Waarom voelen wij mee met het verdriet van een vreemde? Waarom zijn wij bereid onszelf op te offeren voor onze kinderen, onze partner of soms zelfs voor mensen die wij nooit hebben ontmoet? En waarom ervaren wij diepe voldoening wanneer wij een ander helpen, zelfs als daar geen direct persoonlijk voordeel tegenover staat? Deze vragen behoren tot de oudste van de filosofie. Eeuwenlang werden empathie en compassie beschouwd als mysterieuze eigenschappen die de mens boven de natuur zouden verheffen. Religies hebben het vaak over een mysterieuze ‘heilige liefde’ die uw ziel zou moeten redden en tot een eeuwig leven in een of ander paradijs zou leiden. Ook tegenwoordig wordt ‘liefde’ gezien als een lovenswaardige en wat geheimzinnige eigenschap die tot de kern van de menselijke ‘goedheid’ behoort. De stoïcijnen dachten daar anders over en ook de moderne evolutiebiologie heeft laten zien dat er niets mysterieus aan deze liefde is, maar dat het hier gaat om vermogens die juist diep in onze biologische geschiedenis zijn geworteld. Empathie, compassie en liefde zijn niet ondanks de evolutie ontstaan, maar juist dankzij de evolutie.
Empathie is het vermogen om de emoties en perspectieven van een ander te begrijpen en te delen. Compassie is niet alleen het voelen van de pijn van een ander, maar ook de motivatie om die pijn te verlichten. Ook (romantische) liefde past in dit rijtje en heeft diepe evolutionaire wortels. Menselijke baby's worden extreem hulpeloos geboren en hebben jarenlang verzorging nodig. Een langdurige band tussen ouders vergrootte de overlevingskans van kinderen enorm. Daardoor ontstond selectie op eigenschappen die partnerbinding bevorderen. Maar liefde bleef niet beperkt tot romantische relaties. Vriendschap, kameraadschap en gemeenschapsgevoel maakten steeds grotere samenlevingen mogelijk. Waar veel diersoorten in kleine groepen leven, konden mensen dankzij vertrouwen duizenden en uiteindelijk miljoenen onbekenden laten samenwerken. Onze economie, wetenschap en democratie zouden zonder dit vermogen onmogelijk zijn.
In de jaren '90, zijn de zogenaamde spiegelneuronen ontdekt. Dit zijn hersencellen die actief worden, zowel als u een handeling uitvoert als wanneer u ziet dat iemand anders die handeling uitvoert. Ze spelen een sleutelrol in het imiteren en begrijpen van emoties en vormen de biologische basis voor empathie. Evolutionair gezien is empathie een overlevingsmechanisme. Empathie zorgt voor groepscohesie. In vroege menselijke gemeenschappen verhoogde empathie de kans op samenwerking, wat essentieel was voor jagen, bescherming en opvoeding. Wie de behoeften van anderen kon inschatten, kon beter samenwerken en vertrouwen opbouwen. Empathie bij ouders voor hun nakomelingen zorgt voor betere zorg, wat de overlevingskans van het kind vergroot. Dit wordt ondersteund door hormonen zoals oxytocine en vasopressine, die sociale binding en vertrouwen versterkt. Misschien niet zo romantisch en mysterieus als traditie, film en religie u willen doen geloven maar wel een heel effectief overlevingsmechanisme.
Opmerkelijk genoeg sluit deze wetenschappelijke visie verrassend goed aan bij een filosofie die ruim tweeduizend jaar geleden ontstond: het stoïcisme. De eerste stoïcijnen zagen de mens niet als een geïsoleerd individu dat uitsluitend door eigenbelang wordt gedreven, maar als een sociaal wezen dat van nature deel uitmaakt van een groter geheel. Zij ontwikkelden begrippen als ‘oikeiôsis’ (het proces van toenemende verbondenheid), ‘sympatheia’ (de onderlinge samenhang van alle dingen) en de deugd van rechtvaardigheid om te beschrijven hoe een mens zijn natuurlijke aanleg kan vervolmaken. Hoewel de stoïcijnen uiteraard niets wisten van DNA, natuurlijke selectie of neurobiologie, hadden zij een opmerkelijk scherp inzicht in de sociale aard van de mens. Waar de evolutiebiologie verklaart hoe empathie, compassie en liefde konden ontstaan, laat het stoïcisme zien hoe datzelfde vermogen kan uitgroeien tot universele menselijkheid. Laten we eens onderzoeken hoe deze twee perspectieven elkaar aanvullen.
