woensdag 16 september 2015

DE LAATSTE WOORDEN VAN EPICTETUS AAN ZIJN ZOON



Voltaire

1763

 
EPICTETUS: Ik ga sterven; van jou verwacht ik een liefdevolle herinnering en geen overbodige tranen: ik sterf tevreden, omdat ik jou deugdzaam achterlaat.

ZOON: U hebt mij geleerd hoe te leven, maar u weet door welke onrust ik beroerd wordt. Een nieuwe sekte uit Palestina probeert mij wroeging op te dringen.

EPICTETUS: Wroeging! alleen schurken behoren dat te hebben. Jouw handen en ziel zijn zuiver. Ik heb je geleerd deugdzaam te zijn en jij bent dat geweest.

ZOON: Ja, maar die nieuwe sekte verkondigt een nieuwe deugd die ik niet ken.

EPICTETUS: Wat is dat voor sekte?

ZOON: Zij bestaat uit Joden die vodden en toverdranken verkopen en in Rome geld snoeien (1).

EPICTETUS: Dan is de deugd die zij onderrichten, de deugd van valsemunterij.

ZOON: Zij zeggen dat het onmogelijk is deugdzaam te zijn, zonder dat er stukje van de voorhuid afgesneden is, of zonder in naam van de vader en de zoon in het water ondergedompeld te zijn. Maar zij zijn het daar onderling niet over eens: de een wil wel een voorhuid, de ander niet; de een gelooft in het water, zoals Pindarus dat zo prachtig gezegd heeft; de ander onthoudt zich daarvan. Maar allemaal zeggen ze dat hen geld gegeven moet worden.

EPICTETUS: Wat? Geld? Natuurlijk moet men met zijn overvloed de armen helpen die niet kunnen werken, de mensen betalen die zo de kost kunnen verdienen en het benodigde delen met zijn vrienden. Dat is onze wet, dat is onze moraal, dat heb ik gedaan nadat Epaphroditus (2) mij dat verteld heeft en wat ik jou heb met voldoening zien doen, waardoor mijn laatste momenten gelukkig zijn.

ZOON: De filosofen waarover ik spreek eisen iets heel anders. Zij willen dat men alles wat men bezit aan hun voeten legt, tot de laatste penning.

EPICTETUS: Als dat zo is zijn het dieven en ben jij verplicht ze aan te geven bij de pretor of honderdmannen.

ZOON: O nee, het zijn geen dieven, het zijn kooplieden die je voor je geld de beste waar ter wereld leveren, want zij beloven je het eeuwige leven. En als je je geld aan hun voeten legt, zoals zij bevelen, en alleen wat achterhoudt om te kunnen eten, hebben zij de macht om je meteen te laten sterven. 

EPICTETUS: Dan zijn het moordenaars, waarvan de maatschappij zo snel mogelijk gezuiverd moet worden.

ZOON: Nee, ik zeg u dat het magiërs zijn, die verbluffende geheimen hebben en met woorden kunnen doden. Ze zeggen dat de vader hen door zijn zoon die gunst geschonken heeft. Een van hun bekeerlingen, die vreselijk stinkt, maar met veel succes in voorraadschuren predikt, vertelde me gisteren dat een van hun verwanten, met de naam Ananias (3) die, nadat hij om in de naam van de vader de zoon een genoegen te doen zijn boerderij verkocht had, het geld aan de voeten legde van een magiër, Simon Barjona (Petrus) geheten, maar omdat hij in het geheim wat achtergehouden had dat hij nodig had voor zijn zoontje, op slag gestraft werd met de dood. Zij vrouw volgde. Barjona liet haar eveneens sterven door een enkel woord uit te spreken. (Handelingen 5:1-6)  

EPICTETUS: Mijn zoon, dat zijn afschuwelijke lieden. Als dat waar is, zijn zij de verachtelijkste mensen op aarde. Ze hebben jou belachelijke verhalen verteld. Jij bent een goed kind, maar ik ben bang dat je een dwaas bent en dat stoort mij.

ZOON: Maar, vader, het is duidelijk dat als je het eeuwige leven kunt krijgen door je bezittingen aan Simon Barjona te geven, je een goede koop gedaan hebt.

EPICTETUS: Mijn zoon, geloof me, omgang hebben met het Opperwezen heeft niets van doen met jouw Simon Barjona. God is zeer goed en zeer groot, Deus optimus maximus, die mensen bezielde als Cato, Scipio, Cicero, Aemilius Paulus en Camillus. Hij is de vader van goden en mensen en heeft zijn macht vast niet in handen van de Joden gegeven. Ik wist wel dat die ellendelingen gerekend werden tot de bijgelovigste volkeren van Syrië, maar niet dat zij hun waanzin zover doordrijven dat zij zich de belangrijkste dienaren Gods noemen.

ZOON: Maar vader, zij verrichten doorlopend wonderen (Hier grijnsde de goedmoedige Epictetus). U grijnst, vader, u haalt uw schouders op.

EPICTETUS: Helaas! een stervende heeft amper zin om te lachen, maar jij dwingt mij daartoe, mijn arm kind. Heb jij wonderen gezien?

ZOON: Nee, maar ik heb mensen gesproken die vrouwen hadden gesproken, die zeiden dat hun petemoeien ze hadden gezien. En dan die mooie moraal van de Joden, die geen voorhuid hebben en zich vervolgens van top tot teen wassen!

EPICTETUS: En wat zijn dan de morele voorschriften van die lieden?

ZOON: Op de eerste plaats dat een rijke geen rechtschapen mens kan zijn en dat het voor hem veel moeilijker is het koninkrijk der hemelen te verwerven dan dat een kameel door het oog van een naald gaat (4), waarvoor de rijken hun bezittingen moeten schenken aan die schooiers die dat koninkrijk of die tuin verkondigen;
2° Dat gelukkig zijn voorbehouden is aan de dwazen, de armen van geest (5);
3° Dat iedereen die niet komt luisteren naar de bijeenkomst van die schooiers, evenzeer veracht moet worden als een belastingontvanger (6);
4° Dat je, als je niet je vader, moeder en broeders haat, geen deel zult hebben aan het koninkrijk of die tuin (7);
5° Dat je het zwaard moet brengen en niet de vrede (8);
6° Dat als je een bruiloft houdt, alle voorbijgangers gedwongen moeten wordt dat feest bij te wonen en degenen die geen bruiloftskleed aan hebben in de buitenste duisternis geworpen moeten worden (9).

