, het zorgt er
voor dat er dingen gebeuren.
De
pneuma komt volgens Posidonius in vier gradaties: de ‘hexis’ die levenloze
dingen als water en stenen bij elkaar houdt, de ‘physis’ die er voor zorgt dat
planten groeien en reageren op de zon en water, de ‘pshyche’ die zorgt voor een
beperkt ‘dierlijk’ bewustzijn en tenslotte de ‘logike’. In deze laatste vorm is
de pneuma het sterkst geconcentreerd. Deze gradatie biedt de mogelijkheid om te
denken en redeneren.
Samen
met zijn evenknie de materie vormt de pneuma het hele universum. Het is materie,
energie, tijd, ruimte kortom de volledige natuur en daarmee alles wat er
bestaat. Hierdoor is volgens de stoïcijnen alles met alles verbonden. Dit universele
netwerk van verbondenheid wordt door de stoïcijnen ‘sympathie’ genoemd. Sympathie
vormt de samenhang van het universum. Hier komt ook het determinisme weer om de
hoek kijken. Alles wat er gebeurt heeft een oorzaak. Er bestaat een netwerk van
oorzaken en gevolgen die het hele universum onlosmakelijk met elkaar verbindt. Zoals
we al eerder zagen meenden de stoïcijnen dat dit netwerk zo complex in elkaar
steekt dat het niet anders kan dan dat het wel een eigen bewustzijn moet
hebben. Voor een stoïcijn is het universum dus een levend en zelfbewust iets. Een
iets dat zijn eigen koers vaart en zich daarbij niets aantrekt van zijn onderdelen.
En natuurlijk al helemaal niet van wat de kleine bewustzijntjes van, bijvoorbeeld,
mensen daarover denken. Het zijn onderdelen van dat bewustzijn die zonder
pardon worden ingezet voor de doeleinden van het alomvattende geheel.
Posidonius
denkt nu dat we in staat zijn om informatie van het doen en laten van dat
wereldbewustzijn te ontvangen. Met onze zintuigen kunnen we ‘zien’ wat er
gebeurt. We weten dat die zintuigen ons nog weleens willen bedriegen, maar met
ons redeneervermogen zijn we heel goed in staat bedrieglijke informatie uit te
filteren om zo ware informatie over het universum bijeen te brengen. Door waar
te nemen en na te denken kunnen we een aardig kloppend beeld van de
werkelijkheid verkrijgen. We zijn hierdoor verbonden met het netwerk van
oorzaak en gevolg dat, zoals we zagen, het hele universum omvat. Niets komt zo
maar uit de lucht vallen, alles heeft een oorzaak. Toeval bestaat niet.
Voor
de stoïcijnen betekende dit dat we in een deterministische wereld leven. Alleen
het bewuste universum zelf kent alle oorzaken, maar ook mensen zijn bewuste
wezens die voorspellingen kunnen doen over wat er gaat gebeuren. Doordat alles
met alles verbonden is, is het helemaal niet zo’n rare gedachte dat je uit
gebeurtenissen in de natuur voorspellingen kunt doen over wat er in de toekomst
gaat gebeuren. We hoeven het onderliggende mechanisme van oorzaak en gevolg
niet helemaal te doorgronden om toch uit bepaalde gebeurtenissen voorspellingen
te doen. Zo kun je zonder iets van meteorologie te weten toch voorspellen dat er
als de lucht donker wordt en het begint te waaien een regenbui aankomt.
Volgens
Posidonius werken ook toekomstvoorspellingen volgens dit principe. We kennen
het mechanisme van alle oorzaken en gevolgen misschien niet, maar we kunnen wel
bepaalde patronen ontdekken. Aan de hand van die patronen kan een waarzegger
voorspellingen doen. Doordat alles met alles verbonden is, moet het immers mogelijk
zijn om iets over de toekomst te zeggen. Eenvoudige voorspellingen zoals het
voorbeeld over het weer kan iedereen maken, maar ook complexere voorspellingen
zijn in theorie mogelijk. Posidonius dacht dat er mensen bestonden die op de
één of andere manier een sterkere connectie met de pneuma hadden dan de
gemiddelde mens. Ze beschikten misschien over een extra zintuig, of over een
beter ontwikkelde of afwijkende ratio, die hen een bijzondere connectie met het
universum gaven. Die connectie maakte het voor hen mogelijk om de toekomst
beter te voorspellen dan een leek. De romeinse Augures waarzeggers konden zo
aan de vlucht van vogels zien wat de toekomst bracht en andere waarzeggers
gebruikten de ingewanden van een vis om het lot te voorspellen.