De mens is een sociale primaat. Mensen beschouwen zichzelf graag als uitzonderlijk, maar biologisch behoren wij tot de primaten oftewel de mensapen. Onze naaste verwanten, chimpansees en bonobo's, laten al veel gedrag zien dat wij empathisch zouden noemen. Zij troosten groepsgenoten na conflicten, delen voedsel, beschermen kwetsbare individuen en onderhouden langdurige sociale relaties. Toch gaat de menselijke samenwerking veel verder. Geen enkele andere diersoort bouwt ziekenhuizen, universiteiten, rechtsstelsels of wetenschappelijke instituten. Geen enkele andere soort kan miljoenen onbekenden laten samenwerken aan één gezamenlijk doel.
De vraag is dus niet waarom mensen empathie bezitten. De vraag is waarom onze empathie zich zo uitzonderlijk heeft ontwikkeld. Waarom zijn mensen empathisch? Het antwoord ligt zoals we zagen grotendeels in onze evolutionaire geschiedenis.
Natuurlijke selectie bevoordeelt eigenschappen die de kans vergroten dat genen worden doorgegeven aan volgende generaties. Op het eerste gezicht lijkt empathie hiermee in strijd. Wie anderen helpt, verspilt immers tijd, energie en soms zelfs eigen overlevingskansen.
Toch blijkt samenwerking vaak juist evolutionair voordelig. De eerste stap was waarschijnlijk ouderlijke zorg. Zoogdieren investeren veel energie in hun jongen. Individuen die beter reageerden op signalen van angst, pijn of honger brachten meer nakomelingen groot. De neurologische mechanismen achter zorggedrag werden daardoor steeds verder verfijnd. Vervolgens ontstond samenwerking tussen familieleden. Volgens de theorie van verwantschapsselectie helpt een organisme indirect ook zichzelf wanneer het verwanten ondersteunt, omdat zij een aanzienlijk deel van dezelfde genen dragen. Daarna ontstond wederkerig altruïsme. In kleine groepen loonde het om vandaag een ander te helpen, omdat de kans groot was dat die hulp later zou worden terugbetaald. Vertrouwen werd daarmee letterlijk een overlevingsstrategie.Ten slotte ontstonden groepen waarin samenwerking zelf een concurrentievoordeel vormde. Groepen waarin individuen elkaar vertrouwden, conflicten konden oplossen en voedsel deelden, waren succesvoller dan groepen die voortdurend intern verdeeld waren. Empathie werd daarmee niet een zwakte, maar één van de krachtigste wapens van onze soort.
De neurobiologie van onze hersenen weerspiegelt deze evolutionaire geschiedenis. Wanneer wij een geliefde zien, worden beloningscentra actief waarin dopamine een belangrijke rol speelt. Oxytocine versterkt gevoelens van vertrouwen en verbondenheid. Vasopressine draagt bij aan langdurige partnerbinding, terwijl endorfinen zorgen voor het rustige gevoel van veiligheid dat kenmerkend is voor duurzame relaties. Ook de zogenaamde spiegelneuronen illustreren hoe diep sociale verbondenheid in ons zenuwstelsel is ingebouwd. Zij maken het mogelijk dat wij andermans emoties en handelingen vrijwel automatisch simuleren. Hoewel empathie veel complexer is dan spiegelneuronen alleen, laten zij zien dat onze hersenen letterlijk zijn ingericht op sociale afstemming. Wat wij subjectief ervaren als medeleven, liefde of verbondenheid is biologisch gezien een uiterst verfijnd systeem dat samenwerking bevordert.