EPICTETUS: Helaas! mijn dwaas kind, ik stond net op het punt me dood te lachen, maar nu heb ik het gevoel dat jij mij laat sterven van verontwaardiging en smart. Als de ongelukkigen over wie je spreekt de zoon van Epictetus verleiden, zullen ze dat ook met heel wat anderen doen. Ik voorzie verschrikkelijke ellende op aarde. Zijn er veel van die bezetenen?

ZOON: Zij nemen dag na dag in aantal toe; ze hebben een gemeenschappelijke kas waaruit ze enkele Grieken betalen die voor hen schrijven. Ze hebben geheimen bedacht; ze verlangen een onverbrekelijke geheimhouding; ze hebben bezielde mensen aangesteld die over al hun belangen beslissen en niet dulden dat lieden van de sekte ooit hun zaak bepleiten ten overstaan van de gezagsdragers.

EPICTETUS: Imperium in imperio (Een staat in de staat). Mijn zoon, alles is verloren.


EINDE VAN DE DIALOOG.

NOTEN

[1] In 1771 heeft Voltaire bij de Joden verschoning gevraagd vanwege deze beschuldiging. (Geld snoeien is munten verkleinen door daar een rand van af te halen.)
[2] Vrijgelaten slaaf van Nero en later beschermheer van Epictetus.
[3] Lucas vertelt in de Handelingen der Apostelen, 1:10, over het voorval met Ananias. (B.)
[4]  Matth. 19:24.
[5]  Ibid., 5:3.
[6]  Ibid., 18:17.
[7]  Luc. 14:26; en Matth. 10:36-38.
[8]  Matth. 10:34.
[9]  Ibid., 12:43. 

 

Pas in 1768 werd deze dialoog opgenomen in de verzamelde werken van Voltaire (deel zeven van de Nieuwe Mengelwerken (Nouveaux  Mélanges)). Het stuk was opgenomen in de Noodzakelijke samenvatting (Recueil nécessaire), uit 1765, in-8°, een boek dat ondanks de datering, ik geloof van 1767, verschillende drukken heeft beleefd, of onder de titel Recueil nécessaire, of onder die van het Évangile de la raison. Voltaire was zelf de uitgever van het Recueil nécessaire, dat vrijwel geheel samengesteld was uit werken van zijn hand. Het verwijt dat Voltaire de Joden maakt over het geld snoeien was hen al eerder gemaakt in Saul, derde acte, scène1; maar dat is onvoldoende om te beweren dat de Laatste Woorden ook uit 1763 zijn, het jaar waarin ik het werk plaats. 
— Het is niet bekend of Epictetus een zoon had, maar hij had zich wel na de dood van een van zijn vrienden over diens zoon ontfermd.


Adrien-Jean-Quentin Beuchot (1773-1851)

woensdag 19 augustus 2015

STOICISME EN DE MENSELIJKE CONDITIE

De populariteit van het stoïcisme groeit. Na eeuwen in de schaduw van Plato en Aristoteles te hebben gestaan is de belangstelling voor deze Hellenistische filosofie duidelijk toegenomen. Niet alleen onder academici, maar juist ook onder ‘gewone’ geïnteresseerde mensen die op zoek zijn naar een praktische filosofie om hun leven zin en richting te kunnen geven.

Stoïcisme wordt wel een crisisfilosofie genoemd. Een filosofie die vooral in moeilijke tijden de kop weer opsteekt. In de Romeinse keizertijd was een maatschappelijk bewogen persoon zijn leven niet zeker. Het ene moment was je de trotse eigenaar van een prachtige villa aan de baai van Baiae en het volgende moment was je één van de attracties in het Colosseum. Het zelfde gold in de periode van het neo-stoïcisme. Een periode die gekenmerkt werd door godsdienstoorlogen en op het geloof gebaseerde vervolgingen.

Toch is het stoïcisme meer dan alleen een crisisfilosofie. Natuurlijk is het wel zo dat de stoïcijnse levenshouding zich uitstekend leent voor moeilijke tijden, maar daar blijft het niet bij. Het is een filosofie die een wezenlijk antwoord biedt op de menselijke conditie. De stoïcijnse leraren wijzen ieder op hun eigen manier op de eindigheid van het menselijke leven en op de beperkte mogelijkheden om invloed op dat leven te kunnen uitoefenen.

Ons leven is van nature maar een klein momentje in de eeuwigheid. En onze sterfelijkheid maakt dat we maar weinig invloed op de externe wereld kunnen uitoefenen. We hebben er niets over te zeggen of we ziek worden, of we een ongeluk krijgen en al helemaal niet over de vraag hoe en wanneer we zullen sterven. We kunnen natuurlijk gezond leven en ons uiterste best doen om een medicijn tegen kanker te vinden, maar daarmee kunnen we het simpele feit dat we sterfelijk zijn niet veranderen. En niet alleen wij, maar iedereen die we in dit leven ontmoeten zal ooit moeten sterven. Onze tijd is beperkt en het moment of de wijze waarop we het leven gaan verlaten ligt ver buiten onze invloedssfeer.

Ik zeg dit niet om morbide of overdreven pessimistisch over te komen. Het is geen frustratie over de onmacht om de wereld naar mijn hand te zetten, het is gewoon de feitelijke situatie. Niets meer en niets minder. Het stoïcisme geeft, net als de andere praktische Hellenistische filosofieën, een antwoord op die situatie. Een fundamenteel antwoord over wat het betekent een eindig leven te hebben en over beperkte middelen te beschikken te midden van een wereld vol krachten die ons op ieder moment kunnen overmeesteren.