Het
is natuurlijk onzin om uit de vliegrichting van vogels of de darmen van een vis
een voorspelling over de toekomst te doen. Toch was het hele concept van
Posidonius opmerkelijk modern en wetenschappelijk. Ook de hedendaagse
wetenschap gaat er van uit dat elke gebeurtenis een oorzaak heeft. Niets gebeurt
puur toevallig, alles wordt door iets veroorzaakt. Voor de stoïcijnen bestond
toeval niet. Toeval was gewoon een gebeurtenis waarvan de oorzaak onbekend was.
Aan de hand van steeds terugkerende patronen kunnen ook als de oorzaak onbekend
is statistische voorspellingen worden gedaan. Dat Posidonius dacht dat uit de
vlucht van vogels of uit de ingewanden van een vis bepaalde patronen konden
worden afgeleid die iets over de toekomst zeggen is nogal vreemd. Uit de
ingewanden van een vis kun je hooguit voorspellen dat je ziek wordt als je
ervan eet, omdat de vis bedorven is. Toch is het hele concept dat toeval niet
bestaat en dat alles een oorzaak heeft helemaal zo gek nog niet.
zondag 26 februari 2017
EEN STOÏCIJNS MEDICIJN TEGEN EEN ENGE ZIEKTE
De stoïcijnen kenden een medicijn tegen de hedonistische
adaptatie, een medicijn dat nu nog steeds even effectief is als in de Oudheid. U
zult wel denken wat heeft filosofie met een enge ziekte te maken? Sinds wanneer
doen de stoïcijnen aan geneeskunde? Stoïcijnse leraren zagen zich zelf vaak als
dokters die medicijnen zochten om het menselijk lijden te verlichten.
Hedonistische adaptatie is geen enge ziekte het is de psychologische
neiging dat ons geluksgevoel altijd probeert terug te keren naar een bepaald
basisniveau. Een nieuwe televisie, een nieuwe iPod of een loonsverhoging kunnen
u tijdelijk opbeuren, maar dan slaat de gewenning toe en keert u terug naar uw
gebruikelijke geluksniveau. U raakt gewend aan het nieuwe en u past u eraan
aan. Al gauw ontstaan er nieuwe wensen. We zitten eigenlijk bijna allemaal in
een soort vicieuze cirkel. Er is iets wat we heel graag willen hebben: een
droombaan, een prachtig huis of de ideale partner. Als we na heel wat
inspanningen uiteindelijk datgene wat we zo graag wilden hebben gekregen hebben
zijn we een tijdje zielsgelukkig. Maar we raken al gauw aan onze nieuwe
situatie gewend en gaan op zoek naar een volgende uitdaging. Naar een volgend
verlangen dat, denken we, zodra eenmaal vervuld ons leven perfect zal maken.
Maar we zullen algauw ontdekken dat ook de vervulling van die volgende wens
niet tot het o zo gehoopte geluk zal leiden. De hedonistische adaptatie slaat
ook nu weer toe.
De stoïcijnen zochten naar een methode om die vicieuze
cirkel van verveling en steeds maar weer nieuwe verlangens te doorbreken. Als het
mogelijk is de hedonistische adaptatie te doorbreken zou je je veel langer
tevreden en gelukkig kunnen voelen met de dingen die je hebt. Je zou de stress
van het telkens maar weer nieuwe verlangens na te jagen kunnen voorkomen. Om
hun geluksgevoel in stand te houden gebruikten de stoïcijnen een techniek om deze
hedonistische adaptatie te dwarsbomen. Bij de oefening gaat het er om om de
dingen die u heeft niet langer als vanzelfsprekend te beschouwen.
Hoeveel
spullen heeft u niet waar u ooit van droomde om ze te hebben en die nu de
gewoonste zaak van de wereld zijn geworden. Zelfs degene die ooit de partner
van uw dromen was is nu een vanzelfsprekendheid die naast u in bed ligt te
snurken. Maak er dus een gewoonte van om u regelmatig voor te stellen dat u de
spullen waar u aan gewend bent niet meer zou hebben. Stelt u eens voor hoe het
zou zijn als er geen water meer uit de kraan zou komen of als u geen zacht
matras meer zou hebben maar op de grond zou moeten slapen. Hoe zou het zijn zonder
die goed gevulde bankrekening, zonder vervoer of zonder voedsel? Doe het zelfde
met de mensen die u omringen. Hoe zou het zijn als uw partner u zou verlaten
(okay voor sommige mensen zou dat een gevoel van opluchting kunnen opwekken),
of als u geen familie of vrienden zou hebben. Door deze oefening regelmatig te
doen zult u de dingen en mensen die u omringen beter gaan waarderen en kunt u
de hedonistische adaptatie te slim af zijn. Misschien komt u zelfs zo ver dat u
in plaats van steeds weer nieuwe dingen te willen hebben gaat leren te
verlangen naar de dingen die u al heeft. Ik weet dat het makkelijker gezegd is
dan gedaan, maar door deze oefening regelmatig te doen kunt u zich gelukkiger
gaan voelen.