Empathie is niet alleen maar goed, het heeft ook een donkere kant. Mensen voelen doorgaans sterker mee met familie, vrienden en groepsgenoten dan met vreemden. Dit heeft eveneens evolutionaire wortels. In de prehistorie leefden mensen in kleine stammen waarin het onderscheid tussen "wij" en "zij" van levensbelang kon zijn. Andere groepen mensen waren gevaarlijke concurrenten. Daardoor kan empathie ook leiden tot partijdigheid. We helpen gemakkelijker mensen die op ons lijken en zijn sneller wantrouwend tegenover buitenstaanders. Juist daarom spelen cultuur, opvoeding en ethiek een cruciale rol. Zij kunnen onze natuurlijke empathie uitbreiden tot mensen buiten onze eigen groep. Onze natuurlijke maar ‘primitieve’ en beperkte empathische neigingen moeten gemodificeerd worden door onze rationaliteit. Alleen dan kan empathie de positieve emotie van compassie voor alle leden van de menselijke soort worden.
Hier raken wij aan een van de meest fascinerende begrippen uit de vroege Stoa: ‘oikeiôsis’. De term ‘oikeiôsis’ staat voor de evolutionaire uitbreiding van de kring van zorg. De stoïcijnen beschreven ‘oikeiôsis’ als een natuurlijk ontwikkelingsproces. Elk levend wezen begint met zelfbehoud. Vervolgens ontstaat zorg voor het eigen lichaam, daarna voor kinderen, familie, vrienden, medeburgers en uiteindelijk voor de gehele mensheid en zelfs alle bewuste rationele wezens. Vooral Hierocles gebruikte hiervoor zijn beroemde beeld van concentrische cirkels. In het midden staat het individu. Daaromheen liggen achtereenvolgens: gezin, familie, vrienden, stad, land en uiteindelijk de hele mensheid en zelfs alle bewuste wezens. De taak van de wijze is deze cirkels steeds dichter naar het centrum te trekken, zodat vreemden geleidelijk als verwanten worden behandeld.
Vanuit modern evolutionair perspectief is dit beeld opmerkelijk actueel. De eerste cirkels komen overeen met wat de evolutie verwacht: zorg voor jezelf, je partner en je familie. Maar dankzij taal, cultuur, onderwijs en rationeel denken kan de mens deze oorspronkelijk beperkte empathie uitbreiden tot steeds grotere gemeenschappen. Waar de natuur ons slechts een beginpunt geeft, nodigt de rede ons uit dit vermogen verder te ontwikkelen. Juist daarin ligt volgens de Stoa menselijke groei.
Een tweede kernbegrip is 'sympatheia'. Het stoïcijnse begrip ‘sympatheia’ staat voor leven in een onderling verbonden werkelijkheid.
Volgens de stoïcijnen vormt het universum één samenhangend geheel waarin alles met elkaar verbonden is. Niet omdat alles hetzelfde is, maar omdat alle delen deel uitmaken van één rationele kosmos. Hoewel de moderne wetenschap geen beroep doet op de hier achterliggende stoïcijnse logos, bevestigt zij wel op indrukwekkende wijze de onderlinge afhankelijkheid van alle levensvormen. Ecologie laat zien dat ecosystemen bestaan uit complexe netwerken van wederzijdse afhankelijkheid. Evolutie toont dat alle organismen een gemeenschappelijke oorsprong hebben. Genetica laat zien dat alle mensen meer dan 99,9% van hun DNA delen. De sociale wetenschappen maken duidelijk dat moderne samenlevingen functioneren dankzij enorme netwerken van samenwerking tussen onbekenden. Wat de stoïcijnen intuïtief aanduidden als ‘sympatheia’, herkennen wij tegenwoordig in biologische, ecologische en maatschappelijke onderlinge verbondenheid. De wereld blijkt inderdaad veel sterker verweven dan ons dagelijkse gevoel van afzonderlijkheid doet vermoeden.
De hoofddeugd rechtvaardigheid wordt door de stoïcijnen gezien als de uiteindelijke voltooiing van onze neiging tot empathie. Voor de stoïcijnen was rechtvaardigheid geen verzameling regels en wetten, maar een karaktereigenschap. Een rechtvaardig mens behandelt anderen eerlijk omdat hij inziet dat hun welzijn uiteindelijk samenhangt met het zijne. De evolutie verklaart waarom wij geneigd zijn vooral empathie te voelen voor mensen die op ons lijken. De Stoa erkent deze natuurlijke neiging, maar beschouwt haar niet als eindpunt. Hier verschijnt de rol van de rede. Rede stelt ons in staat onze spontane voorkeuren kritisch te onderzoeken. Zij kan onze natuurlijke empathie uitbreiden voorbij familie, stam, religie of nationaliteit. Daarmee wordt rechtvaardigheid de bewuste uitbreiding van onze aangeboren empathie. De natuur geeft ons de mogelijkheid tot medeleven. De filosofie leert ons dat vermogen universeel toe te passen.