Een antwoord dat onder alle omstandigheden relevant is. Zo adviseert Seneca zijn vriend Lucilius om zowel in goede als in slechte tijden te mediteren over wat wel en wat niet in onze macht ligt. Succes ligt net zo min binnen onze invloedssfeer als mislukking. Ze zijn allebei net zo goed het gevolg van onberekenbare externe krachten als van onze eigen inspanningen. De stoïcijnse levenshouding tegenover succes of falen is dan ook een gevoel van nederigheid tegenover krachten die ons vermogen ver te boven gaan. We zijn niets meer dan een tijdelijke verzameling materie die binnenkort zal verwaaien en zal worden vergeten. Of zoals Samuel Becket het zegt:

“They give birth astride a grave,
The light gleams an instant,
Then it is night once more.


woensdag 29 juli 2015

STOICIJNSE MINDFULNESS

Oosterse godsdiensten, zoals Boeddhisme, oefenen een grote aantrekkingskracht uit op de moderne gestreste mens. Mindfulness is een uit de Boeddhistische traditie voortgekomen methode om je op een zachtmoedige niet-reactieve manier bewust te zijn van wat er in de wereld om je heen, en in de wereld binnen in, met je gebeurt. De westerse wetenschap heeft zich er over ontfermd en tegenwoordig is deze mindfulness niet meer uit de moderne psychotherapie weg te denken.

Weinig mensen weten echter dat ongeveer gelijktijdig met Boeddha ook de stoïcijnen een vorm van mindfulness hebben ontwikkeld. De stoïcijnen noemen het ‘prosochê’: niet aflatende aandacht voor wat je denkt en doet. In zoverre wijkt het wel wat af van de doorsnee oosterse mindfulness. Een stoïcijn zal zich niet zo zeer met zijn ademhaling bezighouden, maar zal zich vooral bewust proberen te zijn van zijn innerlijke toestand. Het gaat om vragen als: Wat ben ik aan het doen? Wil ik dit ook echt doen? En vooral wat denk en voel ik op dit moment? Dat neemt trouwens niet weg dat een ademhalingsmeditatie prima met een stoïcijnse praktijk valt te combineren.

Epictetus schrijft over ‘Prosochê’:

“'Vandaag wil ik spelen', zegt ge. Wat belet u met aandacht te spelen? 'Ik wil zingen', zegt ge. Wat belet u met aandacht te zingen? Er bestaat toch geen gebied in het leven waar het schenken van aandacht niet van toepassing kan zijn? Denkt ge dan dat ge een taak slechter zult verrichten met aandacht en beter zonder aandacht? Is er iets in het leven wat beter gedaan kan worden door hen die hun aandacht niet gebruiken? Gaat de timmerman nauwkeuriger te werk wanneer hij geen aandacht aan zijn werk geeft? Stuurt de stuurman het schip veiliger wanneer hij geen aandacht schenkt? En wordt enige andere eenvoudige bezigheid beter tot een einde gebracht door geen aandacht te schenken?
Wanneer u uw aandacht voor een klein ogenblik laat verslappen, denk dan niet dat ge haar weer terug kunt vinden wanneer ge maar wilt. Integendeel, bedenk toch dat ge er ook wat alle andere dingen betreft, noodzakelijkerwijs slechter aan toe zijt door uw vergissing van vandaag. Want eerst ontstaat de gewoonte om geen aandacht te schenken - en dat is het ergste van alles - en vervolgens om het moment van aandacht schenken uit te stellen. Dan gewent ge u om goed en waardig gedrag steeds verder uit te stellen en ook de noodzaak om te leven volgens uw ware natuur en daarin te volharden. Indien uitstellen van nut zou zijn, dan zou het geheel en al opgeven van de aandacht van nog meer nut zijn. Maar indien het opgeven geen nut heeft, waarom bewaart ge dan niet voortdurend uw aandacht?”

Een stoïcijn in opleiding, een zogenoemde ‘prokopton’, moet zich zelf dus door en door leren kennen. Hij moet als een bioloog die een vreemd insect onderzoekt zijn dagelijkse bezigheden en gevoelens onder een vergrootglas leggen. Van een afstandje moet hij kijken hoe hij reageert op de dingen die hem overkomen. Hij moet zien hoe hij oordeelt over dingen die al dan niet in zijn macht liggen.

‘Prosochê’ is daarmee de belangrijkste spirituele oefening voor een leerling stoïcijn. Het is niet de bedoeling om een oordeel over jezelf te vellen. Het gaat erom om mild en niet oordelend te observeren wat er zich in je af speelt. Vaak is dat al genoeg om veranderingen in gang te zetten. Door te zien dat je van streek raakt of zelfs kwaad wordt door dingen en gebeurtenissen waar je geen enkele invloed op hebt wordt je je vaak ook bewust van de zinloosheid van die emoties. Misschien kan je daardoor de hoeveelheid negatieve emoties in je leven wel verminderen.

Door je gedrag van een afstandje te bestuderen ontdek je bepaalde vaste gedachtenpatronen met de daar bij behorende gevoelens. Je zou bijvoorbeeld de volgende gedachtentrein kunnen hebben: “Je trein is weer eens te laat, je loopt het risico voor de derde keer deze week te laat op je werk te komen, je baas keek de vorige keer dat je te laat kwam behoorlijk bedenkelijk, bij de volgende ontslagronde zou het zomaar kunnen dat jij het bent die ontslagen wordt, je kunt dan je hypotheek niet meer betalen, misschien gaat je vrouw dan wel bij je weg enzovoort, enzovoort”. En dat dan allemaal met de bijbehorende gevoelens van angst en onmacht. Een gedachtenpatroon dat steevast de kop op steekt als er weer eens een trein vertraging heeft.


Als je je leven met de ‘prosochê’ methode in de gaten houdt zal je zonder enige twijfel een heel scala van dergelijke automatische gedachtentreinen ontdekken. Door je zelf aandachtig in de gaten te houden leer je op een gegeven moment de eerste tekenen van zo’n patroon te herkennen. Dat geeft je dan de gelegenheid om (het liefst in gedachten) je zelf een luid HALT! toe te roepen. Je kunt je leven aanzienlijk vereenvoudigen door een aantal van die treinen op te geven. Zo kan je door stoïcijnse mindfulness toe te passen je leven stapje voor stapje een beetje leuker maken.

zondag 19 juli 2015

VOORLOPERS VAN DE STOÏCIJNEN: DE NATUURFILOSOFEN EN DE SOFISTEN

De Griekse filosofie begint omstreeks 600 v. Chr. Met het optreden van Thales van Milete. Milete was een stadsstaatje in Klein-Azië. Er bestonden in die tijd in het gebied van het huidige Griekenland een groot aantal autonome stadsstaatjes met onderling zeer verschillende sociale en politieke systemen. Het bergachtige landschap bemoeilijkte onderlinge contacten. Het landschap leidde er ook toe dat er nauwelijks handel over de slecht begaanbare wegen plaatsvond. De, vaak aan zee gelegen, stadsstaatjes kozen er liever voor om over zee handel te voeren. De zeevaart bracht de Grieken vanuit hun moederland naar Klein-Azië en Zuid-Italië, waar koloniën werden gesticht.

Op die manier werden de Grieken geconfronteerd met de hoogontwikkelde beschavingen uit Egypte en het tweestromenland. Deze confrontatie met culturen die een volstrekt ander wereldbeeld hadden maakte dat de kolonisten het vertrouwen in hun eigen mythologische tradities begonnen te verliezen. Daarmee begon het filosofische denken. Men ging zelfstandig en kritisch nadenken over de ware aard van de werkelijkheid. Veel van de eerste filosofische theorieën doen nu primitief aan, maar ze leverden de basis voor de klassieke filosofische stelsel van Plato, Aristoteles en de Stoïcijnen.

De eerste generatie natuurfilosofen probeerden de werkelijkheid uit een enkel natuurbeginsel te verklaren. Zo betoogde Thales dat water het grondelement is van alle verschijnselen in het universum. Heraclitus dacht dat vuur het oerelement was, en weer anderen wezen aarde of lucht aan. De theorieën werden steeds abstracter. Zo stelde Pythagoras dat het universum is opgebouwd volgens wiskundige verhoudingen. Achter de waarneembare werkelijkheid schuilt dus een harmonieuze rationele orde, die weerspiegeld wordt in het wiskundige denken van de mens. Hier uit zich al de rationalistische tendens van de Griekse filosofie: het redelijke staat boven het zintuiglijk waarneembare, de geest staat boven het lichaam en kennis ontstaat door denken en niet door zintuiglijke waarneming.

Uit deze periode stamt een belangrijk deel van de stoïcijnse fysica. Het was de natuurfilosoof Heraclitus, ook wel de Griekse Lao-zi genoemd, die de basis legde voor de stoïcijnse kosmologie. Volgens het conflictmodel van deze Heraclitus bestaat de rationele orde van de kosmos uit een dynamisch evenwicht van tegengestelde krachten. Hij zei dat de strijd van tegendelen de vader was van alle dingen. Het universele evenwicht is onderhevig aan voortdurende verandering: alles vloeit niets is vast. Het betreft de strijd tussen beginselen als ontstaan en vergaan, leven en dood, haat en liefde, licht en donker (Yin en Yang). Zulke contraire beginselen kunnen niet zonder elkaar: het goede bestaat alleen in contrast met het slechte. Ook de menselijke samenleving is een uitvloeisel van deze dialectische kosmische strijd.

Hiertegenover staat bijvoorbeeld het statische model van Parmenides. Volgens hem is alle verandering in de waarneembare natuur een illusie. Achter die illusie schuilt een onveranderlijke rationele werkelijkheid.

De Griekse natuurfilosofen ontwikkelde zo een veelheid van onderling tegenstrijdige theorieën over de aard van de werkelijkheid. Theorieën die onmogelijk allemaal tegelijkertijd waar konden zijn. Dit riep in de vijfde eeuw voor Christus de sceptische anti-rationalistische filosofie van de sofisten op. We kennen de filosofie van de sofisten vooral uit de werken van Plato. Plato geeft een nogal gekleurd en niet al te rooskleurig beeld van de sofisten. De sofistische theorieën worden zo gebracht dat de figuur Socrates in de dialogen van Plato geen enkele moeite heeft om ze te vloeren. Toch zijn er weldegelijk interessante theorieën door de sofisten ontwikkeld.

Bij de natuurfilosofen heerste al een vrij algemene twijfel aan de zintuigelijke waarneming als bron van kennis. De sofisten trokken nu ook de betrouwbaarheid van de rede in twijfel en kwamen zo tot een sceptische kennistheorie. Ze hielden objectieve waarheid voor onmogelijk. Zo betoogde Cratylus dat de werkelijkheid zo veranderlijk en chaotisch is, dat ze geen enkel houvast aan het denken biedt. Zijn ontologie is dus verwant aan die van Heraclitus, maar mist diens veronderstelling van een achterliggende rationele orde. Andere sofisten trokken een minder vergaande conclusie. Zij stelden dat zelfs als er een rationele orde van de waarneembare verschijnselen zou bestaan, deze onkenbaar zou wezen. Van de wereld zoals die zich aan onze zintuigen presenteert is daarom slechts een relatieve kennis mogelijk. Relatieve maatstaven gelden niet zonder meer voor iedereen en voor altijd.

De belangrijkste sofist was Protagoras. Protagoras leefde rond 450 v. Chr. tijdens de Peloponnesische oorlog. Een oorlog die door Athene dramatisch werd verloren. In deze periode was de staatsinrichting van deze stadsstaat voornamelijk aristocratisch. Tijdens de oorlog groeide het toch al bestaande democratisch verzet en uiteindelijk kreeg de democratische fractie de overhand. De politieke besluitvorming en de rechtspraak kwam zo in handen van grote groepen burgers. Daardoor gaat ook de retorica, als kunst van het overreden, een belangrijke rol spelen in de filosofie van de sofisten. De sofisten traden op als rondtrekkende leermeesters, die lesgaven in de kunst van het overreden. Het behalen van een overwinning in een debat werd de maatstaf waaraan de waarde van alle relatieve waarheden werd gemeten. De sofisten laten objectieve maatstaven los, zodat waar en onwaar, goed en slecht niet meer lijken te bestaan. Ze lijken alleen nog maar belangstelling te hebben voor succes en macht. Bovendien lieten ze zich voor hun lessen betalen. In het Griekenland van die tijd gold dat als onwaardig.

Van Protagoras is de beroemde uitspraak dat de mens voor de mens de maatstaf is van alle dingen. Hij ontkent daarmee het bestaan van welke objectieve waarheid dan ook. De ene mening kan beter zijn dan de andere, maar niet meer waar. Er bestaat volgens hem geen volstrekt objectieve waarheid in de zin van correspondentie met de werkelijkheid, maar alleen intersubjectieve waarheid in de zin van overeenstemming tussen discussiepartners. Een dergelijke waarheid is tijd en plaats gebonden. Er moet beslist worden op grond van de subjectieve mening die mensen er op dat moment toevallig op nahouden. Daarom is retorische vaardigheid volgens Protagoras dan ook uiterst belangrijk.

Het grote stoïcijnse voorbeeld Socrates en zijn ‘biograaf’ Plato kwamen met een reactie op het sofistische relativisme. Daarover meer in een volgende blog.

zondag 12 juli 2015

NATURALISTISCH NATUURRECHT: DE GRONDSLAG VOOR EEN STOÏCIJNSE RECHTSFILOSOFIE?

Het naturalistisch natuurrecht baseert zich op een op de biologie geïnspireerd mensbeeld. Volgens deze opvatting vertonen de verschillende levensvormen in de natuur elk een eigen ontwikkelingspatroon. Een volwassen mens leeft anders dan een volledig volgroeide mier. Daardoor is het mogelijk om voor iedere soort te bepalen welke levenswijze zijn ontplooiing het beste dient.

Uit het biologisch feit dat de mens een ingeboren drang tot overleven heeft kunnen al bepaalde minimum normen worden afgeleid. Mensen leven van nature in stamverband en hebben dus een zekere sociale organisatie nodig om te kunnen overleven. In de oertijd konden de agressieve en egoïstische trekken die de mens ook vertoont zonder noemenswaardige problemen in dit stamverband worden opgevangen. In het grotere verband van dorpen en steden is het voor de vorming van een leefbare samenleving noodzakelijk dat er bepaalde regels zijn die geweld, diefstal en contractbreuk verbieden. In een dergelijk minimaal natuurrecht worden ieders lichamelijke integriteit, het eigendomsrecht en het overeenkomstenrecht gegarandeerd door sociale controle en sancties.

Dit levert wel een erg basale en onvriendelijke samenleving op. Door ons zo gewaardeerde zaken als vrijheid en gelijkheid spelen hier geen enkele rol. Het is immers heel goed mogelijk om te overleven in ongelijkheid en onvrijheid. In de meeste landen en culturen leven de mensen zo.

De stoïcijnse natuurrechtsleer gaat echter nog een stapje verder door te stellen dat mensen niet alleen groepsdieren zijn, maar rationele groepsdieren. De neiging om in groepen te leven is immers kenmerkend voor heel wat diersoorten en niet iets specifieks van de mens. Mensen en mieren hebben beide een sociale organisatie nodig. Mieren leven in vastliggende sociale patronen met een strakke hiërarchische taakverdeling: er is een onveranderlijke klassenindeling van werksters, soldaten, fokstieren en de koningin. De menselijke samenleving onderscheidt zich door een eigensoortige organisatiewijze die nauw samenhangt met zijn rationele vermogens.

Mensen zijn relatief instinctarm, maar ze compenseren dat met hun intellectuele vermogen om van hun fouten te leren, met taal informatie op te slaan die gebaseerd is op de ervaringen van vroegere generaties en op het vermogen om hun handelswijze te baseren op dat wat hun overleven op de lange duur het best garandeert. De menselijke sociale organisatie functioneert dus het best als zij flexibel is en de vrijheid geeft voor het maken van rationele aanpassingen aan nieuwe informatie.

Volgens de stoïcijnen blijft het voor de mens echter een probleem dat hij zijn rationele vermogens en de daarmee verbonden vrije ruimte vaak ondoelmatig gebruikt. Zijn onmiddellijke instinctieve reacties en spontane emoties zijn vaak niet in harmonie met zijn verstandelijke inzichten. We weten nu dat de lagen van de hersenen waar de rationele vermogens zetelen van relatief recente datum zijn. De oudere lagen, die wel het reptielenbrein worden genoemd, vormen de bron vormen van emoties en instincten. Deze lagen hebben vaak de overhand. Het overredend vermogen van dat reptielenbrein is enorm. Bovendien komt alle informatie eerst via dit deel van onze hersenen binnen voordat de frontale cortex, waar onze ratio te vinden is, aan bod komt. Daardoor is het verstand in veel gevallen gewoon te zwak om de emoties te beheersen. Wie op zijn onmiddellijke instincten afgaat wordt een vetzak, maar wie zijn eigenbelang op de lange duur in acht neemt laat dat taartje toch maar liever staan. De mens kan zich nauwelijks onttrekken aan zijn irrationele emoties en zijn verstandelijke vermogens zijn uiterst gebrekkig. Toch is het mogelijk een zekere controle te ontwikkelen.

Volgens de stoïcijnen is dit ook de oorzaak van het asociale gedrag van veel mensen, zowel individueel als in groepen. Hoewel ze weten dat ze op de lange duur niet zonder de samenleving kunnen overleven gedragen ze zich toch egoïstisch. Daarom moeten de mensen met sociale regels en sancties gedwongen worden zich te disciplineren en de maatschappelijke rol vervullen die vereist is voor een goed functionerende sociale organisatie. Dat dient ook hun eigen welzijn op de langere termijn. De menselijke sociale organisatie moet dus enerzijds de individuele vrijheid beperken, maar anderzijds voldoende ruimte openlaten voor vrije informatieverwerving en maatschappelijke verandering. Binnen deze randvoorwaarden tekent zich een basis af waarop heel wel een systeem van regelgeving gebaseerd kan worden. Met andere woorden een stoïcijnse naturalistische natuurrechtsleer.

dinsdag 7 juli 2015

STOICIJNSE ZWARTKIJKERIJ: DE PRAEMEDITATIO MALORUM

Stoïcijnse scholen schreven aan hun leerlingen een niet al te vrolijk psychologische oefening voor: de praemeditatio malorum. De leerling moest zich in een toestand van zelfhypnose/meditatie brengen en zich zo levendig mogelijk voorstellen dat hem iets rampzaligs overkwam. Dit moest hem wennen aan de situatie en een ‘so what’ houding bij hem kweken. Bovendien kon hij zo een handelswijze oefenen om met de ramp om te gaan.

In de klassieke literatuur, vooral Seneca was hier berucht om, ging het dan vooral om dingen als verbanning, ziekte, armoede en ook de eigen dood. Door dit regelmatig te doen zou de leerling zijn geest sterken en zich alvast van te voren wennen aan ernstige tegenslag. De leerling zou zich zo het besef eigen maken dat dit soort externe gebeurtenissen niet echt belangrijk zijn voor een gelukkig leven. Alleen je persoonlijke instelling is van belang. Natuurlijk zal iedere stoïcijn dit soort rampen proberen te voorkomen, maar als ze eenmaal gebeuren, en dat is voor ieder mens onvermijdelijk, dan weet hij dat het voor je welzijn geen rol speelt. Een mens kan onder de meest ellendige omstandigheden goed functioneren. Ja hij kan dan zelfs op zijn best zijn. Het stoïcijnse zwartkijken maakt bovendien dat geen enkele tegenslag onverwacht komt. De leerling kan zich zo voorbereiden op iedere denkbare ramp en er op die manier op voorbereid zijn.

Uit modern psychologisch onderzoek blijkt dat deze antieke zwartkijkerij een schot in de roos was. Het vermijden van zwartgallige gedachten blijkt juist tot een toename van angstgevoelens te leiden. Een soortgelijke techniek wordt tegenwoordig zelfs in de cognitieve gedragstherapie toegepast. Het hoeft bij deze techniek trouwens niet alleen over grote rampen te gaan ook kleine tegenslagen en dingen die je angstig maken kunnen op deze manier worden aangepakt. De praemeditatio malorum schijnt de volgende positieve effecten te hebben:
  •  Gewenning, hoe vaker je iets beleeft hoe ‘gewoner’ het wordt;
  •  Relativering, is de situatie echt zo erg als hij lijkt;
  • Vermindering van een schrikeffect, je weet van te voren wat er zou kunnen gebeuren;
  •  Oefening van ‘coping skills’, je weet al wat je het best kunt doen om het probleem aan te pakken.

Door deze oefening regelmatig te doen kan zelfs een gevoel van verveling optreden. Dit was volgens de stoïcijnen een goed teken. Het zou betekenen dat je de mogelijke catastrofe onder controle begint te krijgen. Stoïcijnen probeerden (proberen) op deze manier hun karakter te trainen en zich voor te bereiden op tegenslag.
  


maandag 29 juni 2015

HET MATERIALISME EN DE WETENSCHAPPELIJKE METHODE

Stoïcisme is een materialistische filosofie en als er in de Oudheid zoiets als de wetenschappelijke methode had bestaan zouden de stoïcijnse filosofen daar vast mee hebben ingestemd. Ze waren er van overtuigd dat zekere kennis moeilijk maar weldegelijk mogelijk was. Maar dat betekent niet dat ze alles zo maar kritiekloos zouden aannemen. Ze waren zeker vatbaar voor rationele kritiek en zouden als die hen kon overtuigen hun opvattingen hebben aangepast. Bovendien was het stoïcijns materialisme een stuk minder materialistisch dan wat vandaag de dag onder materialisme wordt begrepen. En zekere kennis was eigenlijk alleen maar weggelegd voor de legendarisch wijze, die zo zeldzaam was als de Ethiopisch Phoenix. Hieronder volgt een, wat uit de hand gelopen en niet zo stoïcijns, verhaaltje over de wetenschappelijke methode.

De wetenschappelijke methode vindt zijn filosofische grondslag in wat wel het logisch positivisme wordt genoemd. De logisch positivisten van de zogenaamde ‘Wiener Kreis’ zochten naar een criterium om een scheidslijn tussen zin en onzin af te bakenen. Iedereen weet dat je in het dagelijks leven, zelfs met de beste bedoelingen, iets kunt zeggen zonder dat je iets beweert. We zijn er aan gewend geraakt dat fatsoenlijke heren ons van de kansel toespreken, en loze beweringen zijn in de reclame, politiek en massamedia aan de orde van de dag. De logisch positivisten vroegen zich af hoe je onderscheid kunt maken tussen uitspraken die werkelijk iets betekenen, waar of onwaar kunnen zijn, en uitspraken die helemaal niets beweren en dus ook niet waar of onwaar zijn.

Ze kwamen met het volgende antwoord. Zinvolle uitspraken kunnen in twee categorieën worden ingedeeld. De ene soort is dankzij de termen die worden gebruikt waar of onwaar. Als ik tegen u zeg: ‘mijn buurman is een vrijgezel met een vrouw en twee kinderen’ weet u zeker dat ik tegen u lieg. Vrijgezel betekent ongetrouwde man en mijn buurman kan daardoor niet tegelijkertijd vrijgezel en getrouwd zijn. U hoeft geen nader onderzoek in te stellen om te weten of wat ik beweer al dan niet klopt. Uit alleen de gebruikte termen kunt u al opmaken dat ik tegen u lieg. Dergelijke uitspraken waarvan je door ze te analyseren kunt uitmaken of ze waar of onwaar zijn worden wel ‘analytische uitspraken’ genoemd. De logische positivisten beweerden dat alle definities, logische uitspraken en wiskundige uitspraken tot deze categorie behoorden.

De andere categorie bestaat uit uitspraken waarvan niet door analyse kan worden bepaald of ze waar of onwaar zijn, maar alleen door controle van de feiten. Als ik tegen u zeg: ‘bij mij in Sellingen wonen tien roodharigen’, dan kan dat waar of niet waar zijn. Het kan zowel waar als onwaar zijn, maar alleen uit de door mij gebruikte woorden kunt u dat niet achterhalen. U kunt er uitsluitend achter komen door naar alle inwoners van mijn dorp te kijken en te tellen hoeveel roodharigen er zijn. Omdat de waarheid van een dergelijke uitspraak alleen kan worden bepaald door de uitspraak af te wegen tegen een werkelijkheid buiten de uitspraak worden deze uitspraken synthetisch genoemd.

De ontkenning van een analytische uitspraak zou zichzelf tegenspreken, maar de ontkenning van een synthetische uitspraak niet. Het is een uitspraak die heel goed waar had kunnen zijn, maar het toevallig niet is. In mijn dorp zouden geen, zes, twaalf of zelfs nog meer roodharigen kunnen wonen. Al die uitspraken zouden heel goed waar kunnen zijn, en als ik er één van uitspreek is deze in elk geval niet intrinsiek met zichzelf in tegenspraak. Toch kan niet meer dan één van die uitspraken waar zijn en kan de waarheid alleen door de feiten te controleren worden vastgesteld. Bij een analytische uitspraak kunnen we vanuit onze leunstoel alleen door analyse vaststellen of hij waar of onwaar is. Bij een synthetische uitspraak moeten we de straat op, er moet in principe op zijn minst iets zijn wat we kunnen waarnemen, iets wat we kunnen controleren.

Als een uitspraak enige werkelijke inhoud bezit moet de waar- of onwaarheid ervan voor het een of ander een wezenlijk verschil uitmaken. In de wereld van mogelijke waarnemingen moet er dan ook een mogelijke waarneming zijn die dat verschil kan registreren. Als geen enkele voorstelbare waarneming een bepaalde uitspraak kan verifiëren of ontkrachten, dan houdt die uitspraak geen verband met de toestand van al het bestaande, althans voor zover het de wereld van de mogelijke waarnemingen betreft, en dat is de enige wereld die wij kunnen kennen. De uitspraak zegt ons dan dus helemaal niets. De zin kan grammaticaal correct zijn en er uitzien als alle andere zinnen die ons wel iets te zeggen hebben maar in feite is het een lege (on)zin.

Dit is het zogenaamde ‘verificatieprincipe’ van de logisch positivisten. Alleen beweringen die in principe verifieerbaar zijn door observatie of uit ervaring kunnen feitelijke informatie overbrengen. Beweringen die op geen enkele voorstelbare manier geverifieerd kunnen worden zijn ofwel analytisch ofwel zonder betekenis.

Het wereldbeeld dat achter deze doctrine schuilgaat was dat van de klassieke wetenschap. Er wordt er daarbij vanuit gegaan dat alle waarheden die over de wereld ontdekt kunnen worden met behulp van wetenschappelijke methodes aan het licht kunnen komen. En dat leek aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw ook te kloppen. De stof waaruit de wereld bestaat werd in die tijd met groot succes door de natuur- en scheikunde, en voor zover het over levende stof ging door de biologie, verklaard. De mens zelf werd in toenemende mate door de neurologie, de psychologie en de sociale wetenschappen ontleed. Door allerlei wetenschappelijk onderzoek ging onze kennis van de wereld met reuzensprongen vooruit.

De wetenschappelijke methode leek de enige werkelijk betrouwbare manier om kennis te vergaren. Om als werkelijke kennis te worden geaccepteerd moest aan de voorwaarden van deze methode worden voldaan. Synthetische uitspraken over de werkelijkheid die niet aan het verificatieprincipe voldeden waren niet meer dan loze uitlatingen. Uitingen van een religie, een ongefundeerde veronderstelling, bijgelovig wensdenken, vooroordeel, een persoonlijke mening of misschien zelfs een soort emotie, maar beslist geen kennis in enige objectieve of intellectueel serieuze zin.

De logische positivisten gaven daarmee een filosofische ondergrond aan wat destijds in het Westen het algemeen aanvaarde wereldbeeld vormde. Dit lijkt een heel bevredigend wereldbeeld waarin alles een duidelijke plaats heeft en in elk geval in principe verklaarbaar is. Veel mensen en niet alleen wetenschappers voelen zich er nog steeds bij thuis. Toch is het hier niet bij gebleven. De wetenschap heeft zich verder ontwikkeld en kwam bij zijn onderzoek dingen tegen die zijn eigen filosofie op losse schroeven zette. De moderne wetenschap toont hoe langer hoe meer aan dat achter de alledaagse wereld van het gezond verstand een werkelijkheid schuilgaat die tegen onze intuïtie ingaat en met dat gezond verstand niet meer te bevatten valt.

Van Newton tot de tijd van de logisch positivisten werd het zoeken naar natuurwetten als de centrale taak van de wetenschap beschouwd. Die wetten waren onbeperkt algemene uitspraken over de wereld waarvan bekend was dat ze waar waren. Deze wetten waren allemaal geverifieerd door observaties en experimenten en bleken bij herhaalde toepassing steevast en nauwkeurig tot de door de wetten voorspelde resultaten te leiden.

Deze zogenaamde wetenschappelijke methode valt als volgt te omschrijven: een wetenschapper verzamelt een grote hoeveelheid gegevens, waaruit algemene patronen vallen af te leiden, die een aanwijzing vormen voor een bepaalde wetmatigheid. De betreffende wetenschapper stelt vervolgens een hypothese op en verzint een experiment om zijn hypothese te verifiëren. Als de hypothese geverifieerd wordt is een nieuwe natuurwet geboren. Zo zou een gebouw van zekere en onwankelbare kennis gebaseerd op een fundament van geverifieerde natuurwetten en logisch deductieve redeneringen ontstaan.

Uitspraken zoals dit soort wetten zijn nooit analytisch want dan zouden ze ons geen nieuwe informatie over de wereld vertellen. Hun waarheid volgt niet door middel van logische herleiding uit de definities van de termen en evenmin zal een ontkenning ervan zichzelf ontkrachten. Het zijn synthetische uitspraken die ons nieuwe informatie over de werkelijkheid geven.

De nieuwe wetenschap van relativiteitstheorie en kwantummechanica gooit echter roet in het eten. Langzamerhand ontstond de gedachte dat wetenschappelijke wetten nooit werkelijk geverifieerd kunnen worden. De Engelse filosoof Hume had er al op gewezen dat uit geen enkele eindige hoeveelheid observaties, hoe groot ook, enige onbeperkte, algemene, logisch verdedigbare conclusie kon worden getrokken. Ik kan dan wel uit mijn waarneming dat dingen elke keer als ik ze los laat vallen een zwaartekrachtwet afleiden. Maar als dat zo is ben ik via een psychologisch proces en niet via een logische onweerlegbare redenering tot die conclusie gekomen. De conclusie alle A’s zijn x volgt niet uit één observatie, ook niet uit twee en al evenmin uit twee duizend of twee miljard observaties.

Een bekend voorbeeld hiervan gaat over zwanen. Gedurende duizenden jaren voor de ontdekking van Australië waren alle zwanen die de mensen ooit hadden gezien wit. Zo wit als een zwaan was een veel gebruikte uitdrukking en de redenering ‘Alle zwanen zijn wit, A is een zwaan, dus A is wit’ was zelfs een standaard voorbeeld in de logica boeken. Toen de Europeanen Australië ontdekten zagen ze echter voor het eerst zwarte zwanen. De natuurwet ‘alle zwanen zijn wit’ bleek onjuist te zijn. Ondanks dat gedurende duizenden jaren door miljoenen mensen alleen maar witte zwanen waren gezien kon daaruit dus niet de conclusie worden getrokken dat alle zwanen wit waren. Hoe vanzelf sprekend het ook lijkt de rede zal nooit uit observaties de conclusie kunnen trekken dat iets waar is. Dat betekent dat onbeperkte algemene uitspraken in de vorm van natuurwetten nooit en te nimmer zullen kunnen worden geverifieerd. Het verificatiebeginsel van de wetenschappelijke methode sluit het bestaan van natuurwetten dus zelf uit.

De filosoof Popper, die dit allemaal formuleerde, zei dat wetenschappers de fundamenten van hun methode als een gegeven aannemen en er niet over peinzen om te discussiëren over hun instrumentarium. Popper had echter aangetoond dat het hele wetenschappelijke bouwwerk op drijfzand was gebouwd. Onder wat eeuwenlang de grondslag van het Westerse denken was geweest waren de poten weggezaagd en daardoor kwam heel wat meer ten val dan alleen de wetenschap. Maar hoe nu verder? Is de eerste vraag die naar voren komt.

Popper kwam met een oplossing, een geheel nieuwe manier om tegen de wetenschap en tegen de vraag wat menselijke kennis nu eigenlijk is aan te kijken. Hij zag dat natuurwetten, algemene uitspraken over de werkelijkheid, weliswaar niet verifieerbaar zijn, maar dat ze wel falsifieerbaar zijn. Hoewel geen enkele hoeveelheid observaties kan bewijzen dat alle zwanen wit zijn, kan de waarneming van één enkele zwarte zwaan wel definitief bewijzen dat die uitspraak onjuist is. Dat betekent dat natuurwetten weliswaar niet verifieerbaar zijn, maar wel falsifieerbaar en dus toch toetsbaar.

Dit is van cruciaal belang. Als een theorie alles, ongeacht wat er gebeurd, kan verklaren, moet dit betekenen dat alle observaties consistent zijn met die theorie. Een wetenschappelijke theorie moet empirisch toetsbaar zijn, en aangezien falsificatie logisch de enige manier van toetsen is, moet een theorie om wetenschappelijk te zijn dus falsifieerbaar zijn. Empirische falsifieerbaarheid is nu dus het criterium voor het onderscheid tussen wetenschap en niet-wetenschap geworden.

Een spectaculair voorbeeld hiervan zijn Einsteins relativiteitstheorieën. Deze theorieën waren onverenigbaar met de natuurwetten van Newton die meer dan tweehonderd jaar als definitief en onomstotelijk werden beschouwd. Maar Einstein en Newton konden niet beiden gelijk hebben. Er werden nieuwe experimenten bedacht waarmee de natuurwetten van Newton werden weerlegd. Daarmee was niet aangetoond dat Einsteins theorieën waar waren, maar wel dat de natuurwetten van Newton niet klopten. Net zomin als honderden jaren van observaties en experimenten hadden aangetoond dat Newtons wetten waar waren, hebben de nieuwe experimenten aangetoond dat Einstein gelijk heeft.

Onbeperkte algemene empirische uitspraken kunnen nooit geverifieerd worden. Geen enkel complex van dergelijke uitspraken had ooit een ogenschijnlijk meer definitieve bevestiging gevonden dan de newtoniaanse wetenschap. De totale moderne techniek en iedere machine belichaamden de bevestiging ervan. De hele Industriële Revolutie was er op gebaseerd. Met behulp van zijn wetten kon het zonnestelsel worden verklaard en konden met wiskundige precisie een ongekend aantal natuurverschijnselen worden voorspeld. Toch bleek deze ongelooflijke hoeveelheid verifiërend materiaal niet voldoende om de newtoniaanse wetenschap te verifiëren.

Hieruit volgt dat we in wetenschappelijke zin nooit iets definitief kunnen kennen. Het zoeken naar zekerheid, wat sinds Descartes in het centrum stond van de Westerse filosofie, bleek een vergissing te zijn. Dat was zoeken naar iets waarvan het logisch uitgesloten was dat we het ooit zouden vinden. De menselijke kennis is niet een openbaring van iets dat objectief en tijdloos waar is, iets dat onafhankelijk van ons ergens daarbuiten bestaat. Onze kennis is niets meer dan dat waarvoor we op een zeker tijdstip de beste redenen hebben om te geloven dat het waar is. Hoe goed gefundeerd ook het zal altijd een vermoeden een hypothese blijven en als zodanig een schepping van de menselijke geest. De wereld bestaat onafhankelijk van ons, maar onze kennis ervan bestaat niet onafhankelijk van ons. Menselijke kennis is menselijk. Zij is intrinsiek een kwestie van vermoedens en kan altijd worden weerlegd of bijgeschaafd.