U zou nu kunnen opmerken dat dit nu niet bepaald een gezellige
oefening is. Maakt zo’n oefening een stoïcijn in niet tot een chagrijn die
ieder leuk moment voor zich zelf en zijn omgeving verpest door meteen aan iets
vervelends te denken. Tijdens een gezellig dinertje in een romantisch
restaurant denkt hij aan de mogelijkheid dat er brand in de keuken uitbreekt,
of dat hij en zijn tafelgenoot een voedselvergiftiging oplopen. Het is zeker
een risico dat de leerling van dit soort gedachten depressief zou kunnen worden.
Dat is natuurlijk niet de bedoeling van deze techniek. Een stoïcijn zal tijdens
een romantisch dinertje aan niets anders dan het eten op zijn bord en de
persoon tegenover hem denken.
De negatieve visualisatie techniek zal niet vaker dan een
paar keer per week of hooguit een paar keer per dag worden toegepast. Bovendien
is het niet de bedoeling dat u gaat piekeren en zich zorgen gaat maken. Het is
juist de bedoeling dat u door zo nu en dan te denken over een bepaald verlies,
de dingen meer gaat waarderen. In plaats van een chagrijnig figuur te worden
zult u daardoor juist vrolijker worden. Seneca zei het zo:
“Iemand die zich dit eigen heeft
gemaakt wordt, of hij dat nu wil of niet, blij en doortrokken van een blijvend
gevoel van levensvreugde. Hij verheugt zich over wat hem eigen is en verlangt
niet meer naar wat zijn vermogens te boven gaat.” (Seneca: Over het gelukkige
leven IV).
woensdag 8 februari 2017
DE INVLOED VAN DE STOÏCIJNEN
Marcus Aurelius wordt wel eens de laatste stoïcijn van enige
betekenis genoemd. Maar het stoïcisme is met het einde van het Romeinse Rijk
niet zomaar van de aardbodem verdwenen. Al dan niet in het verborgene bleef
deze filosofie door de eeuwen heen zijn aanhangers houden. Vooral Seneca bleef
populair. Alleen al omdat hij in het Latijn schreef terwijl de geschriften van
Epictetus en Marcus Aurelius in het Grieks waren geschreven. Een taal die in de
Middeleeuwen zo goed als vergeten was geraakt. De apostel Paulus (5-67) heeft in
Athene stoïcijnse filosofen ontmoet en gesproken. Er bestaat zelfs een fictieve
briefwisseling tussen Paulus en Seneca. Dit is een Middeleeuwse vervalsing
gebleken, maar dat neemt niet weg dat hij wel een tijdgenoot van Seneca was en
dat in de Middeleeuwen lange tijd niet aan de authenticiteit van die brieven
werd getwijfeld. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat Dante (1265-1321) in
zijn ‘Goddelijke Komedie’ stoïcijnse filosofen als Seneca en Cicero in het
voorgeborchte van de hel plaatste. De plek waar zich de deugdzame heidenen
bevonden.
Toch werd er pas aan het eind van de Middeleeuwen weer openlijk
over de stoïcijnse filosofie gesproken en vooral geschreven. Erasmus
(1466-1536) zag Seneca als een belangrijk filosoof en zorgde voor de heruitgave
van zijn werk. Montaigne (1533-1592) gebruikte Seneca als voornaamste
inspiratiebron voor zijn ‘Essais’. Zelfs Calvijn (1509-1564) schreef over
Seneca. Ook al vond hij het maar niets dat de stoïcijnen ‘medelijden’ niet als
een deugd aanmerkten en zelfmoord niet als iets slechts zagen. Ook in de
toneelstukken van Shakespeare (1564-1616) vallen duidelijke stoïcijnse
invloeden te ontdekken.
In de renaissance ontstond er in de Lage Landen zelfs een
filosofische stroming die het neo-stoïcisme werd genoemd. Het neo-stoïcisme van
met name de Nederlandse filosoof Justus Lipsius (1547-1606) probeerde de stoa
met het christendom te combineren. Hij dacht dat er veel overeenstemming tussen
het stoïcisme en het christendom bestond. Een verzoeningspoging die tot
interessante ideeën heeft geleid, maar uiteindelijk toch tot mislukken gedoemd
was. De Franse filosoof Descartes (1596-1650), die bijna zijn gehele productieve
leven in de Nederlanden woonde, werd sterk beïnvloed door de stoïcijnen. Een andere
Franse filosoof Blaise Pascal (1623-1662) vond de stoïcijnen te trots en
arrogant, maar dat weerhield hem er niet van om in zijn beroemde ‘Pensées’
uitgebreid uit de stoïcijnse boeken te citeren. Zonder bronvermelding dat dan
weer niet. De Nederlandse rechtsgeleerde Grotius (1554-1640) was een welhaast onverbloemd
stoïcijn. Iets wat in die dagen levensgevaarlijk kon zijn. Ook de beroemdste
Nederlandse filosoof Spinoza (1632-1677) heeft elementen van het stoïcisme in
zijn filosofie opgenomen.
Aan het eind van de twintigste en het begin van de
eenentwintigste eeuw is er een groeiende belangstelling voor de stoïcijnse
filosofische traditie ontstaan. Vreemd genoeg kwam die hernieuwde
belangstelling niet uit de filosofie maar uit de psychologie. De zogenoemde
cognitieve gedragstherapie van Aaron Beck en Albert Ellis is voor een
belangrijk deel gebaseerd op stoïcijnse inzichten. Nu nieuwe psychologische
bevindingen de doeltreffendheid van de stoïcijnse methode ‘bewijzen’ ontstaat
er ook steeds meer interesse voor de achterliggende wereldbeschouwing. Het
stoïcisme is dus een levende filosofie die zich steeds verder ontwikkelt heeft
en die zich aan de omstandigheden van zijn tijd heeft weten aan te passen.
Kortom het is een tegelijkertijd eeuwen oude als moderne, levende en nog steeds
in beweging zijnde filosofie.
maandag 23 januari 2017
DE SPIEGEL EN DE PEN VAN MARCUS AURELIUS
Na Seneca, een eerste minister, tweede man onder de keizer, en Epictetus een
slaaf, is het nu tijd voor een stoïcijnse keizer. Marcus Aurelius werd geboren in Rome in het jaar 121, in een tijd dat het
Romeinse Rijk op het hoogtepunt van zijn macht was. Hij was de zoon van de
vooraanstaande edelen Annius Verus en Domitia Lucilla. De toenmalige keizer
Hadrianus was zeer gesteld op de jonge Marcus, en op zijn aandringen werd
Marcus geadopteerd als zoon van de door Hadrianus als zijn opvolger benoemde
Antonius Pius. In 161 besteeg Marcus, na jarenlang tweede man van keizer
Antonius Pius te zijn geweest, de troon. Na een lange periode van vrede kreeg
de nieuwe keizer al snel te maken met Germaanse invasies in onder meer Italië
en Griekenland. Tegelijkertijd werd het rijk in het Oosten aangevallen door
zijn Parthische buren. Cassius, een generaal waar Marcus veel vertrouwen in
stelde, versloeg hen en veroverde het Parthische rijk, maar kwam, na geruchten
over de dood van Marcus, in opstand. Een opstand die in de kiem gesmoord werd
omdat de soldaten van Cassius in overgrote meerderheid trouw aan Marcus bleven.
Marcus had les gehad
van stoïcijnse leraren en beschouwde zich zelf als een stoïcijn. Hij was de
laatste keizer uit de periode die bekend staat als de tijd van de vijf goede
keizers. De regeerperiode van de keizers Nerva, Trajanus, Hadrianus, Antonius
Pius en Marcus Aurelius wordt beschouwd als de gouden eeuw van Rome. Opvallend,
en misschien niet helemaal toevallig, is het dat al deze keizers in meer of
mindere mate door het stoïcisme geïnspireerd waren.
Het was tijdens zijn veldtochten
tegen de verenigde Germaanse stammen rond het jaar 170 dat Marcus een dagboek begon
bij te houden. Hij noemde ze in het Grieks ‘Ta eis heauton’, geschriften aan
zich zelf gericht. Deze beroemde ‘Meditaties’ of ‘Overpeinzingen’ van Marcus
Aurelius waren helemaal niet voor publicatie bedoeld. ‘De Overpeinzingen’ zijn
in het Grieks geschreven en zijn echt niet meer dan de gedachten van Marcus
voor eigen gebruik. De stoïcijnse leraren gaven hun leerlingen vaak de opdracht
om een dagboek bij te houden, waarin ze alle gebeurtenissen waardoor ze uit hun
evenwicht raakten moesten noteren. Niet zomaar een feitelijke weergave, maar
vooral een filosofische analyse waarin Marcus zich zelf toespreekt en
aanmoedigt om zich voortaan beter aan de adviezen van zijn stoïcijnse leraren
te houden.
Marcus stierf in het
jaar 180 tijdens een veldtocht in de buurt van het Romeinse Wenen. Hij had
opdracht gegeven om zijn dagboeken na zijn dood te verbranden. Gelukkig voor
ons heeft iemand zich niet aan zijn bevelen gehouden. De tekst zoals we die nu
kennen, is ingedeeld in twaalf kleine boeken en is één van de bekendste authentieke
stoïcijnse teksten. Ook in historisch opzicht zijn ‘De Overpeinzingen’ waardevol,
omdat ze ons kennis laten maken met de diepste overtuigingen en twijfels van de
heerser van een wereldrijk die een eigen plaats inneemt binnen de grotere
traditie van het stoïcisme. Het werk was bovendien favoriet bij onder anderen de
Pruisische koning Frederik de Grote en schijnt zelfs op het nachtkastje van de
Amerikaanse president Bill Clinton gelegen te hebben. Een groot deel van de inhoud
is tijdloos en heeft na tweeduizend jaar nog niets aan overtuigingskracht
ingeboet.
'Zelfonderzoek' is dus een
belangrijk oefening in het stoïcijnse programma. Alleen al het nadenken over
onszelf en ons leven, zoals we gaan doen in deze cursus, draagt bij aan
zo'n zelfonderzoek. Maar het
schrijven van dagelijkse dagboekberichten is ook een uiterst effectieve methode
voor het richten van de geest. Het helpt om je bewust te worden van
verbindingen en inzichten die anders niet opgemerkt zouden worden. Seneca merkt op:
‘Een persoon die zich er
niet bewust van is dat hij iets verkeerd doet, heeft ook geen enkele behoefte
om dat recht te zetten. Je
moet je zelf erop betrappen voordat je er iets aan kan gaan doen.' (Seneca, Brief
28-10).
We moeten afstand nemen van
onszelf, om een goed beeld te kunnen krijgen van wat voor soort persoon
we zijn, hoe we ons gedragen en hoe we omgaan met onze zaken en andere mensen. We
moeten zo nu en dan naast onszelf gaan staan om te zien wie we daadwerkelijk
zijn en hoe we ons leven leiden, zo kunnen we onszelf begeleiden, zoals een vriend
ons zou helpen om verbeteringen aan te brengen. Zo zegt Seneca tegen Lucilius, 'ik begin mijn eigen vriend te worden'
(Brief 6.4), hij merkt verder op dat alleen iemand die een vriend voor zichzelf
kan zijn ook echt een vriend voor een ander kan zijn. Je moet jezelf kennen
voordat je iets voor anderen kunt gaan betekenen.
Voor deze oefening moet u
dus een stoïcijns dagboek gaan bijhouden. Voorlopig volstaat het om alleen een
feitelijke omschrijving te geven van gebeurtenissen waardoor u van slag raakt. Dat
kunnen hele kleine dingen zijn zoals het missen van de trein, of het morsen van
koffie over dit boek. U hoeft er nog niets mee te doen, dat komt in de volgende
lessen wel aan bod. Het gaat er nu om dat u door gaat krijgen wat voor persoon
u bent. Van wat voor dingen raakt u overstuur? Wat maakt u kwaad, verdrietig en
waar wordt u angstig van. Maar u hoeft zich te beperken tot gebeurtenissen die
negatieve emoties bij u losmaken. U moet ook gaan onderzoeken van welke dingen
u blij en vrolijk wordt. Wat geeft u energie? Welke dingen maken u gelukkig? Door
dit een paar maanden vol te houden leert u zich zelf langzaam maar zeker steeds
beter kennen. Een grondige zelfkennis is de eerste stap naar een gelukkiger
leven als stoïcijns filosoof.
Abonneren op:
Posts (Atom)