Wat voor rol speelt de altijd zo geprezen ‘liefde’ in deze discussie? In veel moderne discussies wordt liefde tegenover rationaliteit geplaatst. De stoïcijnen deden precies het tegenovergestelde. Zij verwierpen weliswaar destructieve hartstochten die voortkomen uit verkeerde oordelen, maar zij verwierpen nooit zorg voor anderen. Integendeel, een wijze ontwikkelt juist een stabiele, redelijke en duurzame liefde voor medemensen. Vanuit evolutionair perspectief vormt dit een logische volgende stap. De biologische evolutie bracht empathie voort omdat samenwerking loonde. Culturele evolutie maakte grotere samenlevingen mogelijk. Filosofische ontwikkeling stelt ons vervolgens in staat bewust te kiezen voor een steeds ruimere kring van zorg. De geschiedenis van de mensheid kan daarom worden gelezen als een voortdurende uitbreiding van empathie: van gezin naar stam, van stam naar stad, van stad naar natie en uiteindelijk naar de gehele mensheid. Waar onze voorouders vooral zorgden voor familie, kunnen moderne mensen zich tegenwoordig verbonden voelen met onbekenden aan de andere kant van de wereld, met toekomstige generaties en zelfs met andere diersoorten.
Onze biologische evolutie verloopt relatief langzaam. Onze culturele evolutie daarentegen versnelt voortdurend. Via onderwijs, wetenschap, democratie en mensenrechten leren wij empathie uit te breiden tot groepen die evolutionair gezien nooit tot onze natuurlijke kring behoorden. Dat proces is nog lang niet voltooid. Nationalisme, racisme, religieuze conflicten en economische ongelijkheid laten zien dat onze evolutionaire voorkeur voor de eigen groep nog steeds sterk aanwezig is. Met de opkomst van het populisme lijkt het er zelfs op dat de maatschappij een stap terugdoet en primitieve en barbaarse tijden van uitsluiting en haat laat herleven. Juist daarom blijft de stoïcijnse oefening van ‘oikeiôsis’ relevant. Zij vraagt ons onze natuurlijke empathie niet te onderdrukken, maar haar steeds verder uit te breiden totdat iedere mens wordt gezien als medeburger van dezelfde wereldgemeenschap.
Empathie en liefde behoren tot de grootste innovaties van de evolutie. Zij maakten samenwerking mogelijk, en samenwerking maakte de menselijke beschaving mogelijk. Zonder empathie zouden er geen gezinnen, geen wetenschap, geen economie en geen rechtssystemen bestaan. De stoïcijnen voegden aan dit biologische verhaal een normatieve dimensie toe. Zij zagen dat de menselijke natuur niet voltooid is bij de geboorte. De mens bezit het vermogen zich moreel te ontwikkelen. Door ‘oikeiôsis’ breiden wij onze kring van zorg uit. Door ‘sympatheia’ leren wij onze onderlinge verbondenheid begrijpen. Door rechtvaardigheid zetten wij dat inzicht om in handelen. Vanuit dit perspectief zijn evolutie en stoïcisme geen rivalen, maar bondgenoten. De evolutie verklaart waarom wij empathisch kunnen zijn; de Stoa leert waarom wij ervoor zouden moeten kiezen die empathie steeds verder te verdiepen. Zelfs als dat tegen de tijdgeest in lijkt te gaan. De natuur gaf ons het zaad van medeleven. Filosofie kan helpen dat zaad uit te laten groeien tot een houding van universele menselijke verbondenheid. Misschien ligt daarin wel de diepste betekenis van menselijke beschaving: niet dat wij de natuur hebben overwonnen, maar dat wij haar meest waardevolle gave, het vermogen tot samenwerking en zorg voor elkaar, bewust leren vervolmaken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten